Commentaar van art. 127, WIB 92

Art. 127, WIB 92

I. WETTEKST

127/0

II. ALGEMEEN

127/1

III. HET STELSEL VAN DE AFZONDERING

127/2-5

IV. VASTSTELLING VAN HET AFGEZONDERD BEROEPSINKOMEN EN HET RESTERENDE GEZINSINKOMEN

127/6-17

A. Algemeen

127/6

B. In aanmerking te nemen beroepsinkomsten

127/7

C. Voorbeeld

127/8

D. Netto-inkomen van elke echtgenoot

127/9-12

E. Aftrekbare bestedingen

127/13-16

F. Aanslagbasissen

127/17

I. WETTEKST

Nummer 127/0

Art. 127. - Voor de berekening van de belasting wordt van het belastbare inkomen een deel afgezonderd dat overeenstemt met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het minst zulke inkomsten heeft en wordt op het aldus afgezonderde inkomen en op het resterende gezinsinkomen het met elk inkomensdeel overeenstemmende belastingtarief toegepast.

II. ALGEMEEN

Nummer 127/1

Art. 2, W 7.12.1988 (thans art. 127, WIB 92) heeft het belastingstelsel van echtgenoten radicaal gewijzigd doordat, althans wat de beroepsinkomsten betreft, een einde is gemaakt aan het principe van de samenvoeging van de inkomsten. Dat stelsel is sinds aj. 1990 van toepassing.

Voor het fiscale begrip "echtgenoten" wordt verwezen naar 126/4.

Uit art. 127, WIB 92, volgt dat voor de berekening van de belasting het belastbare inkomen moet worden gesplitst in twee delen, namelijk :

- de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het minst zulke inkomsten heeft (afgezonderd beroepsinkomen);

- het resterende gezinsinkomen.

Op het aldus afgezonderde inkomen en op het resterende gezinsinkomen wordt het met elk inkomensdeel overeenstemmende belastingtarief toegepast.

III. HET STELSEL VAN DE AFZONDERING

Nummer 127/2

Van zodra "echtgenoten" (zie 126/4) beroepsinkomsten hebben - zelfs al komen ze voort van de werkzaamheid van één echtgenoot - moeten er steeds twee belastbare grondslagen worden vastgesteld :

- de eerste wordt gevormd door de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen (afgezonderd beroepsinkomen);

- de tweede wordt gevormd door de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot en door de andere inkomsten (inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten) van het gezin (resterend gezinsinkomen).

Van die inkomsten kunnen nog de in art. 104, WIB 92, vermelde (gemeenschappelijke en personaliseerbare) bestedingen worden afgetrokken.

Nummer 127/3

Het gedeelte van het beroepsinkomen van een echtgenoot dat aan de andere echtgenoot is toegewezen - ofwel als meewerkinkomen, ofwel als huwelijksquotiënt (zie commentaar op de art. 86 en 87 tot 89, WIB 92) - wordt als een eigen beroepsinkomen beschouwd van degene die het ontvangt voor de toepassing van alle verdere regels die gelden inzake de vaststelling van de belastbare grondslagen en de berekening van de erop betrekking hebbende belasting (zoals b.v. de toepassing van de belastingverminderingen voor het lange termijnsparen en het bouwsparen).

Nummer 127/4

Onder beroepsinkomsten moeten worden verstaan alle in art. 23, § 1, WIB 92 vermelde inkomsten, namelijk :

- winst;

- baten;

- winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid;

- bezoldigingen;

- pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen.

Het stelsel van de afzondering is van toepassing ongeacht de categorie van beroepsinkomsten van de echtgenoten. Dat stelsel geldt dus ook voor pensioenen en voor vervangingsinkomsten.

Nummer 127/5

Het stelsel van de afzondering is van toepassing, ongeacht het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten.

IV. VASTSTELLING VAN HET AFGEZONDERD BEROEPSINKOMEN EN HET RESTERENDE GEZINSINKOMEN

A. ALGEMEEN

Nummer 127/6

Overeenkomstig art. 127, WIB 92, wordt de belasting afzonderlijk vastgesteld op grond van :

1° enerzijds, de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen;

2° anderzijds, de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot, gevoegd bij alle andere inkomsten van het gezin.

Uit de formulering van de art. 126 en 127, WIB 92, kunnen de volgende conclusies worden getrokken :

- de niet-samenvoeging van de inkomsten is onvolledig daar ze slechts van toepassing is op de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen;

- alle andere inkomsten (inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten) van het gezin worden samengeteld met de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen; dienaangaande is het zonder belang of die inkomsten gemeenschappelijke inkomsten van beide echtgenoten of eigen inkomsten van één van hen zijn;

- er worden in beginsel steeds twee belastbare basissen vastgesteld zodra echtgenoten beroepsinkomsten hebben, zelfs al komen die voort van de werkzaamheid van één van hen, en dit inzonderheid wegens het huwelijksquotiënt;

- de belasting wordt afzonderlijk berekend op elk van die basissen maar wordt niettemin als één enkele aanslag op naam van beide echtgenoten in het kohier gebracht.

B. IN AANMERKING TE NEMEN BEROEPSINKOMSTEN

Nummer 127/7

Na het huwelijksquotiënt in mindering te hebben gebracht van de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het heeft toegekend en na het als een eigen inkomen bij de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot te hebben gevoegd, moet vooreerst nog het eventuele saldo van de beroepsverliezen van die andere echtgenoot op dat huwelijksquotiënt worden aangerekend (zie 87/13 tot 19).

In laatste instantie moet het saldo van de beroepsverliezen, die een echtgenoot niet met zijn eigen inkomsten heeft kunnen compenseren, van de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot worden afgetrokken (toepassing van art. 129, WIB 92).

C. VOORBEELD

Nummer 127/8

Gezin waarin de man een vrij beroep uitoefent. Zijn vrouw helpt hem bij zijn werkzaamheid en exploiteert tevens een kleine handelszaak.

Gegevens :

Man :

Bruto-honoraria :2.200.000 F

Beroepskosten :1.050.000 F

Investeringsaftrek :150.000 F

Meewerkinkomen :100.000 F

Vorig verlies :200.000 F

Vrouw :

Brutowinst :700.000 F

Beroepskosten :400.000 F

Vrijgestelde bestanddelen :0 F

Vorig verlies :650.000 F

Vaststelling van het gezamenlijk belastbare beroepsinkomen :

Man Vrouw

Baten Winst Baten

Bruto-inkomsten : 2.200.000 F 700.000 F

Beroepskosten : - 1.050.000 F - 400.000 F

Verschil : 1.150.000 F 300.000 F

Investeringsaftrek : - 150.000 F 0 F

Verschil : 1.000.000 F 300.000 F

Vorig verlies (vrouw) : - - 300.000 F(2)

Verschil : 1.000.000 F 0 F

Meewerkinkomen : - 100.000 F 0 F 100.000 F

Verschil : 900.000 F 0 F 100.000 F

Vorige verliezen : - 200.000 F 0 F - 100.000 F(2)

Verschil : 700.000 F 0 F 0 F

Huwelijksquotiënt : - 110.000 F 110.000 F

Verschil : 590.000 F 0 F 110.000 F

Vorig verlies (vrouw) : - - 110.000 F

Verschil : 590.000 F 0 F 0 F

Toepassing van art. 129, WIB 92

(aanrekening van verliezen tussen echtgenoten) : - 140.000 F(1)

Verschil : 450.000 F

In aanmerking te nemen beroepsinkomsten :

- man : 450.000 F

- vrouw : 0 F

[(1) Vorig verlies van de vrouw : 650.000 F

Op de winst aangerekend : - 300.000 F

Op het meewerkinkomen aangerekend : - 100.000 F

Op het huwelijksquotiënt aangerekend : - 110.000 F

Saldo dat op de inkomsten van de man moet worden aangerekend : 140.000 F (2)

Vorig verlies van de vrouw : 650.000 F

Op haar winst aangerekend : - 300.000 F

Nog te compenseren verlies : 350.000 F

Gedeelte dat op het meewerkinkomen kan worden aangerekend : 100.000 F]

D. NETTO-INKOMEN VAN ELKE ECHTGENOOT

Nummer 127/9

Na voor elk van de echtgenoten het gezamenlijk belastbare beroepsinkomen te hebben vastgesteld overeenkomstig 127/7, moet het beroepsinkomen van de ene echtgenoot met dat van de andere echtgenoot worden vergeleken.

1e hypothese : de beroepsinkomsten van de ene echtgenoot zijn lager dan die van de andere echtgenoot

Nummer 127/10

In dit geval moeten de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen afzonderlijk in aanmerking worden genomen (verder "afgezonderd beroepsinkomen" genoemd). Wanneer de inkomsten van die echtgenoot volledig door beroepsverliezen zijn opgeslorpt, bestaat er uiteraard geen "afgezonderd beroepsinkomen" (zie voorbeeld in 127/8).

De gezamenlijk belastbare inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten van het gezin worden bij de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot gevoegd en vormen samen het "resterende gezinsinkomen".

2e hypothese : de beroepsinkomsten van de twee echtgenoten zijn gelijk

Nummer 127/11

Het geval dat de beroepsinkomsten van beide echtgenoten gelijk zijn kan niet a priori worden uitgesloten.

In dit geval wordt het beroepsinkomen van de vrouw als het "afgezonderd beroepsinkomen" beschouwd en geldt voor het overige het bepaalde in 127/10.

3e hypothese : er zijn geen beroepsinkomsten (of er zijn er geen meer)

Nummer 127/12

Indien geen van beide echtgenoten beroepsinkomsten heeft behaald of indien de beroepsinkomsten van beide echtgenoten volledig door beroepsverliezen zijn opgeslorpt, vormen de eventuele andere inkomsten van het gezin (inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende goederen en kapitalen en diverse inkomsten) - na aftrek van de in art. 104, WIB 92, bedoelde bestedingen - de enige belastbare basis waarop de belasting moet worden berekend.

E. AFTREKBARE BESTEDINGEN

1. Algemeen

Nummer 127/13

Om de twee belastbare basissen vast te stellen moeten nog de van het totale netto-inkomen aftrekbare (gemeenschappelijke en personaliseerbare bestedingen (cf. art. 104, WIB 92), in mindering worden gebracht van het totale netto-inkomen van elke echtgenoot.

De omslag tussen de echtgenoten van die bestedingen gebeurt overeenkomstig art. 105, WIB 92 (zie 104/356 tot 367).

2. Volgorde van de aftrekken

Nummer 127/14

Indien ten minste één van de echtgenoten geen beroepsinkomsten heeft (of er geen meer heeft), moeten alle bestedingen zonder meer in mindering gebracht worden van de enige basis, die bestaat uit :

- de eventuele beroepsinkomsten van de andere echtgenoot;

- en de inkomsten van onroerende goederen, de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en de diverse inkomsten van het gezin.

Indien beide echtgenoten beroepsinkomsten hebben, moeten eerst de gemeenschappelijke uitgaven evenredig worden aangerekend enerzijds op het "afgezonderd beroepsinkomen" en anderzijds op het "resterende gezinsinkomen".

Voorbeeld

Nummer 127/15

Afgezonderd beroepsinkomen : 800.000 F

Resterend gezinsinkomen : 1.600.000 F

Totaal : 2.400.000 F

Totaal van de gemeenschappelijke uitgaven : 360.000 F

Gedeelte dat wordt afgetrokken van :

- het afgezonderd beroepsinkomen : 360.000 F x 800.000/2.400.000 = 120.000 F

- het resterende gezinsinkomen : 360.000 F x 1.600.000/2.400.000 = 240.000 F

- totaal : 360.000 F

Nummer 127/16

Na de aftrek van de gemeenschappelijke uitgaven moeten de personaliseerbare uitgaven (de onderhoudsuitkeringen en kapitalen ter vervanging van zulke uitkeringen verschuldigd door één echtgenoot) in mindering worden gebracht.

Die uitgaven moeten in de eerste plaats worden afgetrokken van de basis die de beroepsinkomsten bevat van de echtgenoot die de bedoelde uitgaven verschuldigd is (waarbij het zonder belang is welke echtgenoot die uitgaven werkelijk heeft betaald).

Indien deze basis onbestaande is of onvoldoende is om die uitgaven af te trekken, mag het nog niet in mindering gebracht saldo van de andere basis worden afgetrokken.

F. AANSLAGBASISSEN

Nummer 127/17

Indien ten minste één van de echtgenoten geen beroepsinkomsten heeft (of er geen meer heeft), kunnen de (gemeenschappelijke en personaliseerbare) uitgaven slechts van de enige overblijvende basis worden afgetrokken (zie 127/16).

In de andere gevallen blijven er steeds twee aanslagbasissen over, behalve wanneer één van die basissen op nul wordt gebracht doordat de inkomsten die de basis vormen (na aftrek van de erop betrekking hebbende gemeenschappelijke uitgaven) lager zijn dan de nog af te trekken personaliseerbare uitgaven.