Commentaar van art. 225, WIB 92
HOOFDSTUK III - Berekening van de belasting
Art. 225, WIB 92
| 225/0 | |
| 225/0 | |
| 225/1 | |
| 225/2-7 | |
| 225/2 | |
| 225/3 | |
| 225/4 | |
| 225/5 | |
| 225/6 | |
| 225/7 | |
| 225/8-11 |
Met het oog op een rationele indeling van de te behandelen stof, worden de bepalingen van art. 225 en 226, WIB 92, samen besproken.
Wat de aanvullende crisisbijdrage van 3 opcentiemen op de RPB betreft, wordt verwezen naar de commentaar op art. 463bis, WIB 92.
Nummer 225/0
Art. 225. - De belasting met betrekking tot in artikel 221 vermelde inkomsten is gelijk aan de onroerende en roerende voorheffing.
De belasting wordt berekend :
1° tegen het tarief van 20 pct. op inkomsten vermeld in artikel 222, 1° tot 3°;
2° tegen het tarief van 33 pct. of van 16,5 pct. op in artikel 222, 4°, vermelde meerwaarden, volgens het onderscheid in artikel 171, 1°, b, en 4°, d;
3° tegen het tarief van 16,5 pct. op in artikel 222, 5°, vermelde meerwaarden;
4° tegen het tarief van 200 pct. op niet verantwoorde kosten vermeld in artikel 223, 1°;
5° tegen het tarief van 39 pct. op in artikel 223, 2°, vermelde bijdragen, pensioenen, renten en toelagen;
6° tegen het tarief van 15 pct. op in artikel 224 vermelde dividenden.
Art. 226. - De belasting op de dividenden vermeld in artikel 224, wordt vermeerderd zoals bepaald in artikel 218, ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen als vermeld in dat artikel zijn gedaan.
Nummer 225/1
Wat de in 221/1 bedoelde inkomsten van onroerende en roerende goederen en diverse inkomsten betreft, is de belasting gelijk aan de OV en de RV en hoeft in verband hiermede, onder voorbehoud van het bepaalde in het 2e lid hierna, geen belasting te worden ingekohierd. Die inkomsten worden dus geacht hun definitief belastingstelsel te hebben ondergaan, zelfs indien ze met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van voorheffingen zijn geïnd.
Inzonderheid met betrekking tot de roerende inkomsten en de aan de RV onderworpen diverse inkomsten die de hier bedoelde belastingplichtigen hebben verkregen, zal erop gelet moeten worden dat die inkomsten een juiste heffing van de RV hebben ondergaan. Ter zake mag niet uit het oog worden verloren dat die belastingplichtigen in bepaalde gevallen (zie commentaar op art. 262, WIB 92) zelf de RV verschuldigd zijn. Dit is inzonderheid het geval wat betreft de diverse inkomsten van roerende aard uit (zie 221/1) :
- de onderverhuring of de overdracht van huur van in België of in het buitenland gelegen al dan niet gemeubileerde onroerende goederen;
- de concessie van het recht om in België of in het buitenland een plaats die van nature onroerend is en die niet gelegen is binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen;
- de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrechten.
Zulks is eveneens het geval voor :
- inkomsten van roerende goederen en kapitalen en loten van effecten van leningen van Belgische oorsprong die vanaf 1.7.1993 zonder inhouding of storting van RV werden toegekend of betaalbaar gesteld;
- inkomsten van roerende goederen en kapitalen of loten van effecten van leningen van buitenlandse oorsprong die zonder bemiddeling van een in België gevestigde tussenpersoon rechtstreeks in het buitenland werden verkregen;
- inkomsten uit de verhuring van stofferende huisraad in gemeubileerde woningen, kamers of appartementen;
- inkomsten van roerende goederen en kapitalen en loten van effecten van leningen die op grond van een onjuiste verklaring aan de schuldenaar van de inkomsten, onrechtmatig met vrijstelling van RV zijn verkregen;
- inkomsten van vastrentende effecten van buitenlandse oorsprong die werden verkregen ingevolge de vervreemding van die effecten vóór de vervaldag van de inkomsten.
Wanneer die belastingplichtigen hun verplichtingen ter zake niet nakomen, wordt de RV zo nodig op hun naam ingekohierd.
Er moet bovendien worden onderzocht of dezelfde belastingplichtigen hun verplichtingen inzake BV en RV uit hoofde van aan derden betaalde bezoldigingen, interesten, enz. hebben nagekomen.
De afzonderlijke aanslagen worden gevestigd volgens het hiernavolgende onderscheid.
Nummer 225/2
De aanslag op de in 221/7 bedoelde en niet vrijgestelde onroerende inkomsten wordt gevestigd tegen het eenvormige tarief van 20 %.
B. MEERWAARDEN OP ONGEBOUWDE ONROERENDE GOEDEREN OF OP SOMMIGE ZAKELIJKE RECHTEN M.B.T. ZULKE GOEDEREN
Nummer 225/3
De op dergelijke meerwaarden verschuldigde aanslag wordt geheven tegen een aanslagvoet van 33 % of 16,5 % volgens het onderscheid dat gemaakt wordt in art. 171, 1°, b en 4°, d, WIB 92 (zie commentaar op dat artikel).
C. MEERWAARDEN OP BELANGRIJKE DEELNEMINGEN
Nummer 225/4
De op die meerwaarden verschuldigde belasting wordt geheven tegen een eenvormig tarief van 16,5 %.
Nummer 225/5
De belasting wordt berekend tegen het eenvormige tarief van 200 % op de niet overeenkomstig het bepaalde in 221/17 verantwoorde kosten.
E. PENSIOENEN EN PENSIOENBIJDRAGEN
Nummer 225/6
De belasting wordt berekend tegen 39 % op de in 221/19 bedoelde bijdragen, pensioenen, renten en toelagen.
F. DIVIDENDEN TOEGEKEND DOOR BEPAALDE INTERCOMMUNALES
Nummer 225/7
De belasting wordt berekend tegen het eenvormige tarief van 15 % op het bedrag van de dividenden.
Nummer 225/8
In verband met de sub 225/2 tot 7 bedoelde aanslagen valt op te merken dat daarmee geen voorheffingen mogen worden verrekend (art. 293, WIB 92).
Nummer 225/9
De vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen werden gedaan is niet van toepassing op de sub 225/2 tot 6 vermelde aanslagen.
Daarentegen moet de sub 225/7 bedoelde aanslag op dividenden toegekend door bepaalde intercommunales wel worden vermeerderd in geval geen of ontoereikende voorafbetalingen werden gedaan. Die vermeerdering wordt met ingang van het aj. 1992 berekend zoals bepaald in art. 218, WIB 92, d.w.z. dat de bedoelde vermeerdering wordt berekend op dezelfde wijze als inzake Ven.B.
Nummer 225/10
Voor de inkohiering van de afzonderlijke aanslagen moet gebruik worden gemaakt van de drukwerken 280.5 (berekeningsnota), 239.8 (kohier) en 242.41 of 242.42 (aanslagbiljet : respectievelijk voor "te betalen saldo" of "terug te geven saldo").
Nummer 225/11
Met betrekking tot het belastbare tijdperk inzake RPB, wordt verwezen naar de commentaar op art. 360, WIB 92.
