Commentaar van art. 126, WIB 92

Afdeling VII

Aanslag van echtgenoten en hun kinderen

Art. 126, WIB 92

I. WETTEKST

126/0

II. ALGEMEEN

126/1-3

A. Principes

126/1

B. Opmerkingen

126/2-3

III. HET BEGRIP "ECHTGENOTEN"

126/4

IV. SAMENVOEGING VAN SOMMIGE INKOMSTEN VAN ECHTGENOTEN

126/5-11

A. Grondbeginsel

126/5

B. Afwijkingen

126/6

C. Bijzondere gevallen

126/7-11

V. SAMENVOEGING VAN DE INKOMSTEN VAN OUDERS EN KINDEREN

126/12-25

A. Grondbeginsel

126/12

B. Wettelijk genot van de inkomsten van de kinderen

126/13-15

C. Bijzondere gevallen

126/16-24

D. Beëindiging van het wettelijk genot

126/25

VI. AANSLAG OP NAAM VAN BEIDE ECHTGENOTEN

126/26-28

I. WETTEKST

Nummer 126/0

Art. 126. - Ongeacht het huwelijksvermogensstelsel, worden de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van echtgenoten samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft.

Inkomsten van kinderen worden bij de inkomsten van hun ouders gevoegd zolang deze laatsten het wettelijk genot daarvan hebben.

De aanslag wordt op naam van beide echtgenoten gevestigd.

II. ALGEMEEN

A. PRINCIPES

Nummer 126/1

De wettelijke bepalingen die de aanslag van de inkomsten van echtgenoten en hun kinderen regelen, kunnen als volgt worden samengevat :

1° belastbare inkomsten van de echtgenoten :

- samenvoeging van de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van de beide echtgenoten met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft;

- afzondering van de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het minst zulke inkomsten heeft;

- vestiging van één aanslag op naam van beide echtgenoten.

2° belastbare inkomsten van de kinderen :

- inkomsten waarvan de ouders het wettelijk genot hebben : samenvoeging van die inkomsten met die van de ouders en vestiging van de aanslag op naam van de ouders;

- andere inkomsten : geen samenvoeging, maar vestiging van de aanslag op naam van het kind.

B. OPMERKINGEN

Nummer 126/2

Voor het jaar waarin de ouders ophouden het wettelijk genot van de inkomsten van hun kinderen te hebben, gelden bijzondere regels (zie 126/25).

Nummer 126/3

Voorts wordt de aandacht gevestigd op het feit dat de samenvoeging van inkomsten in ieder geval beperkt is, namelijk :

- tot de samenvoeging van de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van de echtgenoten met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft (zie 126/5 tot 11);

- tot de samenvoeging van de inkomsten van de ouders met die van hun minderjarige kinderen waarvan zij het wettelijk genot hebben (zie 126/12 tot 24).

Dit houdt in dat alle andere van het gezin van de belastingplichtige deel uitmakende personen, zoals meerderjarige kinderen, ontvoogde minderjarige kinderen, ouders, grootouders, broers, zusters, enz., op hun eigen inkomsten moeten worden belast.

III. HET BEGRIP "ECHTGENOTEN"

Nummer 126/4

Fiscaal moeten als echtgenoten worden beschouwd, de gehuwde personen die zich niet in een van de in art. 128, eerste lid, WIB 92, bedoelde gevallen bevinden.

Die specifieke fiscale definitie van het begrip echtgenoten houdt niet in alle gevallen rekening met de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Hoewel wettelijk gehuwd, worden getrouwde personen fiscaal immers niet als echtgenoten maar als alleenstaanden beschouwd :

- voor het jaar van het huwelijk;

- vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;

- voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk (door echtscheiding of door overlijden);

- voor het jaar van scheiding van tafel en bed (en voor de volgende jaren zolang er geen "verzoening" is ingetreden tussen de echtgenoten);

- wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 F (dit bedrag wordt overeenkomstig art. 178, WIB 92, geïndexeerd - zie 178/28 en 41) die bij overeenkomst zijn vrijgesteld zonder progressievoorbehoud (internationaal ambtenaar).

Voor die uitzonderingsgevallen gelden bijzondere regels die worden uiteengezet in de commentaar op art. 128, WIB 92.

IV. SAMENVOEGING VAN SOMMIGE INKOMSTEN VAN ECHTGENOTEN

A. GRONDBEGINSEL

Nummer 126/5

Ingevolge de uitdrukkelijke bepalingen van art. 126, eerste lid, WIB 92, moeten de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van de echtgenoten worden samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft. Daarbij blijft het door de echtgenoten aangenomen huwelijksvermogensstelsel (wettelijk stelsel, algehele gemeenschap, scheiding van goederen enz.) buiten beschouwing.

Het principe van de samenvoeging van sommige inkomsten van de echtgenoten is evenwel slechts van toepassing wanneer beide echtgenoten aan dezelfde belasting (PB of BNI/nat.pers.) onderworpen zijn (PV nr. 329, 15.9.1989, Volksv. Flamant, Bull. 693, blz. 1032).

Het principe van de samenvoeging van de inkomsten van de echtgenoten geldt niet voor de beroepsinkomsten.

Dit betekent dat de belasting wordt berekend op twee belastbare grondslagen :

- enerzijds, de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het kleinste beroepsinkomen (afgezonderd beroepsinkomen);

- anderzijds, de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot, samengevoegd met alle andere inkomsten (inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende en kapitalen en diverse inkomsten) van de echtgenoten (resterend gezinsinkomen) [zie ook 126/12, tweede lid].

B. AFWIJKINGEN

Nummer 126/6

De wetgever heeft verschillende afwijkingen op het in 126/5 uiteengezette grondbeginsel ingevoerd.

Het principe van de samenvoeging van sommige inkomsten van de echtgenoten wordt namelijk niet toegepast in de gevallen die opgesomd zijn in 126/4, tweede lid.

C. BIJZONDERE GEVALLEN

1. Feitelijke gezinnen

Nummer 126/7

De inkomsten van een man en een vrouw die een feitelijk gezin vormen, kunnen of mogen bij gebrek aan een wettelijke bepaling terzake nooit worden samengevoegd voor de berekening van de belasting.

2. Gehuwden die gerechtelijk gescheiden zijn van goederen

Nummer 126/8

Het principe van de samenvoeging wordt eveneens toegepast bij gerechtelijke scheiding van goederen (Luik, 29.4.1953, Mogin-Cloeckers Eug.; Gent, 21.4.1972, Coopman A., Bull. 510, blz. 1760).

3. Feitelijke scheiding

Nummer 126/9

De feitelijke scheiding wordt geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en permanent een verschillende woonplaats hebben; die toestand kan blijken uit de inschrijvingen in het bevolkingsregister of uit een van de gemeenteoverheid uitgaand attest.

Voor meer details wordt verwezen naar 128/13 tot 47.

Nummer 126/10

Uit het bepaalde in art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92, blijkt dat in alle gevallen van feitelijke scheiding, de inkomsten van de echtgenoten slechts afzonderlijk mogen worden belast vanaf het jaar volgend op dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden en voorzover die scheiding in de loop van het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt.

Nummer 126/11

De andere inkomsten dan beroepsinkomsten die door de echtgenoten gedurende het jaar van de feitelijke scheiding zijn verkregen, moeten derhalve worden samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen, zelfs indien tijdens datzelfde jaar door één van de echtgenoten een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt.

Indien de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed nog tijdens datzelfde jaar wordt uitgesproken, gelden evenwel de regels die toepasselijk zijn voor het jaar van echtscheiding of van scheiding van tafel en bed (zie 128/4 tot 8); het beslissende element hierbij is de datum van de uitspraak van het vonnis tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, voorzover de betrokken belastingplichtige aantoont dat dit vonnis binnen de wettelijke gestelde termijn is overgeschreven.

V. SAMENVOEGING VAN DE INKOMSTEN VAN OUDERS EN KINDEREN

A. GRONDBEGINSEL

Nummer 126/12

Zolang de ouders het wettelijk genot van de inkomsten van hun kinderen hebben, worden die inkomsten bij die van de ouders gevoegd of, ingeval één van de ouders overleden is, bij die van de langstlevende ouder.

Wanneer de aanslag wordt gevestigd op naam van beide ouders (zie 126/26 tot 28) worden, rekening houdende met de afzonderlijke belasting van de beroepsinkomsten van de ouders (zie 126/5, vierde lid), de inkomsten van de kinderen samengevoegd met de beroepsinkomsten van de ouder met het hoogste beroepsinkomen en met de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van beide ouders (resterend gezinsinkomen).

Wanneer een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op naam van elke ouder (b.v. in de in art. 128, eerste lid, WIB 92, vermelde gevallen of ingeval de ouders niet gehuwd zijn) worden de inkomsten van de kinderen - in voorkomend geval voor de helft (zie 126/17 en 18) - samengevoegd met de inkomsten van elke ouder.

B. WETTELIJK GENOT VAN DE INKOMSTEN VAN DE KINDEREN

Nummer 126/13

Het wettelijk genot van de inkomsten van de kinderen is het recht dat de wet aan de ouders verleent om de roerende en onroerende goederen van de kinderen te gebruiken en de inkomsten ervan te genieten.

Het wettelijk genot van de ouders wordt geregeld door de art. 384 tot 387, BW.

Nummer 126/14

Die artikelen van het BW luiden als volgt :

Art. 384, BW (W 13.4.1995) : De ouders hebben het genot van de goederen van hun kinderen tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding. Het genot wordt gekoppeld aan het beheer: het behoort toe, hetzij aan de beide ouders samen, hetzij aan de ouder die belast is met het beheer van de goederen van het kind (zie art. 376, BW, wat betreft het beheer van de goederen van het kind).

Art. 385, BW : ... (opgeheven bij art. 14, W 13.4.1995).

Art. 386, BW (W 31.3.1987) : De lasten van dit genot zijn :

1° die waartoe vruchtgebruikers gehouden zijn;

2° levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de kinderen, overeenkomstig hun vermogen;

3° de betaling van de rentetermijnen of interesten van de kapitalen;

4° de begrafeniskosten en de kosten van de laatste ziekte.

Art. 387, BW : Het strekt zich niet uit tot de goederen welke de kinderen door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerven, noch tot die welke hun geschonken of vermaakt worden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het genot niet zullen hebben.

Nummer 126/15

Samengevat kan worden gesteld dat het genotsrecht wordt toegekend :

- aan de beide ouders samen, behoudens als slechts één van de ouders belast is met het beheer van de goederen van het kind; (zie art. 376, BW, wat betreft het beheer van de goederen van het kind);

- in geval van overlijden van de vader of de moeder: aan de overlevende ouder.

Het wettelijk genot dooft niet uit door echtscheiding of door scheiding van tafel en bed.

C. BIJZONDERE GEVALLEN

1. Beroepsinkomsten van kinderen

Nummer 126/16

Uit de bepalingen van art. 387, BW volgt dat de ouders niet het wettelijk genot hebben van de goederen die een kind door afzonderlijke arbeid of nijverheid verwerft.

Derhalve mogen de beroepsinkomsten van de kinderen nooit met die van hun ouders worden samengevoegd.

2. Kinderen van wie de ouders niet gehuwd zijn

Nummer 126/17

Indien minderjarige niet-ontvoogde kinderen belastbare inkomsten hebben ontvangen waarvan de ouders, die niet gehuwd zijn, gezamenlijk het genot hebben krachtens art. 384, BW, dan moeten die inkomsten voor de helft worden samengevoegd met die van elke ouder.

3. Kinderen van wie de ouders als alleenstaanden worden aangemerkt overeenkomstig art. 128, eerste lid, WIB 92

Nummer 126/18

Wanneer de ouders als alleenstaanden worden aangemerkt overeenkomstig art. 128, eerste lid, WIB 92 (zie 126/4, tweede lid) worden de belastbare inkomsten van de kinderen waarvan de ouders gezamenlijk het genot hebben krachtens art. 384, BW, voor de helft samengevoegd met die van elke ouder.

4. Onbekwaam verklaarde meerderjarige kinderen

Nummer 126/19

Volgens de bepalingen van het BW hebben de ouders niet meer het genot van de goederen van hun kinderen wanneer deze laatsten meerderjarig of ontvoogd zijn (art. 384, BW).

Derhalve mogen de inkomsten van de goederen van onbekwaam verklaarde meerderjarige kinderen (zie art. 489, BW) niet met de inkomsten van de ouders worden samengevoegd.

5. Kinderen onder het statuut van verlengde minderjarigheid

Nummer 126/20

Die kinderen worden wat hun persoon en hun goederen betreft met minderjarigen beneden de 15 jaar gelijkgesteld (zie art. 487bis, laatste lid, BW) en blijven aan het ouderlijk gezag onderworpen (zie art. 487quater, BW).

In onderhavig geval zijn de in 126/15 verstrekte onderrichtingen van toepassing.

6. Volle wezen

Nummer 126/21

Kinderen die beide ouders verloren hebben zijn in voorkomend geval persoonlijk belastbaar op de inkomsten van hun goederen, want de samenvoeging is slechts tussen ouders en kinderen van toepassing. Hun voogd kan nooit op de inkomsten van die kinderen worden belast.

7. Studiebeurzen

Nummer 126/22

De aan kinderen toegekende studiebeurzen zijn doorgaans geen belastbare inkomsten en het bedrag ervan moet derhalve niet bij de inkomsten van de ouders worden gevoegd. (zie Kamer, zitting 1961-1962, Stuk 264/42, blz. 112).

Indien zij toch belastbaar zijn, dan is het als beroepsinkomen (zie 38/39) en geldt het bepaalde in 126/16.

8. Inkomsten uit een handelszaak die door de overlevende ouder wordt beheerd voor rekening en ten voordele van zijn minderjarige niet-ontvoogde kinderen

Nummer 126/23

Wanneer de overlevende ouder (vader of moeder) krachtens art. 390, BW, een handelszaak beheert voor rekening en ten voordele van zijn minderjarige niet-ontvoogde kinderen, moeten de inkomsten van die handel, die aan de kinderen toekomen, niet met zijn persoonlijke inkomsten worden samengevoegd.

9. Onderhoudsuitkeringen

Nummer 126/24

Uit het bepaalde in 126/13 en 14 moet worden afgeleid dat het wettelijk genotsrecht een soort vruchtgebruik is waardoor de vader en/of de moeder de opbrengsten van de persoonlijke goederen van de kinderen mag genieten, op de uitdrukkelijke voorwaarde die opbrengsten inzonderheid aan te wenden tot het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van deze kinderen (zie art. 386, 2°, BW).

De uitoefening van dat recht houdt dus in dat de kinderen onrechtstreeks zelf, geheel of gedeeltelijk, de kosten van hun levensonderhoud enz. dragen met de opbrengsten van hun persoonlijke goederen waarop dat genotsrecht wordt uitgeoefend.

Welnu, de rechtspraak neemt aan dat het feit dat de kinderen zelf, geheel of gedeeltelijk, voor de kosten van hun levensonderhoud, enz. kunnen instaan, tot gevolg heeft dat de ouders in die mate van hun onderhoudsverplichting ontheven zijn omdat deze verplichting in dat geval geen oorzaak heeft.

Daaruit volgt dat de uitkering van een onderhoudsuitkering door de ouders, enerzijds, en de uitoefening van hun wettelijk genotsrecht, anderzijds, elkaar in feite uitsluiten, zodat er in beginsel geen sprake kan zijn van wettelijk genotsrecht in de mate dat de onderhoudsuitkeringen voor de kinderen moeten worden betaald.

Die uitkeringen zijn trouwens per definitie bestemd om uitsluitend en volledig te worden gebruikt voor het levensonderhoud enz. van de kinderen en kunnen derhalve niet worden beschouwd als de opbrengst van een goed waarop het wettelijk genotsrecht zou kunnen worden uitgeoefend.

De onderhoudsuitkeringen die voor rekening van kinderen worden betaald, zijn derhalve nooit onderworpen aan het wettelijk genotsrecht van de vader en/of de moeder, en zijn bijgevolg steeds belastbaar op naam van de kinderen (zie ook Kamer, Vers.Com.Fin., zitting 1975-1976, Stuk 879/7, blz. 21).

D. BEEINDIGING VAN HET WETTELIJK GENOT

Nummer 126/25

Wanneer de ouders ophouden het wettelijk genot van de inkomsten van hun kinderen te hebben (vanaf hun meerderjarigheid - zie art. 488, BW, of vanaf hun ontvoogding - zie art. 476 en 486, BW), moet slechts het belastbare inkomen van die kinderen betreffende het gedeelte van het belastbare tijdperk waarin de ouders het wettelijk genot ervan hadden, met hun inkomsten worden samengevoegd.

Het belastbare inkomen van de kinderen betreffende het gedeelte van het belastbare tijdperk dat op de beëindiging van het wettelijk genot volgt, moet met een afzonderlijke aanslag op naam van ieder van de verkrijgers aan de belasting onderworpen worden.

VI. AANSLAG OP NAAM VAN BEIDE ECHTGENOTEN

Nummer 126/26

Art. 126, derde lid, WIB 92, bepaalt dat de aanslag steeds op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd. Het heeft daarbij geen belang dat slechts één van hen werkelijk belastbare inkomsten heeft verkregen.

Nummer 126/27

De in 126/26 vermelde regels zijn niet van toepassing voor het jaar van huwelijk, ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed (en voor de volgende jaren zolang er geen "verzoening" is ingetreden tussen de echtgenoten), voor de jaren volgend op het jaar van de feitelijke scheiding en wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 F (dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig art. 178, WIB 92 - zie 178/28 en 41) die bij overeenkomst zijn vrijgesteld zonder progressievoorbehoud.

In die gevallen wordt de aanslag afzonderlijk gevestigd op naam van elke echtgenoot (zie commentaar op art. 128, WIB 92).

Nummer 126/28

Wanneer de ouders fiscaal als "echtgenoten" worden aangemerkt ( zie 126/4, eerste lid), wordt de aanslag gevestigd op naam van de ouders en niet mede op naam van de kinderen.

Wanneer de ouders fiscaal als "alleenstaanden" worden aangemerkt (weduwen en weduwnaars, ouders die al of niet samenwonen, ouders die gescheiden, feitelijk gescheiden of gescheiden van tafel en bed zijn, gehuwde internationale ambtenaren die als alleenstaanden worden aangemerkt), moet de aanslag alleen worden gevestigd op naam van de ouder van wie de inkomsten moeten worden samengevoegd met (in voorkomend geval de helft van) de inkomsten van zijn kinderen, en niet mede op naam van de kinderen.

[Met ingang van het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voorzover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt.]