Commentaar van art. 220, WIB 92

TITEL IV - RECHTSPERSONENBELASTING

HOOFDSTUK I - Aan de belasting onderworpen rechtspersonen

Art. 220, WIB 92

I. WETTEKST

220/0

II. ALGEMEEN

220/1

III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN

220/2

I. WETTEKST

Nummer 220/0

Art. 220. - Aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen :

1° de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de intercommunale openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare kerkelijke instellingen;

2° de rechtspersonen die ingevolge artikel 180, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen;

3° de rechtspersonen die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, of ingevolge artikel 181 en 182, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

II. ALGEMEEN

Nummer 220/1

Om aan de RPB onderworpen te zijn is in de eerste plaats vereist dat de betrokken belastingplichtigen :

- hun fiscale woonplaats in België hebben;

- rechtspersoonlijkheid bezitten

(zie commentaar op art. 2, § 2 en 179, WIB 92).

Verenigingen, enz. zonder rechtspersoonlijkheid kunnen derhalve niet aan de RPB worden onderworpen. Voor het belastingstelsel waaraan dergelijke verenigingen, enz. onderworpen zijn, wordt verwezen naar de commentaar op art. 179 en 317, WIB 92.

III. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN

Nummer 220/2

Voor de toepassing van de RPB worden de eraan onderworpen belastingplichtigen in drie groepen ingedeeld :

1° een eerste groep wordt gevormd door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de OCMW, de intercommunale OCMW en de openbare kerkelijke instellingen.

Openbare kerkelijke instellingen zijn besturen die belast zijn met het beheer van het tijdelijke van de verschillende erediensten. Het betreft terzake openbare instellingen die beheerst zijn door :

- de W 14.3.1804 (groot-seminarie);

- het D 18.2.1809 (hospitaalcongregaties);

- het D 30.12.1809 (kerkfabrieken);

- het D 6.11.1813 (groot-seminarie en kapittel van de kathedraal);

- de W 4.3.1870 (op het tijdelijke van de erediensten : rooms-katholieke, protestantse, anglicaanse, Israëlitische, islamitische en orthodoxe godsdiensten).

2° de tweede groep bestaat uit de rechtspersonen die ingevolge art. 180, WIB 92 niet aan de Ven.B zijn onderworpen, met name de onvoorwaardelijk uit de Ven.B gesloten vennootschappen (zie commentaar op art. 180, WIB 92).

3° de derde groep tenslotte bevat :

- de rechtspersonen die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden (voor de betekenis van de begrippen "een onderneming exploiteren of zich met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden" wordt verwezen naar de commentaar op art. 2, § 2 en 179, WIB 92) ;

- de rechtspersonen die uit de Ven.B worden gesloten ingevolge art. 181 en 182, WIB 92, met name :

- de verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven, die uitsluitend of hoofdzakelijk op bepaalde bevoorrechte gebieden werkzaam zijn (zie commentaar op art. 181, WIB 92);

- de verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven, die zich beperken tot bepaalde toegelaten verrichtingen (zie commentaar op art. 182, WIB 92).

Voor de bespreking van enkele concrete gevallen wordt eveneens verwezen naar de commentaar op art. 180, WIB 92.