Commentaar van art. 128, WIB 92

Art. 128, WIB 92

I. WETTEKST

128/0

II. ALGEMEEN

128/1-3

III. JAAR VAN HUWELIJK, ONTBINDING VAN HET HUWELIJK EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

128/4-12

A. Beginsel

128/4

B. Bijzonderste gevolgen met betrekking tot de regeling van de belastingtoestand van echtgenoten voor het jaar van huwelijk, ontbinding van huwelijk of scheiding van tafel en bed

128/5-12

IV. FEITELIJKE SCHEIDING

128/13-47

A. Beginsel

128/13

B. Begrip "feitelijke scheiding"

128/14-25

C. Het bewijs van de feitelijke scheiding

128/26-41

D. Onderhoudsuitkeringen en feitelijke scheiding

128/42-44

E. Regeling van de belastingtoestand

128/45-46

F. Vestiging van de aanslag

128/47

V. INTERNATIONALE AMBTENAREN

128/48-51

A. Vrijgestelde inkomsten van internationale ambtenaren

128/48

B. Afwijking op het principe van de samenvoeging

128/49

C. Regeling van de belastingtoestand

128/50

D. Vestiging van de aanslag

128/51

I. WETTEKST

Nummer 128/0

Art. 128. - Voor de toepassing van deze afdeling en voor de berekening van de belasting worden gehuwde personen niet als echtgenoten maar als alleenstaanden aangemerkt :

1° voor het jaar van het huwelijk;

2° vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;

3° voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed;

4° wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 frank die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op de andere inkomsten van het gezin.

In deze gevallen worden twee afzonderlijke aanslagen gevestigd en wordt de belasting voor elke betrokkene bepaald naar zijn eigen inkomsten en die van zijn kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft.

II. ALGEMEEN

Nummer 128/1

In bepaalde gevallen worden getrouwde personen (hoewel wettelijk gehuwd) fiscaal niet als echtgenoten, maar als alleenstaanden aangemerkt voor de toepassing van de art. 126, 127 en 129, WIB 92 (aanslag van echtgenoten en hun kinderen) en de art. 130 tot 178, WIB 92 (berekening van de belasting), namelijk :

- voor het jaar van het huwelijk;

- vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voorzover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;

- voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk (door echtscheiding of door overlijden);

- voor het jaar van scheiding van tafel en bed (en voor de volgende jaren zolang er geen "verzoening" is ingetreden tussen de echtgenoten);

- wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 F (dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig art. 178, WIB 92 - zie 178/18 en 41) die bij overeenkomst zijn vrijgesteld zonder progressievoorbehoud (internationaal ambtenaar).

Nummer 128/2

In die vijf gevallen zijn derhalve art. 126, WIB 92 (samenvoeging van de andere inkomsten dan beroepsinkomsten met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft en vestiging van de aanslag op naam van beide echtgenoten) en art. 127, WIB 92 (afzondering van de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het minst zulke inkomsten heeft) niet van toepassing, d.w.z. dat de betrokkenen, ongeacht hun burgerlijke staat, als afzonderlijke fiscale entiteiten worden beschouwd, wat inhoudt dat :

- zij elk een aangifte in de PB moeten indienen;

- twee afzonderlijke aanslagen zullen worden gevestigd (één op ieders naam);

- de belasting voor elke betrokkene wordt bepaald rekening houdend met zijn eigen inkomsten en, in voorkomend geval met (het gedeelte van) de inkomsten van zijn kinderen waarvan hij/zij het wettelijk genot heeft.

Nummer 128/3

Gehuwde personen die voor een bepaald aanslagjaar als alleenstaanden worden beschouwd, kunnen in geen geval aanspraak hebben op de "belastingvoordelen" die aan echtgenoten worden toegekend. Hieruit volgt dat het wettelijk onmogelijk is aan de andere echtgenoot een gedeelte van de winst, baten of bezoldigingen van werkend vennoot toe te kennen of een huwelijksquotiënt toe te rekenen in het jaar van het huwelijk, in het jaar van de ontbinding van het huwelijk, in het jaar van de scheiding van tafel en bed (en de volgende jaren zolang er geen "verzoening" is ingetreden tussen de echtgenoten), voor de jaren volgend op het jaar van de feitelijke scheiding en aan de echtgenoot die internationaal ambtenaar is (en die beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 F - dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig art. 178, WIB 92 - zie 178/28 en 41 - die bij overeenkomst zijn vrijgesteld zonder progressievoorbehoud).

III. JAAR VAN HUWELIJK, ONTBINDING VAN HET HUWELIJK EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

A. BEGINSEL

Nummer 128/4

Voor het jaar van het huwelijk, van de ontbinding van het huwelijk (door het overlijden van een der echtgenoten of door echtscheiding) en van de scheiding van tafel en bed (en voor de volgende jaren zolang er geen "verzoening" is ingetreden tussen de echtgenoten), moeten de inkomsten van beide echtgenoten in een afzonderlijke aanslag worden opgenomen.

Uit art. 128, tweede lid, WIB 92, blijkt tevens dat voor het bewuste jaar de door iedere echtgenoot verschuldigde belasting wordt bepaald naar zijn eigen inkomsten (en, in voorkomend geval, het gedeelte van de inkomsten van zijn kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft - zie 126/12 tot 24).

Dit impliceert dat terzake geen rekening wordt gehouden met het bestaan van de andere echtgenoot; m.a.w. beide echtgenoten worden op belastinggebied als "alleenstaanden" beschouwd.

B. BIJZONDERSTE GEVOLGEN MET BETREKKING TOT DE REGELING VAN DE BELASTINGTOESTAND VAN ECHTGENOTEN VOOR HET JAAR VAN HUWELIJK, ONTBINDING VAN HUWELIJK OF SCHEIDING VAN TAFEL EN BED

1. Inkomsten van echtgenoten

Nummer 128/5

Elke echtgenoot wordt belast op de inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende goederen en kapitalen, beroepsinkomsten en diverse inkomsten die hij persoonlijk heeft verkregen.

Inkomsten van onroerende goederen en inkomsten van roerende goederen en kapitalen die deel uitmaken van het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten, worden geacht door elk van de echtgenoten voor de helft te zijn verkregen (althans wat het gedeelte van het jaar betreft gedurende hetwelk het gemeenschappelijk vermogen bestaat).

Voorbeeld

Een van de echtgenoten (man of vrouw) sterft op 25 september; na het overlijden verkrijgt de overlevende echtgenoot het volledige vruchtgebruik van de voorheen aan de beide echtgenoten toebehorende woning (geïndexeerd KI 60.000 F).

KI aan te geven op naam van de nalatenschap :

(60.000 F x 9/12) x 1/2 of 45.000 F x 1/2 = 22.500 F

KI aan te geven door de overlevende echtgenoot :

22.500 F voor de eerste negen maanden (zie vorig lid) + 15.000 F (nl. 60.000 F x 3/12) voor de maanden oktober tot december = 37.500 F (of nog 60.000 F - 22.500 F = 37.500 F).

2. Inkomsten van de kinderen waarvan de ouders het wettelijk genot hebben

Nummer 128/6

Wanneer minderjarige niet-ontvoogde kinderen tijdens het belastbare tijdperk inkomsten hebben verkregen waarvan beide ouders samen het wettelijk genot hebben, dan moeten hun inkomsten voor de helft worden samengevoegd met de inkomsten van elke ouder.

Ingeval het beheer van de goederen van de kinderen uitdrukkelijk wordt opgedragen aan één van beide ouders of ingeval van overlijden van één van de ouders, worden de inkomsten van minderjarige niet-ontvoogde kinderen - voor het gedeelte van het jaar dat voorafgaat aan de beslissing of het overlijden - voor de helft samengevoegd met de inkomsten van elke ouder.

Voorbeeld

Indien de woning in het voorbeeld in 128/5 het gehele jaar zou toebehoord hebben aan het minderjarige niet-ontvoogde kind van de betrokken echtgenoten, dan zou het KI ten belope van 22.500 F moeten samengevoegd worden met de inkomsten van de overledene (te belasten op naam van de nalatenschap) en ten belope van 37.500 F met de inkomsten van de overlevende ouder (tot aan het overlijden hebben beide ouders samen het wettelijk genot van die inkomsten; na het overlijden gaat het wettelijk genot over op de overlevende ouder - zie 126/13 tot 15).

3. Vestiging van de aanslag

a) Beginsel

Nummer 128/7

Voor het jaar van het huwelijk, van het overlijden van een echtgenoot, van de echtscheiding of van de scheiding van tafel en bed (en voor de volgende jaren zolang er geen "verzoening" is ingetreden tussen de echtgenoten), moeten de inkomsten van de man en van de vrouw in twee afzonderlijke aanslagen worden opgenomen.

De bepalingen van art. 126, WIB 92 (aanslag te vestigen op naam van beide echtgenoten - zie 126/26 en 27) zijn terzake dan ook niet van toepassing.

b) Jaar van huwelijk, echtscheiding of scheiding van tafel en bed

Nummer 128/8

Voor die jaren moeten twee aanslagen worden gevestigd, nl. :

- een aanslag op naam van de man, gevestigd op zijn persoonlijk verkregen inkomsten (128/5), in voorkomend geval verhoogd met het gedeelte van de inkomsten van de kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft (128/6, eerste lid);

- een aanslag op naam van de vrouw, gevestigd op haar persoonlijk verkregen inkomsten (128/5), in voorkomend geval verhoogd met het gedeelte van de inkomsten van de kinderen waarvan zij het wettelijk genot heeft (128/6, eerste lid).

Er wordt aan herinnerd dat de onderhoudsuitkeringen die voor rekening van de kinderen worden ontvangen STEEDS moeten worden belast op naam van de kinderen en nooit op naam van de ouder aan wie de uitkering voor het kind in feite wordt uitbetaald (zie ook 126/24).

c) Jaar van overlijden

Algemeen

Nummer 128/9

Voor het vestigen van aanslagen bij overlijden, moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de overleden echtgenoot tijdens zijn leven al dan niet beroepsinkomsten heeft verkregen (of zou kunnen verkregen hebben).

De overleden echtgenoot (man of vrouw) heeft tijdens zijn leven beroepsinkomsten verkregen

Nummer 128/10

In dit geval moeten voor het jaar van overlijden twee aanslagen worden gevestigd :

- een gewone aanslag, op naam van de nalatenschap, op de persoonlijke inkomsten van de overledene tot op de datum van zijn overlijden (128/5), in voorkomend geval verhoogd, eensdeels met het gedeelte van de inkomsten van de kinderen waarvan hij het wettelijk genot had (128/6, tweede en derde lid) en anderdeels, met de door de overledene verkregen inkomsten uit de vorige beroepswerkzaamheid die de nalatenschap heeft verkregen tijdens het gedeelte van het belastbare tijdperk dat op het overlijden volgt ; [De verkregen inkomsten van de overledene uit de vorige beroepswerkzaamheid, die de nalatenschap na het jaar van overlijden verkrijgt, moeten afzonderlijk op naam van de nalatenschap belast worden.]

- een gewone aanslag, op naam van de overlevende echtgenoot, op zijn persoonlijke inkomsten (128/5) verkregen tijdens het belastbare tijdperk, in voorkomend geval verhoogd met het gedeelte van de inkomsten van de kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft (128/6, tweede en derde lid).

De overleden echtgenoot (man of vrouw) heeft tijdens zijn leven geen beroepsinkomsten verkregen

Nummer 128/11

In dit geval moeten voor het jaar van overlijden eveneens twee aanslagen worden gevestigd :

- een bijzondere aanslag, op naam van de nalatenschap, op de persoonlijke inkomsten van de overledene tot op de datum van zijn overlijden, in voorkomend geval verhoogd met het gedeelte van de inkomsten van de kinderen waarvan hij het wettelijk genot had (die aanslag moet verbonden worden aan het aanslagjaar dat genoemd wordt naar het jaar van overlijden);

- een gewone aanslag op naam van de overlevende echtgenoot (zoals sub 128/10, tweede gedachtenstreep).

Beide echtgenoten overlijden tijdens hetzelfde jaar

Nummer 128/12

In dit geval moeten twee afzonderlijke aanslagen worden gevestigd, één op naam van elke nalatenschap.

Terzake gelden, naar gelang van het geval, de regels uiteengezet sub 128/10, eerste gedachtenstreep en/of sub 128/11, eerste gedachtenstreep.

IV. FEITELIJKE SCHEIDING

A. BEGINSEL

Nummer 128/13

Art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92, bepaalt dat gehuwde personen in geval van feitelijke scheiding niet als echtgenoten maar als alleenstaanden worden aangemerkt vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden en voorzover die feitelijke scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt.

B. BEGRIP "FEITELIJKE SCHEIDING"

1. Inleiding

Nummer 128/14

Het begrip "feitelijke scheiding" is in het WIB ingevoerd door art. 12, W 3.11.1976 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (V 1440, Bull. 547), maar wordt in art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92 (voorheen art. 75, § 1, 2°, WIB) niet gedefinieerd.

Gelet op de termen van de wet, de geest van de wet en de voorbereidende werken van de W 3.11.1976, moet worden aangenomen dat het fiscale begrip "feitelijke scheiding" doorgaans dezelfde betekenis heeft als het juridische begrip "feitelijke scheiding".

2. Het burgerrechtelijke begrip "feitelijke scheiding"

Nummer 128/15

Het begrip "feitelijke scheiding" is in het BW en het Ger.W ingevoegd door de wetten van 1.7.1974 betreffende de ouderlijke macht en de echtscheiding, maar wordt in het burgerlijk recht ook niet gedefinieerd. De rechtsleer geeft evenwel een omschrijving van dit begrip.

Nummer 128/16

Aldus wordt het juridische begrip "feitelijke scheiding" omschreven als volgt :

1° "Feitelijke scheiding" noemt men de toestand van gehuwden die afzonderlijk verblijven zonder gescheiden van tafel en bed te zijn; soms wordt er een tweede vereiste aan toegevoegd : nl. dat minstens één van de echtgenoten de wil heeft afzonderlijk te leven. Wat is afzonderlijk leven ? Men kan het omschrijven als een symptoom van een afgebroken levensgemeenschap.

Feitelijke scheiding is niet noodzakelijk een zuiver feitelijke toestand : ook als de rechter afzonderlijk wonen toestaat (of oplegt) staat men voor feitelijke scheiding, in die zin dat de wetsvoorschriften die naar die toestand verwijzen toepasselijk zijn (art. 223, BW, bij dringende voorlopige maatregelen en art. 1280, Ger.W, bij voorlopige maatregelen)

(J.M. Pauwels : Beginselen van personen- en familierecht - boekdeel 2 : relatierecht - blz. 77-82).

2° Volgens de meeste auteurs vereist de feitelijke scheiding een materieel element, namelijk het afzonderlijk wonen van de echtgenoten, en een intentioneel element, namelijk de wil in hoofde van één van beide echtgenoten om geen levensgemeenschap (meer) te vormen met zijn mede-echtgenoot.

Het eerste element, nl. het niet samenwonen van de echtgenoten, wordt meestal letterlijk opgevat: een fysische scheiding wordt vereist. Dit element van de definitie is evenwel voor nuancering vatbaar (echtgenoten die onder hetzelfde dak wonen, kunnen feitelijk gescheiden leven).

Het tweede bestanddeel van de definitie van het begrip feitelijke scheiding heeft betrekking op de oorzaak van het afzonderlijk wonen. Volgens de meeste auteurs verwijst het begrip feitelijke scheiding naar gewilde, vrijwillige scheiding van echtgenoten. Een intentioneel of psychologisch element wordt vereist, namelijk het zich willen onttrekken aan de samenwoning. Dit tweede element is voorhanden van zodra één van beide echtgenoten geen levensgemeenschap met zijn echtgenoot meer wil vormen.

De tijdelijke verwijdering ten gevolge van de beroepswerkzaamheid, ziekte, legerdienst, oorlog, verblijf in een gevangenis, ziekenhuis of gesticht voor geesteszieken en dergelijke omstandigheden meer, wordt door de meeste auteurs niet als een feitelijke scheiding beschouwd. Er is een onderscheid tussen de tijdelijke verwijdering en de feitelijke scheiding.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de éénzijdige en de minnelijke scheiding. De feitelijke scheiding is éénzijdig, wanneer ze ontstaat door het toedoen van één van beide echtgenoten : een echtgenoot wenst niet meer met zijn mede-echtgenoot samen te leven en verlaat hem, of dwingt hem te vertrekken. Het afzonderlijk leven wordt opgedrongen aan een echtgenoot. De conventionele of minnelijke scheiding duidt erop dat de scheiding minnelijk tot stand is gekomen of in stand wordt gehouden (C. De Busschere : De feitelijke scheiding der echtgenoten, blz. 24-26).

3° Een tijdelijke verwijdering, zelfs indien zij lang duurt, is geen geval van feitelijke scheiding; aldus het afzonderlijk wonen uit noodwendigheid : leger, ziekte, plaatsing in een krankzinnigengesticht, verblijf in een gevangenis, verblijf in buitenland voor werkomstandigheden, enz., tenzij de andere echtgenoot de samenwoning niet meer wenst en alle banden verbreekt (C. De Busschere : De feitelijke scheiding van echtgenoten en het notariaat, Rechtskundig Weekblad, 1975-1976, blz. 2612).

4° Een feitelijke scheiding kan zowel éénzijdig als conventioneel zijn. De éénzijdige feitelijke scheiding dient gedefinieerd te worden als de feitelijke scheiding die ontstaat en/of voortduurt door toedoen van één van beide echtgenoten.

Een conventionele feitelijke scheiding wordt gekarakteriseerd door het minnelijk tot stand komen en het minnelijk in stand houden of het minnelijk in stand houden alleen van de feitelijke scheiding (D. Cauwelier : De feitelijke scheiding en art. 223, BW - Rechtskundig Weekblad, 1980, blz. 155).

3. Het fiscale begrip "feitelijke scheiding"

a) Algemeen

Nummer 128/17

Rekening houdende met het feit dat het begrip "feitelijke scheiding" in art. 75, WIB (thans art. 128, WIB 92) voorkomt naast zuiver burgerrechtelijke begrippen als huwelijk, ontbinding van het huwelijk (door overlijden of echtscheiding) en scheiding van tafel en bed, met de samenhang van de feitelijke scheiding met de problematiek van de onderhoudsuitkeringen alsook met de termen van de wet, de geest van de wet en de voorbereidende parlementaire werkzaamheden van de W 3.11.1976, moet aan het fiscale begrip "feitelijke scheiding" in principe dezelfde betekenis worden gegeven als aan het burgerrechtelijke begrip "feitelijke scheiding" en kan het derhalve worden omschreven als een gewilde of vrijwillige verwijdering van de echtgenoten die een materieel element (het niet samenwonen en samenleven) en een intentioneel element (ten minste één van de echtgenoten heeft de wil afzonderlijk te leven) bevat.

Een tijdelijke verwijdering van de gezinswoning, zelfs al is zij van langere duur, is dus geen feitelijke scheiding in de zin van art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92.

b) Parlementaire bescheiden

Nummer 128/18

De bedoeling van de wetgever dat de feitelijke scheiding moet verstaan worden in de beperkte betekenis van verlating van de andere echtgenoot kan inzonderheid worden teruggevonden in de hiernavolgende uittreksels van de voorbereidende parlementaire werkzaamheden i.v.m. de W 3.11.1976 :

- "Op fiscaal gebied kan er inderdaad geen sprake van zijn de staat van feitelijke scheiding te miskennen en steeds maar voort te gaan met het aanslaan van de inkomsten van de echtgenoten ten name van het gezinshoofd wanneer die echtgenoten niet meer samen wonen zonder evenwel een procedure tot scheiding van tafel en bed of echtscheiding te hebben ingezet en zulks om de eenvoudige reden dat het niet is aangewezen - zij het langs een omweg (tot vervulling van de formaliteiten van de belastingaangifte) - de gescheiden echtgenoten te verplichten elkaar jaarlijks alle bestanddelen van hun persoonlijk inkomen mede te delen" (Kamer, zitting 1975-1976, Stuk 879/1, Memorie van Toelichting, blz. 14).

- "Van zodra men echter de gevallen van feitelijke scheiding uitdrukkelijk door wetteksten gaat regelen is er blijkbaar geen enkele reden meer om, in de gevallen waar de echtgenoten ophouden samen te wonen, nog langer een onderscheid te maken naargelang zij al dan niet een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed hebben ingezet" (Kamer, zitting 1975-1976, Stuk 879/1, Memorie van Toelichting, blz. 15).

- "Het is wel verstaan dat, zoals dit nu reeds het geval is, het ophouden van het samenwonen behoorlijk dient te worden bewezen om te vermijden dat de echtgenoten de gevolgen van de samenvoeging van hun inkomsten trachten te ontgaan door een feitelijke scheiding voor te wenden" (Kamer, zitting 1975-1976, Stuk 879/1, Memorie van Toelichting, blz. 15).

- "Het is de belastingplichtige die het bewijs moet leveren van de feitelijke scheiding. Deze wordt geacht te bestaan wanneer de vrouw werkelijk en permanent een andere woonplaats heeft dan haar echtgenoot; die toestand moet gecontroleerd worden d.m.v. de inschrijvingen in het bevolkingsregister of gewettigd worden door een van de gemeenteoverheid uitgaand attest" (Kamer, zitting 1975-1976, Stuk 879/7, Vers.Comm.Fin., blz. 24).

- "Hier wordt ook, om uitkomstloze betwistingen te voorkomen en de administratie niet voor de onmogelijke opgave te stellen de inkomsten samen te voegen van echtgenoten die sinds jaren gescheiden leven en niets meer met elkaar gemeen hebben, door de regering voorgesteld de administratieve praktijk te legaliseren" (Senaat, zitting 1976-1977, Stuk 925/2, Vers.Comm.Fin., blz. 8).

c) Rechtspraak

Nummer 128/19

I.v.m."feitelijke scheiding" werd o.m. gevonnist dat :

1° De belastingplichtige en zijn echtgenote zijn als feitelijk gescheiden te beschouwen in de zin van art. 75, § 1, 2°, WIB (thans art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92) vanaf het ogenblik dat de plicht tot samenwoning uit het art. 213, BW, al dan niet met toelating van de rechter, niet meer is nagekomen; het feit dat de echtgenote van de belastingplichtige door de rechter werd gemachtigd en zelfs bevolen afzonderlijk verblijf te houden en dat haar bepaalde uitkeringen vanwege de betrokkene werden toegekend bij rechtsmacht, doet geen afbreuk aan het feitelijk karakter van de navolgende scheiding; daarbij is er geen sprake van ontbinding van het huwelijk door een in rechte toegestane echtscheiding of van scheiding van tafel en bed uitgesproken door de rechtbank, zodat art. 75, § 1, 3°, WIB (thans art. 128, eerste lid, 3°, WIB 92) beslist geen toepassing vindt (Gent, 11.2.1983, H.G., Fiscale Jurisprudentie, 83/174);

2° Een feitelijke scheiding wordt geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en permanent, d.i. op duurzame wijze hun verplichting tot samenwonen, voorgeschreven door art. 213, BW, niet meer nakomen en aldus een verschillende woonplaats hebben, en wanneer deze toestand blijkt uit de inschrijving in het bevolkingsregister of uit een van de gemeentelijke overheden uitgaand attest. Een feitelijke scheiding is een toestand waarin de echtgenoten niet meer samenleven en samenwonen, en minstens één van hen heeft besloten een andere woonplaats te kiezen, en geen levensgemeenschap meer te vormen(Antwerpen, 19.11.1991, M.T., Fiscale Jurisprudentie, 92/32).

3° Een feitelijke scheiding is een toestand waarin de echtgenoot niet meer werkelijk en voortdurend hun verplichting tot samenwonen, bepaald in art. 213, BW, nakomen en aldus een verschillende woonplaats hebben. Van een feitelijk scheiding kan geen sprake zijn indien de belastingplichtige, hoewel ingeschreven in een andere gemeente, een permanente bijstand verleent in de thuisverzorging van zijn echtgenote (Antwerpen, 17.9.1996, M.H., Fiscale Jurisprudentie 96/199).

4. Breuk in het gezinsleven

Nummer 128/20

Hoewel er geen sprake is van een feitelijke scheiding in de beperkte betekenis van het woord, worden sommige omstandigheden waarin echtgenoten afzonderlijk leven (b.v. definitieve opname van één der echtgenoten in een verzorgingsinstelling of krankzinnigengesticht) gelijkgesteld met een feitelijke scheiding. Wanneer de door de gezondheidstoestand van één der echtgenoten veroorzaakte breuk in het gezinsleven duurzaam, zo niet onomkeerbaar is, mag worden aangenomen dat het geen tijdelijke afwezigheid van die echtgenoot uit de gemeenschappelijke gezinswoning betreft, doch wel een toestand die met een feitelijke scheiding kan worden gelijkgesteld (zie terzake ook 104/16, PV nrs. 41 en 42, 26.7.1995, Volksv. Olaerts, Bull. 756, blz. 76 en 78 en PV nr. 121, 19.10.1995, Volksv. Vandeurzen, Bull. 758, blz. 513).

5. Kenmerken van de feitelijke scheiding

Nummer 128/21

Er is sprake van feitelijke scheiding wanneer de echtgenoten hun verplichting tot samenwonen niet meer nakomen.

Terzake is het op fiscaal gebied echter zonder belang :

- dat het een éénzijdige of een minnelijke feitelijke scheiding betreft;

- dat het een zuivere feitelijke toestand (met of zonder tussenkomst van de rechterlijke macht) is of dat er een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is ingespannen.

6. Tijdelijke verwijdering

a) Algemeen

Nummer 128/22

Een tijdelijke verwijdering uit de gezinswoning, zelfs wanneer zij langere tijd duurt, en het gevolg is van toeval of noodwendigheid, is geen feitelijke scheiding in de zin van art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92.

Het afzonderlijk wonen van de echtgenoten ingevolge het tijdelijke verblijf van één van hen in een ziekenhuis, een krankzinnigengesticht, een gevangenis, het leger, in het buitenland door werkomstandigheden enz. is derhalve geen toestand van feitelijke scheiding (zie evenwel 128/20), tenzij de andere echtgenoot de samenwoning niet meer wenst en alle banden verbreekt.

b) Bijzonder geval : verblijf van één der echtgenoten in het buitenland

Nummer 128/23

De tijdelijke verwijdering uit de gezinswoning van één van de echtgenoten die het gevolg is van zijn vertrek naar het buitenland om er tijdelijk een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, mag normalerwijs niet als een feitelijke scheiding van de echtgenoten worden aangemerkt.

De huwelijks- en gezinsbanden blijven immers bestaan. Daarbij moet het begrip "gezin" in zijn gewone betekenis worden verstaan en wijst het op een feitelijke toestand die gekenmerkt wordt door een huiselijk samenleven en -wonen, zonder tijdelijke onderbrekingen uit te sluiten (Cass., 5.5.1977, De Preter, Bull. 573, blz. 751).

Het is uiteraard mogelijk dat het vertrek naar het buitenland van één der echtgenoten samengaat met een daadwerkelijke feitelijke scheiding van de echtgenoten (breuk in het gezinsleven). Die breuk moet dan door de betrokkene worden aangetoond.

Nummer 128/24

Inzonderheid wanneer het centrum van het gezinsleven en van de andere vitale betrekkingen (de plaats waar de betrokkene zijn vrouw en zijn kinderen, zijn huisdieren, meubels en wagen heeft, waar hij lid is van verenigingen, enz.) in België gevestigd blijft, en wanneer de betrokkene regelmatig naar zijn gezin terugkeert b.v. voor vakantie (zie Luik, 18.6.1986, P.J., Fiscale Jurisprudentie, 87/94) moet worden besloten dat het verblijf in het buitenland slechts van tijdelijke aard is en geen feitelijke scheiding van de echtgenoten meebrengt (zie terzake ook 3/48 tot 89).

c) Rechtspraak

Nummer 128/25

1° Het onderzoek naar de feiten en omstandigheden heeft uitgewezen dat de belastingplichtige, die weliswaar gedurende een korte periode was ingeschreven in de bevolkingsregisters van een Nederlandse gemeente, het centrum van zijn levensbelangen in België heeft behouden en in werkelijkheid niet gescheiden leefde van zijn echtgenote; derhalve heeft de administratie terecht gesteld dat hij zijn fiscale woonplaats in België heeft behouden, waaruit volgt dat hij als rijksinwoner diende te worden belast op al zijn inkomsten en dat de onderhoudsgelden die beweerdelijk aan de echtgenote werden betaald niet aftrekbaar zijn omdat de genietster deel uitmaakte van het gezin (Gent, 12.9.1989, D.R., Bull. 699, blz. 3052).

2° De omstandigheid dat er een grote afstand is tussen de gezinsverblijfplaats (in België) en de plaats waar één van de echtgenoten een voltijdse dienstbetrekking vervult en over een tweede verblijf beschikt (in Duitsland) heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat een feitelijke scheiding ontstaat. Een aan de werkomstandigheden aangepaste vorm van huiselijk samenleven en -wonen, zelfs met tijdelijke, al dan niet regelmatige onderbrekingen, sluit het blijven bestaan van een gezinsverband niet uit (Antwerpen, 25.9.1990, B.P.-B.M., niet gepubliceerd).

C. HET BEWIJS VAN DE FEITELIJKE SCHEIDING

1. Algemeen

Nummer 128/26

De feitelijke scheiding in de zin van art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92, is een toestand waarin de echtgenoten werkelijk en permanent, d.i. op duurzame wijze, hun verplichting tot samenwonen, voorgeschreven door art. 213, BW, niet meer nakomen en aldus een verschillende woonplaats hebben.

Terzake moet onder woonplaats worden verstaan de daadwerkelijke belastingwoonplaats (zie 3/2 tot 15), die al dan niet overeenstemt met de administratieve woonplaats blijkend uit de inschrijving in het bevolkingsregister van een bepaalde gemeente.

2. Bewijslast

Nummer 128/27

Het ophouden van het samenwonen moet behoorlijk worden bewezen om te vermijden dat de echtgenoten de gevolgen van de samenvoeging van hun inkomsten trachten te ontgaan door een feitelijke scheiding voor te wenden (Kamer, zitting 1975-1976, Stuk 879/1, blz. 15).

De bewijslast van de feitelijke scheiding rust op de belastingplichtige (toepassing van het principe "actori incumbit probatio").

Terzake moet hij bewijzen :

- de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding;

- de werkelijkheid van de feitelijke scheiding;

- het duurzaam en het ononderbroken karakter van de feitelijke scheiding (de feitelijke scheiding moet immers voortgeduurd hebben gedurende het volledige belastbaar tijdperk).

3. Bewijsvoering

a) Bewijsmiddelen

Nummer 128/28

Het bewijs van de feitelijke scheiding en van de duurzaamheid ervan kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed.

In de praktijk zal het bewijs van de feitelijke scheiding meestal voortvloeien uit een geheel van feiten die voldoende ernstig, precies en overeenstemmend zijn om een bewijskrachtig vermoeden te vormen van de werkelijke en duurzame afzonderlijke woonplaats.

b) Rangorde van de bewijsmiddelen

Inschrijving in de bevolkingsregisters/Attest van de gemeenteoverheid

Nummer 128/29

De feitelijke scheiding wordt geacht te bestaan wanneer de vrouw werkelijk en permanent een andere woonplaats heeft dan haar echtgenoot; die toestand moet gecontroleerd worden door middel van de inschrijvingen in het bevolkingsregister of gewettigd worden door een van de gemeenteoverheid uitgaand attest (Kamer, zitting 1975-1976, Stuk 879/7, Vers.Comm.Fin., blz. 24).

Het bewijs van een wezenlijke, niet voorgewende scheiding kan dus in principe worden geleverd door middel van de inschrijvingen in het bevolkingregister of door een attest van de gemeenteoverheid.

Dit belet evenwel niet dat de administratie door vermoedens het bewijs kan bijbrengen dat deze inschrijvingen niet aan de werkelijkheid beantwoorden, m.a.w. gefingeerd zijn (zie 128/32 tot 38).

Andere bewijsmiddelen

Nummer 128/30

De belastingplichtige heeft steeds de mogelijkheid aan te tonen dat de datum waarop de werkelijke feitelijke scheiding is voorgekomen voorafgaat aan de datum van de daadwerkelijke afzonderlijke inschrijvingen in de bevolkingsregisters.

Nummer 128/31

In dit verband is gevonnist :

1° De inschrijving in het bevolkingsregister is niet het enige middel om een feitelijke scheiding aan te tonen. Deze scheiding kan ook worden aangetoond door de briefwisseling tussen de echtgenote en haar advocaat, door de datum van het verzoekschrift dat werd ingediend bij de vrederechter om voorlopige maatregelen te treffen, alsook door de betaling van onderhoudsgeld vóór de inschrijving van de echtgenote in een andere gemeente (Brussel, 12.3.1985, J.L.M., Bull. 647, blz. 316).

2° Uit geen enkele wettekst blijkt dat de belastingplichtige slechts aanspraak kan maken op de toepassing van art. 75, § 1, 2°, WIB (thans art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92)vanaf de datum van de uitschrijving. Hij kan integendeel door meerdere elementen, waaronder de inschrijving in het bevolkingsregister, bewijzen dat hij niet meer samenwoont met de echtgenoot en moet de gevolgen van een vertraagde uitschrijving niet dragen. In casu toonde de belastingplichtige genoegzaam de realiteit van de afzonderlijke woonst van de echtgenoten aan door de betaling van de huisvuilbelasting, de aanvraag tot uitschrijving, de bekentenis van de echtgenote en de verklaring van de buren (Brussel, 5.6.1990, H.J.C., Bull. 717, blz. 1589);

c) Beoordeling door de administratie van de werkelijkheid van de feitelijke scheiding

Algemeen

Nummer 128/32

De door de belastingplichtige aangevoerde feitelijke scheiding moet een werkelijke feitelijke scheiding betreffen.

Terzake mag de administratie met alle middelen van het gemeen recht aantonen dat de feitelijke scheiding niet aan de realiteit beantwoordt.

De administratie mag alle feitelijke gegevens die door de belastingplichtige worden verstrekt om de feitelijke scheiding aan te tonen, alsmede de door haar verzamelde feitelijke elementen beoordelen en tegen elkaar afwegen.

Toestand blijkend uit de bevolkingsregisters

Nummer 128/33

De administratie mag de voorkeur geven aan de toestand van de echtgenoten zoals die blijkt uit de inschrijving in de bevolkingsregisters, wanneer de andere feitelijke gegevens een geringe(re) bewijskracht hebben.

Nummer 128/34

Aldus is gevonnist :

1° De voorwaarden van art. 75, WIB (thans art. 128, WIB 92) zijn niet vervuld wanneer de belastingplichtige het bewijs niet levert dat de feitelijke scheiding heeft voortgeduurd gedurende het volledige jaar (in casu 1976) en niet aantoont dat de scheiding op 11.11.1975 is aangevangen. Uit zijn belastingaangifte voor aj. 1977 is "nov. 1976" als datum van feitelijke scheiding vermeld en volgens de bevolkingsregisters van de stad Bergen is de adreswijziging slechts op 3.2.1976 overgeschreven, waaruit volgt dat voor het jaar 1976 de feitelijke scheiding minder dan 1 jaar bedroeg (Brussel, 4.11.1986, Algemeen Fiscaal Tijdschrift, maart 1988, blz. 82).

2° Het fiscaal recht wijkt bij de beoordeling van de elementen van de feitelijke scheiding niet af van het gemeen recht; derhalve is de administratie gerechtigd de gegevens geput uit de bevolkingsregisters te verkiezen boven die welke door de partijen ter beslechting van het geschil worden voorgelegd (uit de bevolkingsregisters bleek dat de feitelijke scheiding een jaar later plaatsvond dan de belastingplichtigen beweerden). Al wie met een hoofdverblijfplaats in het bevolkingregister van een gemeente is ingeschreven, wordt geacht daar zijn woonplaats te hebben en moet derhalve alle risico's dragen die verbonden zijn aan een inschrijving die niet aan een daadwerkelijk verblijf beantwoordt (Brussel, 25.11.1988, J.W., Algemeen Fiscaal Tijdschrift, april 1989, blz. 130).

3° Bij de beoordeling van de voor de vestiging van de belasting relevante gezinstoestand, dient de administratie rekening te houden met de door de belastingplichtige verstrekte gegevens, welke ze mag toetsen aan objectief verifieerbare elementen, zoals de inschrijving in de bevolkingsregisters voor wat betreft de woonplaats van de belastingplichtige. Het is de belastingplichtige toegelaten het tegenbewijs te leveren, doch bij falen dient hij de risico's te dragen die verbonden zijn aan een inschrijving in de bevolkingsregisters die niet aan een daadwerkelijk verblijf beantwoordt. De belastingplichtige bewijst niet dat de inschrijving in de bevolkingsregisters niet aan de werkelijkheid beantwoordt en bewijst niet dat de feitelijke scheiding vóór 1982 plaatsvond; derhalve werden de inkomsten van de echtgenoten voor het aj. 1983 terecht samengevoegd (Brussel, 24.1.1989, L.W., Bull. 694, blz. 1429).

4° De neergelegde stukken, zijnde verklaringen van de ex-echtgenote, familieleden en bekenden van de belastingplichtige, opgesteld jaren na de beweerde feitelijke scheiding, kunnen niet opwegen tegen een officieel stuk uitgaande van het gemeentebestuur waaruit blijkt dat de belastingplichtige slechts in de maand december 1983 en niet in december 1982 is verhuisd (Gent, 3.3.1992, Duerinckx G., niet gepubliceerd).

5° Om toepassing te bekomen van art. 75, § 1, 2°, WIB (thans art. 128, eerste lid, 2°, WIB 92) moet de belastingplichtige bewijzen dat de feitelijke scheiding tussen haar en haar echtgenoot plaatsgreep in 1986, zijnde het jaar dat aan het belastbare tijdperk voorafging. De feitelijke scheiding wijst op een werkelijke en duurzame toestand waarin echtgenoten elkaar in feite ontheffen van een aantal wederzijdse rechten en verplichtingen, inzonderheid samenwoonst en bijstand. Dergelijke toestand kan blijken uit een geheel van handelingen en feiten die bewijsbaar zijn. De tijdens de bezwaarprocedure neergelegde stukken leveren geenszins dit bewijs daar deze slechts gegevens aanhalen betreffende het jaar 1987. De thans meegedeelde stukken houden evenmin dit bewijs in. De verzoekschriften houdende echtscheiding evenals de dagvaardingen tonen evenmin ten gronde aan dat de echtgenoot het echtelijk dak heeft verlaten in 1986. Met de loutere vermelding van dit gebeuren in de verzoekschriften kan geen rekening worden gehouden nu dit niet wordt gestaafd door bewijskrachtige elementen. De eigenhandig geschreven verklaringen van bepaalde getuigen brengen evenmin het bewijs aan van de feitelijke scheiding in 1986. Dat de ex-echtgenoot verschillende malen naar een woning is gegaan te ... bewijst niet dat de echtgenoten werkelijk en permanent woonden op een verschillende woonplaats. Ook de vermelding in het bevelschrift van de kortgedingenrechter dat "verweerder de echtelijke woning heeft verlaten in 1986" is niet dienstig daar uit de lezing kan worden afgeleid dat daaromtrent alleen werd gesteund op de verklaring van de belastingplichtige zelf (zonder voorlegging van bewijsstukken). De administratie is derhalve terecht uitgegaan van het uittreksel uit het bevolkingsregister, zijnde het enig objectief gegeven waaruit blijkt dat de ex-echtgenoot zich op een ander adres heeft laten inschrijven in 1987. Hieruit blijkt voldoende dat de echtgenoten pas in 1987 feitelijk gescheiden leefden (Gent, 25.1.1996, M.R., niet gepubliceerd).

Beoordeling van een geheel van feitelijke gegevens

Nummer 128/35

Wanneer de echtgenoten volgens de gegevens van de bevolkingsregisters nog samenwonen, maar toch een feitelijke scheiding aanvoeren, moet de werkelijkheid (of de simulatie) van de beweerde feitelijke scheiding blijken uit een geheel van feitelijke gegevens die in de eerste plaats door de administratie worden beoordeeld.

Uit de rechtspraak blijkt dat die feitelijke gegevens van de meest uiteenlopende aard kunnen zijn.

Nummer 128/36

Terzake is gevonnist :

1° De belastingplichtige toont niet aan dat hij en zijn echtgenote in 1974 en 1975 feitelijk gescheiden leefden; eerst en vooral zijn de echtgenoten S.-V.W. in hun woonplaats te Lovendegem ingeschreven gebleven en daarvan wordt geen afbreuk gedaan door de overgelegde verklaringen en getuigschriften. Het feit dat de belastingplichtige regelmatig verbleef te Sint-Martens-Latem, op een goed dat zijn echtgenote van wijlen ... had geërfd, en dat hij aldaar zijn atelier had ingericht, betekent beslist niet dat hij feitelijk gescheiden leefde van zijn echtgenote, die verklaard heeft dat zij wekelijks haar echtgenoot bezocht en hem hielp met de verkoop van schilderijen; derhalve kan van een tweede verblijf van de echtgenoten worden gesproken. Er blijkt geenszins dat de echtgenoten S.-V.W. hun wettelijke plicht tot samenleving niet zouden hebben nagekomen, zodat er geen sprake is van een feitelijke scheiding (Gent, 24.6.1983, S.A., Fiscale Jurisprudentie, 84/25).

2° De inkomsten van de echtgenoten werden terecht samengevoegd voor het aj. 1979, daar is gebleken dat de feitelijke scheiding slechts plaats greep in de loop van 1978 :

- de belastingplichtige zelf vermeldde in de door hem ingevulde en ondertekende aangifte in de PB voor aj. 1979 : "feitelijk gescheiden sinds 1978";

- de belastingplichtige zelf schreef in een brief van 31.12.1980 aan de ontvanger der belastingen te Turnhout : "U weet ... dat mijn echtgenote mij reeds in 1978 verlaten heeft";

- in conclusies, die namens de belastingplichtige in een echtscheidingsprocedure werden neergelegd, werd vermeld dat de echtgenote van de belastingplichtige de echtelijke woonst sinds 1.8.1978 verliet;

- de door de belastingplichtige bijgebrachte verklaring van de veldwachter werd pas in 1981 opgesteld; uit deze verklaring blijkt bovendien niet of de veldwachter de verlating van de echtelijke woonst persoonlijk vaststelde; deze verklaring weegt in het geheel niet op tegen de hogervermelde stukken die van de belastingplichtige zelf uitgaan (Antwerpen, 18.12.1984, L.H., Bull. 657, blz. 70).

3° De volgende elementen maken met elkaar overeenstemmende, gewichtige en bepaalde vermoedens uit waaruit blijkt dat er nog geen feitelijke scheiding bestond op 1.1.1976 :

- de verklaring van de belastingplichtige zelf in zijn aangifte dat de datum van feitelijke scheiding 30.4.1976 was;

- een tweede verzoekschrift tot echtscheiding neergelegd op 29.4.1976 wat uitwijst dat er een verzoening was geweest na neerlegging van een eerste verzoekschrift op 23.10.1975;

- het feit dat de belastingplichtige zelf zijn echtgenote kwalificeerde als medewerkende echtgenote, wat eveneens wijst op een verzoening tussen partijen (Brussel, 24.9.1985, R.L., Fiscale Jurisprudentie, 86/217).

4° De echtgenoten, die een schijn van samenleven hebben willen ophouden omwille van sociale overwegingen, hebben niet op voldoende wijze aangetoond dat de feitelijke scheiding gedurende alle betrokken belastbare tijdperken werkelijk en ononderbroken was. Dit blijkt uit de volgende feiten :

- de belastingplichtige heeft voor aj. 1981 en 1983 een aangifte in de PB onderschreven die in vak I "burgerlijke staat, beroep en gezinsleden ten laste" vermeldde dat hij gehuwd was en dat hij zijn vrouw en zijn twee dochters, geboren in 1961 en 1962, als andere gezinsleden ten laste had; het vak "feitelijk gescheiden sinds ..." werd door hem niet ingevuld;

- uit de omstandigheid dat de echtgenote bepaalde fakturen betaalde kan niet worden afgeleid dat deze alleen leefde of volledig gescheiden van haar echtgenoot en dat de scheiding tussen de echtgenoten duurzaam was; de echtgenote genoot inderdaad niet te verwaarlozen bezoldigingen en aangezien de echtgenoot de huur betaalde was het normaal dat de echtgenote ook bijdroeg in de huwelijkslasten (opgemerkt wordt dat bepaalde fakturen steeds gericht waren tot de echtgenoot en geadresseerd op het adres waar de echtgenote beweerdelijk alleen verbleef);

- gezien het sociaal statuut van de belastingplichtigen (de één gedelegeerd bestuurder en de ander hoofd publiciteit), lijkt het onwaarschijnlijk dat de echtgenoten niet wisten dat een feitelijke scheiding de opheffing van de samenvoeging van de inkomsten van de echtgenoten tot gevolg had, vraagstuk dat gehuwden in geval van onmin bijzonder interesseerde;

- door de verplichtingen en kosten m.b.t. een ander verblijf ten zijne laste te nemen heeft de echtgenoot de behoeften kunnen voldoen van de persoon die er permanent verbleef en heeft zich tegelijkertijd een tweede verblijf aangeschaft (Brussel, 13.3.1990, T.A. en D.P., Bull. 711, blz. 2929).

5° De belastingplichtige toont niet aan dat de feitelijke scheiding tot stand is gekomen op 1.7.1983. Uit het door de administratie gevoerde onderzoek staat vast dat de belastingplichtige in de bevolkingsregisters te Z. werd ingeschreven op 27.9.1984. Het huren van een andere woning alsook het betalen van de gas- en elektriciteitsrekeningen m.b.t. deze woning leveren niet het bewijs dat er een werkelijke en permanente scheiding tussen de echtgenoten bestaat, en evenmin dat in werkelijkheid beiden een afzonderlijke woonplaats hebben. Het gebruik van de nutsvoorzieningen was miniem, de echtgenote beschikte tot in juni 1984 over een onbeperkte volmacht op de bankrekening van de belastingplichtige ter financiering van de huishoudelijke uitgaven en uit de door belastingplichtige overgelegde opgave van gedane uitgaven blijkt dat al deze uitgaven kosten zijn, gemaakt voor het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, die werden gefinancierd door middel van de bestaande financiële volmacht.

Op grond van die vaststellingen heeft de administratie terecht gesteld dat - ondanks de bestaande echtelijke moeilijkheden - het gezins- en samenlevingsverband tussen de echtgenoten B.-A. niet verbroken was, zodat dan ook de reële feitelijke scheiding op datum van 1.7.1983 niet is aangetoond (Antwerpen, 31.3.1992, R.A., Bull. 727, blz. 1246).

6° De belastingplichtige komt op tegen de samenvoeging van de inkomsten, aanvoerende dat zijn echtgenote sedert 30.10.1981 feitelijk gescheiden leeft op het adres te B. ... . Uit de gegevens van het administratief dossier moet worden aangenomen dat ten deze een fictieve toestand werd geschapen om te doen aannemen dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden; de feitelijke scheiding wordt evenwel tegengesproken o.m. door de schriftelijke verklaring van 29.2.1984 van de politiecommissaris te D., waarin wordt gesteld dat de echtgenoten O.-A. te D. een gezin vormden. Ook door hun eigen gemeenschappelijke aangifte van belastingen voor het aj. 1982 wordt weerlegd dat de belastingplichtige en zijn echtgenote sedert 30.10.1981 feitelijk gescheiden leefden vermits zij op 27.4.1982 voor het invullen van de burgerlijke stand op 1.1.1982 een kruisje hebben geplaatst in het vakje "gehuwd" en niet in het vakje "feitelijk gescheiden". Het feit dat de echtgenote van de belastingplichtige sedert 11.12.1982 zou zijn ingeschreven op een adres in B. is niet van aard om de voorgaande elementen te ontkrachten en de feitelijke scheiding tussen de echtgenoten aan te tonen (Gent, 16.6.1992, O.G., niet gepubliceerd).

Weerlegging van de afzonderlijke inschrijving in de bevolkingsregisters

Nummer 128/37

De afzonderlijke inschrijving in de bevolkingsregisters is slechts één van de appreciatiegegevens om na te gaan of er al dan niet een daadwerkelijke feitelijke scheiding tussen de echtgenoten bestaat. Die inschrijving geldt slechts als bewijs wanneer de feitelijke omstandigheden aantonen dat de echtgenoten onbetwistbaar niet meer samen leefden gedurende het volledige belastbare tijdperk.

De administratie heeft immers het recht aan te tonen dat de voorgewende toestand niet aan de realiteit beantwoordt. De afzonderlijke inschrijving in de bevolkingsregisters kan aldus worden weerlegd door een geheel van feiten die samen zwaarder wegen dan die afzonderlijke inschrijving.

Nummer 128/38

Er is gevonnist:

1° Uit de voorgebrachte stukken en uit de vaststellingen van de administratie blijkt ten genoege van recht dat de echtgenoten in werkelijkheid nog één gezin vormden in 1982, ondanks een afzonderlijke inschrijving in de bevolkingsregisters. Zo werd vastgesteld dat :

- de briefwisseling die aan de man werd toegestuurd op het adres van zijn echtgenote door hemzelf werd ontvangen;

- hij aldaar telefonisch bereikbaar was;

- de elektriciteits- en telefoonaansluiting op het adres van de echtgenote op naam stonden van haar man;

- deze laatste slechts in 1986 een telefoonaansluiting nam op zijn officieel adres;

- beide echtgenoten op 7.10.1981 een lening afsloten om verbouwingswerken uit te voeren aan de officiële woonplaats van de echtgenote;

- deze lening werd terugbetaald via een gemeenschappelijke rekening.

- De verklaringen van de politiecommissaris en van een wijkagent bevestigen dat beide echtgenoten nog samenwoonden in 1982. Het feit dat de belastingplichtige op 8.7.1986 effectief uit de echt gescheiden is bewijst niet dat de echtgenoten sinds 18.2.1981 feitelijk gescheiden leefden (Gent, 14.2.1989, V.D., Bull. 690, blz. 141).

2° De hiernavolgende omstandigheden, alsmede de tegenstrijdigheden en leemten in de verklaringen van belastingplichtigen tasten de geloofwaardigheid aan van hun verklaring feitelijk gescheiden te zijn van in 1977, hetgeen volgens hen zou bewezen worden door de afzonderlijke inschrijving van de echtgenote op 28.3.1977 :

- het bewijs van de inschrijving van mevr. N. te Etterbeek beantwoordt niet aan de werkelijkheid, daar werd vastgesteld dat op het aangeduide adres geen woonruimte beschikbaar was hetgeen door de betrokkene niet helemaal wordt ontkend, vermits zij zich genoodzaakt zag zich afwisselend elders te vestigen;

- de belastingplichtige vermeldde in zijn aangifte over het aj. 1977 dat hij gehuwd was en dat hij zijn echtgenote ten laste had;

- de belastingplichtigen kochten gezamenlijk in 1978 een appartement en in 1981 een villa.

Derhalve dient te worden vastgesteld dat het bewijs van de feitelijke scheiding niet geleverd is, zodat de inkomsten van de echtgenoten terecht werden samengevoegd voor het aj. 1978 (Antwerpen, 10.12.1990, C.-N., de nalatenschap, niet gepubliceerd).

3° De feitelijke scheiding wordt slechts geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en duurzaam een verschillende woonplaats hebben. In principe voldoet de belastingplichtige aan de op hem rustende bewijslast wanneer hij een inschrijving in de bevolkingsregisters in een verschillende woonplaats gedurende het ganse belastbare tijdperk voorlegt. De administratie heeft zich terecht op een geheel van feiten gesteund om te aanvaarden dat het door de eruit afgeleide overeenstemmende vermoedens bewezen is dat voor de betwiste aanslagjaren de feitelijke scheiding was gesimuleerd.

In casu waren die feiten :

- het afsluiten door een echtgenoot van een levensverzekering op naam van de echtgenote in het kader van een hypothecaire lening dienend voor een gezamenlijk aangekocht pand;

- het samenwerken in een groepspraktijk en de gezamenlijke aankoop van een woonhuis met twee andere dokters;

- het laten terugbellen door patiënten naar het telefoonnummer van de woning waar zijn echtgenote woont;

- de geboorte van 2 kinderen na de beweerde scheiding (Brussel, 19.3.1991, R.B., Bull. 721, blz. 2957).

4° De volgende materiële vaststellingen wijzen er op dat de belastingplichtigen in werkelijkheid nog samenwoonden in H., ondanks hun afzonderlijke inschrijving in de bevolkingsregisters :

- de berichten van wijziging van 5.2.1981 en 23.2.1981 werden door de postdiensten besteld; bij latere aangetekende zendingen door de postdiensten werd nooit medegedeeld dat de man aldaar niet kon worden aangetroffen;

- de wijkagenten en de geburen bevestigen dat de man meestal te H. verblijft en dat het huis te K. vaak gesloten stond en bij controle bewoond was door vakantiegangers;

- de belastingplichtigen staan nog steeds samen in de telefoongids vermeld;

- de man heeft geweigerd inzage te verlenen van de rekeningen van gas, electriciteit en water voor de woning te K. waaruit had kunnen blijken of er een daadwerkelijke bewoning was;

- hij heeft tevens geweigerd het inschrijvingsboekje van de mutualiteit voor te leggen waaruit eveneens zou kunnen blijken of de betrokkenen als feitelijk gescheiden gekend staan;

Al deze materiële gegevens ontkrachten de inschrijving van de man in de bevolkingsregisters te K. (Gent, 24.9.1992, F.E. en V.A., niet gepubliceerd).

5° De belastingplichtigen stellen dat zij feitelijk gescheiden leven sedert de datum van hun huwelijk en steunen zich o.a. op de afzonderlijke inschrijving van beide echtgenoten in het bevolkingsregister.

Uit het geheel van de feitelijke gegevens (namelijk dat de betrokken echtgenoten gerechtelijk geen enkele machtiging hebben gevraagd om afzonderlijk te mogen wonen; dat uit hun huwelijk twee kinderen geboren zijn die de betrokken echtgenoot tot vader hebben en waarbij hij telkens zelf de geboorteaangifte heeft gedaan; dat beide kinderen, hoewel ze als ten laste worden opgegeven in de belastingaangifte van de echtgenote, nog ingeschreven staan als rechthebbende op de lidkaart van de mutualiteit van de echtgenoot; dat beide echtgenoten een gemeenschappelijke giro- en spaarrekening bezitten waarbij ze gemachtigd zijn alleen over deze rekening te beschikken en dat deze rekeningen worden gebruikt om allerhande betalingen uit te voeren; dat de briefwisseling van het Gemeentekrediet gericht werd aan beide echtgenoten op hetzelfde adres en dat op de fiche 281.10 opgemaakt door de werkgever van de echtgenoot rekening is gehouden met twee kinderen ten laste), volgt echter dat de betrokken echtgenoten niet bewijzen dat ze permanent feitelijk gescheiden leefden of dat het centrum van hun levensbelangen zich niet meer op dezelfde plaats zou bevinden. Het feit dat zij weliswaar de facto een afzonderlijke inschrijving in het bevolkingsregister hebben genomen, ontkracht geenszins de stelling van de administratie dat de ingeroepen feitelijke scheiding een geveinsd karakter heeft (Antwerpen, 27.6.1994, L.B., Fiscale Jurisprudentie, 95/34).

6° De feitelijke scheiding kan blijken uit het daadwerkelijk afzonderlijk verblijf van de echtgenoten en het ontbreken van een gemeenschappelijke of echtelijke verblijfplaats. Het feit dat de echtgenoten elk een afzonderlijke woonplaats hebben in de zin van art. 102 e.v., BW, is terzake niet determinerend en het is de werkelijkheid die telt.

Uit de stukken blijkt dat de belastingplichtige werkelijk en duurzaam woonachtig was bij zin echtgenote, zodat de inkomsten van beide echtgenoten terecht werden samengevoegd en de alimentatierechten verworpen (Brussel, 6.10.1994, N.G., niet gepubliceerd).

7° Een feitelijke scheiding wordt geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en permanent, dit is op duurzame wijze, hun verplichting tot samenwoning, voorgeschreven door art. 213, BW, niet meer nakomen en aldus een verschillende woonplaats hebben en wanneer deze toestand blijkt uit een inschrijving in het bevolkingsregister of uit een van de gemeentelijke overheden uitgaand attest. De inkomsten van de echtgenoten moeten worden samengevoegd, vermits in casu de navolgende gegevens van feitelijke scheiding en vermogensrechtelijke aard aantonen dat de voorgehouden feitelijke scheiding volkomen fictief is:

- gegevens van feitelijke aard:

  • de vermelding van beide echtgenoten op de brievenbus en de bel van de woonplaats van de echtgenote, gelegen aan de K.straat;
  • het boeken van een reis in Mexico voor een congres in Mexico, gecombineerd met een archeologische rondreis voor de periode 25 februari tot 31 mei 1978;
  • het geven van een volmacht door de echtgenote van de belastingplichtige inzake de belastingen op 26.10.1983;
  • bovendien blijkt dat postzendingen van de betrokkene naar het adres van de zogezegde afzonderlijke woonst van de echtgenote van de belastingplichtige werd gezonden, gelegen aan de K.straat. Dit was o.m. het geval met een zending boekjes "Formulieren model G" van 1977 die op 27 juli 1977 werden besteld aan het adres K.straat.

- gegevens van vermogensrechtelijke aard:

  • het afsluiten van een tijdelijke verzekering met afnemend kapitaal waarbij de echtgenote als begunstigde wordt aangewezen, ruim 11 maanden nadat de feitelijke scheiding zou ingegaan zijn;
  • het afsluiten van een levensverzekering op 28 september 1979 bij R., met een looptijd van 35 jaar waarbij de echtgenote van de belastingplichtige als begunstigde wordt aangewezen;
  • de benoeming tot gedelegeerd bestuurder van de echtgenote met zeer ruime bevoegdheid in de op 31 augustus 1978 opgerichte vennootschap NV M. (Antwerpen, 24.4.1995, M.W., Fiscale Jurisprudentie, 95/155).

8° Alhoewel de belastingplichtige effectief gedomicilieerd was op een ander adres dan zijn echtgenote, blijkt uit een geheel van andere elementen voldoende dat de feitelijke scheiding tussen de echtgenoten geveinsd was :

- in het gezin werd op 31 december 1989 een derde kindje geboren, genaamd E.E., zijnde de naam van de belastingplichtige, hetgeen wijst op een goede verstandhouding tussen de echtgenoten voor de geboorte.

Het is totaal ongeloofwaardig dat de gezinshereniging pas na de geboorte zou plaatsgevonden hebben;

- beide echtgenoten kochten samen in 1984 een villa te D. zoals blijkt uit de niet gedateerde kopie van een aankoopakte verleden door de notarissen V.C. en C. In die akte verklaren beide verzoekers samen te wonen te S. en maken derhalve helemaal geen gewag van hun "officiële" en gescheiden domicilies. Beide echtgenoten werden bij de aankoop vertegenwoordigd door de vader van de belastingplichtige, wat in geval van onenigheid in het huwelijk toch uiterst onwaarschijnlijk zou zijn;

- de loonfiches 281.10 voor het jaar 1985 op naam van beider verzoekers afgeleverd door de VZW I. vermelden de volgende gezinstoestand: 1 echtgenote en 2 kinderen ten laste;

- de betrokkene deed slechts op 18 mei 1990 aangifte van adresverandering bij het gemeentebestuur te A., nadat de administratie inlichtingen had ingewonnen betreffende het al dan niet geveinsde karakter van de feitelijke scheiding, terwijl de voorgewende "verzoening" tussen echtgenoten reeds begin 1990 zou plaatsgevonden hebben;

- de facturen voor isolatiewerken aan de woning waren aanvankelijk gericht aan beide echtgenoten met vermelding van de naam E., en slechts na een tussenkomst van de fiscale raadgever van de belastingplichtigen werden duplicaten van de facturen opgesteld op naam van Mevrouw G.;

- de uittreksels van de voorafbetalingen voor de aanslagjaren 1984 tot 1989 vermelden beide echtgenoten (Brussel, 30.5.1996, E.E. en G.G., niet gepubliceerd).

9° De belastingplichtigen melden in hun respectieve aangiften in de PB dat zij feitelijk gescheiden zijn sinds november 1983 en houden staande dat die toestand heeft voortgeduurd tot september 1990.

De afzonderlijke inschrijving in de bevolkingsregisters en de verklaringen uit de werkkring van de man volgens welke hij daadwerkelijk in H. woonde, worden echter door de administratie weerlegd door een geheel van feiten die samen zwaarder wegen dan de door de belastingplichtige aangehaalde gegevens, nl.:

- de geboorte van een dochtertje tijdens de beweerde feitelijke scheiding;

- het opnieuw verblijven van de echtgenote tijdens de betwiste aanslagjaren in het appartement dat de belastingplichtigen vóór de vermeende feitelijke scheiding samen bewoonden en waarvan de huur nooit was opgezegd;

- het blijven regelen van zijn financiën door de man via de bankkantoren van T. ondanks de beweerde verhuis naar H.;

- het feit dat beide echtgenoten op 27.3.1986 de lening voor de aankoop van het appartement te T. onderschreven en dat de echtgenote de begunstigde was van de door de man op 4.4.1986 aangegane en op 4.4.1989 gewijzigde levensverzekering.

Die feiten maken met elkaar overeenstemmende gewichtige en bepaalde vermoedens uit, waaruit blijkt dat tussen de echtgenoten geen feitelijke scheiding bestond (Antwerpen, 2.9.1997, R.T. en V.D., niet-gepubliceerd).

d) Particulariteiten

Nummer 128/39

1° De beschikking van de vrederechter die, op verzoek van één van de echtgenoten, ofwel het zware verzuim van de samenwoningsplicht van de andere echtgenoot vaststelt en dringende en voorlopige maatregelen beveelt inzake de persoon en de goederen van de echtgenoten en de kinderen (art. 223, BW) of beslist over een aanvraag tot onderhoudsgeld of loondelegatie (art. 221, BW) kan een belangrijke aanwijzing zijn voor het vaststellen van de datum van de feitelijke scheiding. De scheidingsdatum kan normaliter worden geacht terug te gaan tot de datum van het indienen van het verzoek (zie Gent, 11.2.1983, H.G., Fiscale Jurisprudentie, 83/174).

Evenwel kan het gezag van gewijsde van de beschikking van de vrederechter op grond van art. 223, BW - onverminderd het feit dat de beschikking slechts een relatief karakter heeft - niet tot bewijs van de feitelijke scheiding dienen, wanneer die beschikking geen uitsluitsel geeft over het bestaan van de feitelijke scheiding (Luik, 18.9.1991, F.F., Fiscale Jurisprudentie, 92/07).

2° A fortiori kan een feitelijke scheiding worden vastgesteld door een echtscheidingsvonnis dat toegestaan werd op grond van een feitelijke scheiding van meer dan 5 jaar (Luik, 13.3.1985, L.F., Fiscale Jurisprudentie, 85/130).

3° De omstandigheid dat over de feitelijke scheiding geen rechterlijke beslissing is getroffen en dat de ene echtgenoot geregeld kortstondig verbleef in de stad waar de andere echtgenoot woonachtig is, dat jaarlijks het bedrag werd vastgesteld van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen, tonen niet genoegzaam aan dat het in casu gaat om een fictieve feitelijke scheiding (Antwerpen, 19.11.1991, M.T., Fiscale Jurisprudentie, 92/32).

4° Een scheiding van goederen die tussen echtgenoten heeft plaatsgevonden ten gevolge van een vonnis, is niet voldoende om aan te tonen dat er tussen hen een feitelijke scheiding bestaat welke het mogelijk maakt hen als alleenstaanden te belasten (Brussel, 22.1.1991, M.L., Fiscale Jurisprudentie, 91/60).

5° Gehuwden van wie de materiële gegevens uitwijzen dat ze samenwonen, hebben normaal ook het inzicht samen een gezin te vormen.

Het feit in éénzelfde gebouw te beschikken over afzonderlijke en geïsoleerde kamers, zelfs zonder rechtstreekse verbinding, voldoet niet aan de voorwaarde van afzonderlijke woonplaats, wanneer inzonderheid blijkt dat de voor de belastingplichtige bestemde kamers uitsluitend voor de uitoefening van zijn vrij beroep dienden, terwijl de vleugel die beweerdelijk alleen door zijn echtgenote betrokken werd, slechts bestaat uit kamers die bestemd en ingericht zijn voor bewoning door het gezin, zoals de keuken, de slaapkamer en de woonkamer (Brussel, 7.4.1987, Journal de Droit Fiscal, 1988, blz. 15).

De belastingplichtige beweren over twee woonplaatsen te beschikken, die daadwerkelijk en voortdurend van elkaar afgescheiden zijn, alhoewel ze zich in hetzelfde onroerend goed bevinden. Aangezien ze aldus een feitelijke scheiding inroepen en bijgevolg willen afwijken van de wettelijke regel van samenvoeging van de inkomsten, moeten ze de echtheid van de feitelijke scheiding aantonen. Het feit dat elk van de echtgenoten de riool- en huisvuilbelasting betaalt, wil nog niet zeggen dat die dubbele betaling gerechtvaardigd was en dat de gemeente twee afzonderlijke heffingen kon verrichten. Zo ook is het feit dat elk van beiden ingeschreven is in de bevolkingsregisters als "alleenstaande" of "gezinshoofd" verder zonder belang, want ze hebben geen uitleg omtrent de voor het bekomen van die inschrijvingen ingeroepen motieven. De administratie daarentegen legt concrete, ernstige en overeenstemmende aanwijzingen voor, uitgaande van het kadaster, de maatschappijen voor water- en elektriciteitsverdeling, van de gemeentelijke administratie en van de RTT. Het hof besluit hieruit dat het bewijs van de feitelijke scheiding niet is geleverd (Luik, 23.2.1996, M.N. en P.L., niet gepubliceerd).

e) Onderzoeksmacht van de administratie

Nummer 128/40

De inzameling door de administratie van gegevens die betrekking hebben op een (voorgewende) feitelijke scheiding van de echtgenoten, zal zich noodzakelijk uitstrekken tot gegevens die behoren tot het privé-leven.

Terzake wordt erop gewezen dat de administratie, om de juiste heffing van de belasting te verzekeren, kan eisen dat alle inlichtingen worden verstrekt, zelfs indien ze betrekking hebben op het privé-leven van de belastingplichtige; de art. 228 en 229, WIB(thans de art. 322 en 323, WIB 92)zijn als dusdanig niet in strijd met art. 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat inderdaad zegt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven en gezinsleven, maar in zijn tweede lid bepaalt dat er inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan m.b.t. de uitoefening van dit recht, wanneer die inmenging bij de wet is voorzien en in een democratisch land nodig is o.m. in het belang van het economisch welzijn van het land (Cass., 19.11.1981, Hardy-Spirlet Leon, Bull. 613, blz. 154).

Nummer 128/41

De administratie moet zich evenwel beperken tot het onderzoek of de voorgehouden feitelijke scheiding een reëel karakter vertoont, zonder zich daarbij te mengen in de persoonlijke verhoudingen tussen de echtgenoten en zonder uitoefening van enige controle omtrent de wettelijkheid van deze scheiding, daar dit een opdracht is die uitsluitend toekomt aan de rechter (Antwerpen, 19.11.1991, M.T., Fiscale Jurisprudentie, 92/32).

D. ONDERHOUDSUITKERINGEN EN FEITELIJKE SCHEIDING

Nummer 128/42

De onderhoudsuitkeringen die een der echtgenoten betaalt aan de andere van wie hij feitelijk gescheiden leeft zijn enerzijds in principe voor 80 % aftrekbaar van het totale netto-inkomen van de schuldenaar op grond van art. 104, 1° en 2°, WIB 92, voorzover de in die wetsbepaling gestelde voorwaarden vervuld zijn (zie 104/6 tot 41) en anderzijds voor 80 % belastbaar op naam van de gerechtigde overeenkomstig art. 90, 3° en 4°, WIB 92 (zie 90/17 tot 25.1).

Nummer 128/43

Voor de aftrek van de onderhoudsuitkeringen is inzonderheid vereist dat de uitkeringen worden betaald ter uitvoering van een verplichting ingevolge de limitatief in art. 104, 1°, WIB 92, vermelde artikelen van het Burgerlijk Wetboek of van het Gerechtelijk Wetboek. Wat feitelijk gescheiden echtgenoten betreft zijn de volgende artikelen van het BW of van het Ger.W van toepassing (zie ook 104/6) :

1° wanneer er geen geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is ingespannen :

- zonder tussenkomst van de rechterlijke macht (zuiver feitelijke toestand, waarbij het zonder belang is dat de feitelijke scheiding éénzijdig of minnelijk is) : art. 213, BW;

- bij tussenkomst van de rechterlijke macht : art. 221 en 223, BW.

2° wanneer er een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is ingespannen :

- echtscheiding op grond van bepaalde feiten, met inbegrip van de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan vijf jaar: art. 1258, 1271 en 1280, Ger.W;

- echtscheiding door onderlinge toestemming : art. 1288, Ger.W;

- scheiding van tafel en bed : art. 1306 en 1288, Ger.W.

Nummer 128/44

De onderhoudsuitkeringen die door één der echtgenoten zijn betaald aan de andere echtgenoot tijdens het jaar van de feitelijke scheiding zijn echter ipso facto uitgesloten van aftrek van het totale netto-inkomen (zie 104/18 en 19) vermits de inkomsten van de echtgenoten (althans de andere inkomsten dan beroepsinkomsten) nog worden samengevoegd voor het jaar van de feitelijke scheiding (zie 128/46).

E. REGELING VAN DE BELASTINGTOESTAND

Nummer 128/45

Voor de jaren volgend op het jaar van de feitelijke scheiding en voorzover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt, wordt elke echtgenoot belast op zijn persoonlijk verkregen inkomsten, in voorkomend geval verhoogd met het gedeelte van de inkomsten van de kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft, en dit volgens de regels die van toepassing zijn voor alleenstaande belastingplichtigen.

Opmerking

Nummer 128/46

Voor het jaar van de feitelijke scheiding worden de andere inkomsten dan de beroepsinkomsten van beide echtgenoten samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meeste zulke inkomsten heeft, wordt de belasting berekend volgens de regels die voor echtgenoten gelden, en wordt de aanslag op naam van beide echtgenoten gevestigd (zie ook 126/11).

F. VESTIGING VAN DE AANSLAG

Nummer 128/47

Voor de jaren volgend op het jaar van de feitelijk scheiding moeten twee afzonderlijke aanslagen worden gevestigd, nl. één op naam van elke echtgenoot.

Terzake gelden de beginselen uiteengezet in 128/8.

V. INTERNATIONALE AMBTENAREN

A. VRIJGESTELDE INKOMSTEN VAN INTERNATIONALE AMBTENAREN

Nummer 128/48

De bezoldigingen van de ambtenaren van in België gevestigde internationale organisaties zijn, ingevolge verdragen waarbij België verdragsluitende partij is, in het algemeen vrijgesteld van Belgische belasting (zie terzake 4/17 tot 28, 227/23 tot 33 en 230/20 tot 23).

Wanneer die internationale overeenkomsten niet anders bepalen, worden de vrijgestelde inkomsten van de ambtenaren van die internationale organisaties niet in aanmerking genomen voor de berekening van de belasting op de andere inkomsten (vrijstelling zonder progressievoorbehoud). Dit is o.m. het geval van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen - thans Europese Unie (cf. Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 16.12.1960, Humblet, Bull. 373, blz. 418 - zie ook 155/4).

De in de art. 126 tot 129, WIB 92, bepaalde regels inzake de aanslag van echtgenoten en hun kinderen zijn in principe eveneens van toepassing op gehuwde belastingplichtigen die rijksinwoners zijn (en dus aan de PB onderworpen zijn) wanneer één van hen ambtenaar is van een in België gevestigde internationale organisatie en beroepsinkomsten verkrijgt die in België vrijgesteld zijn zonder progressievoorbehoud, maar die dus niet geniet van de exceptie van fiscale woonplaats - zie 4/24.

Art. 128, eerste lid, 4°, WIB 92, bepaalt evenwel uitdrukkelijk dat gehuwde personen niet als echtgenoten worden beschouwd wanneer één van hen beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 F (dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig art. 178, WIB 92 - zie 178/28 en 41) die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op de andere inkomsten van het gezin (dus m.a.w. vrijgesteld zijn zonder progressievoorbehoud).

B. AFWIJKING OP HET PRINCIPE VAN DE SAMENVOEGING

Nummer 128/49

Art. 128, eerste lid, 4°, WIB 92, vormt een afwijking van het in art. 126, WIB 92, vastgestelde principe van de samenvoeging van de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van beide echtgenoten.

Wanneer in een gezin één echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 F (dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig art. 178, WIB 92 - zie 178/28 en 41) die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op de andere gezinsinkomsten (m.a.w. vrijgesteld zijn zonder progressievoorbehoud), worden de gehuwden fiscaal niet als echtgenoten, maar wel als alleenstaanden beschouwd.

In de praktijk betreft het hier inzonderheid gehuwden - die beiden rijksinwoner zijn - en van wie één van hen ambtenaar is bij de Europese Gemeenschappen (thans Europese Unie).

Dit betekent inzonderheid dat :

- twee afzonderlijke aanslagen worden gevestigd;

- de belasting voor elke betrokkene wordt bepaald naar zijn eigen inkomsten en, in voorkomend geval, het gedeelt van de inkomsten van zijn kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft;

- de ene gehuwde aan de andere (wiens inkomsten zijn vrijgesteld zonder progressievoorbehoud) geen meewerkinkomen (art. 86, WIB 92) kan toekennen en geen huwelijksquotiënt (art. 87, WIB 92) kan toerekenen.

C. REGELING VAN DE BELASTINGTOESTAND

Nummer 128/50

Wanneer één van de "gehuwden" waarvan sprake hierboven tijdens het belastbare tijdperk meer dan 270.000 F (dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig art. 178, WIB 92 - zie 178/28 en 41) beroepsinkomsten heeft verkregen die bij overeenkomst zijn vrijgesteld zonder progressievoorbehoud, worden twee afzonderlijke aanslagen gevestigd.

De belasting wordt voor elke "gehuwde" bepaald op grond van zijn eigen inkomsten en het gedeelte van de inkomsten van zijn kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft.

Inkomsten van onroerende goederen en inkomsten van roerende goederen en kapitalen die deel uitmaken van het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten, worden geacht door elk van de "gehuwden" voor de helft te zijn verkregen.

Indien minderjarige niet-ontvoogde kinderen van de betrokkenen tijdens het belastbare tijdperk inkomsten hebben verkregen waarvan beide ouders samen het wettelijk genot hebben, moeten die inkomsten voor de helft met de inkomsten van elke ouder worden samengevoegd.

D. VESTIGING VAN DE AANSLAG

Nummer 128/51

Voor het betrokken belastbare tijdperk moeten twee afzonderlijke aanslagen worden gevestigd, nl. één op naam van elke "gehuwde".