Commentaar van art. 253, WIB 92

Art. 253, WIB 92

I. WETTEKST

253/0

A. WIB 92

253/0

B. Decreet van het Vlaamse Gewest van 25 juni 1992

253/0

II. ONROERENDE GOEDEREN OF DELEN VAN ONROERENDE GOEDEREN BEDOELD IN ARTIKEL 12, WIB 92

253/1-63

A. Algemeen

253/1-3

B. Uitzonderingen

253/4

C. Geschiedkundig overzicht

253/5

D. Voorwaarden

253/6-63

III. ONROERENDE GOEDEREN BEDOELD IN ARTIKEL 231, 1°, WIB 92

253/64-76

A. Algemeen

253/64-67

B. Voorwaarden

253/68-72

C. Datum waarop de vrijstelling een aanvang neemt

253/73-75

D. Bezwaarschriften in verband met de vrijstelling

253/76

IV. NATIONALE DOMEINGOEDEREN

253/77-110

A. Wettekst

253/77

B. Geschiedkundig overzicht

253/78-79

C. Genieters van de vrijstelling

253/80

D. Voorwaarden

253/81-101

E. Niet beperkende opsomming

253/102-105

G. Inschrijvingen in de kadastrale legger

253/106

H. Procedure om de vrijstelling te bekomen

253/107-110

V. BIJZONDERE VRIJSTELLING EIGEN AAN HET VLAAMSE GEWEST

253/111-114

A. Inwerkingtreding

253/111

B. Opheffing

253/112

C. Voorwaarden

253/113

D. Procedure

253/114

VI. VRIJSTELLINGEN KRACHTENS BIJZONDERE WETTEN

253/115-120

A. Grondbeginselen

253/115-117

B. Niet beperkende opsomming

253/118

C. Datum waarop de vrijstelling een aanvang neemt. Inschrijvingen in de kadastrale legger

253/119

D. Bezwaarschriften in verband met de vrijstelling

253/120

VII. VRIJSTELLINGEN MET ECONOMISCHE DOELEINDEN

253/121-145

A. Inleiding

253/121-122

B. Wetten van 17 en 18.7.1959 (v 961-962), gewijzigd bij de W 14.2.1961 (v 983), bij art. 80, w 20.11.1962 (v 1013), bij de art. 1 en 2, W 30. 7.1963 (v 1050), bij de art. 1 tot 4, kb nr. 22 van 23.5.1967 (v 1181) en, wat de w 17.7.1959 betreft bij KB nr. 87 van 11.11.1967 (v 1201)

253/123-132

C. W 14.7.1966 (v 1152), gewijzigd bij de art. 5 en 6, KB nr. 22 van 23.5.1967 (v 1181) en bij KB nr. 85 van 10.11.1967 (v 1200)

253/133-135

D. Wet 30.12.1970 (v 1315)

253/136-140

E. Wet van 4.8.1978 (v 1478)

253/141-144

F. Wet van 11.4.1983, art. 29 (v 1670)

253/145

I. WETTEKST

Nummer 253/0

A. WIB 92

Art. 253. - Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld:

1° van de in artikel 12 vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen;

2° van de in artikel 231, 1°, vermelde onroerende goederen;

3° van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt.

De vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk.

B. DECREET VAN HET VLAAMSE GEWEST VAN 25 juni 1992

Art. 103. In artikel 157 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (art. 253, WIB 92) worden, wat het Vlaams Gewest betreft, een 1°bis en een 1 ter ingelast luidend als volgt :

1°bis : van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke gelegen zijn in het Vlaamse Gewest en welke door een openbaar bestuur of een belastingplichtige die geen winstoogmerk nastreeft worden aangewend als bejaardenvoorziening uitgebaat door een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden.

1°ter : van dezelfde als onder 1°bis bedoelde onroerende goederen, gefinancierd door middel van een financiële leasing, overeenkomstig de artikelen 6 van de besluiten van de Vlaamse Executieve van respectievelijk 4 april 1990 en 21 februari 1991 houdende de regels en bedragen inzake de subsidiëring als tussenkomst in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor het bouwen, inrichten en ingebruiknemen van serviceflatgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen."

II. ONROERENDE GOEDEREN OF DELEN VAN ONROERENDE GOEDEREN BEDOELD IN ARTIKEL 12, WIB 92

A. ALGEMEEN

Nummer 253/1

Krachtens art. 12, WIB 92 is vrijgesteld :

Het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige zonder winstoogmerken heeft bestemd voor het uitoefenen van een openbare eredienst, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, godshuizen, klinieken, dispensaria, vakantietehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.

Nummer 253/2

Deze bepaling voorziet in de vrijstelling van het KI, als element van het globaal inkomen belastbaar in de PB, voor de onroerende goederen die de daarin bedoelde bestemming hebben gekregen.

Er weze nochtans opgemerkt dat krachtens art. 494, § 5, WIB 92, de uit een schatting of herschatting voortspruitende K.l. geacht worden te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het feit (o.a. de ingebruikneming of de verhuring van nieuw opgerichte of verbouwde onroerende goederen, de voltooiing van de werken van gewijzigde gebouwde onroerende goederen) waarvan de aangifte bij art. 473, WIB 92, is voorgeschreven of op het einde van de vrijstelling wanneer de gestelde voorwaarden niet meer vervuld zijn.

Hieruit volgt dat inzake PB het KI slechts prorata temporis wordt vrijgesteld naar verhouding van het aantal maanden van de belastbare periode tijdens dewelke voldaan is aan de voorwaarden i.v.m. de besteding van de onroerende goederen tot de bedoelde doeleinden en het gebrek aan winstbejag.

Nummer 253/3

Zulks is niet het geval inzake OV. Daar de OV gevestigd wordt op het KI zoals dit is vastgesteld op 1 januari van het aj. (zie art. 255, WIB 92), moeten de onroerende goederen op deze datum voldoen aan de bij art. 12, §1, WIB 92, gestelde voorwaarden, de verandering van eigenaar van deze goederen, in de loop van het jaar blijft hier dan ook zonder invloed.

Daaruit volgt dat voor een goed, dat deze voorwaarden slechts in de loop van het jaar zal vervullen, de vrijstelling alleen mag worden toegekend vanaf 1 januari van het jaar volgend op de datum waarop de voorwaarden vervuld zijn (zie. Cass., 25.1.1955, Soeurs Augustines hospitalières, Pas. 1955, I, 550).

B. UITZONDERINGEN

Nummer 253/4

Het valt voor dat een onroerend goed, verworven door een particulier, niet onmiddellijk wordt aangewend tot een der in art. 12, WIB 92, beoogde doeleinden, waarvoor het bestemd is, b.v. omdat de inrichting van de openbare eredienst, van het onderwijs of van de instelling die het moet betrekken vertraagd werd, of omdat de eigendom eerst veranderingen moet ondergaan.

In dit geval is het toegelaten de vrijstelling een aanvang te doen nemen op 1 januari van het jaar van de aanwending indien, op deze datum, het goed reeds aan dezelfde particulier toebehoorde en indien tussen dezelfde datum en die waarop de bovenvermelde aanwending werkelijk een aanvang nam, het goed geen inkomsten heeft opgebracht en tot geen andere doeleinden werd gebruikt.

Dit geldt ook zelfs wanneer in het tijdsbestek waarvan sprake het gebouw gedeeltelijk bezet was door een huisbewaarder of door personeel belast met de bewaking van het goed.

Inderdaad, het gebruik van het woord "besteed" in het zinsdeel " ... besteed voor .. de vestiging van hospitalen ..." wijst erop dat art. 8 WIB ( 12, WIB 92) niet de werkelijke inrichting als voorwaarde tot de vrijstelling vereist, doch wel de bestemming van het gebouw tot de inrichting van hospitalen of andere werken van weldadigheid (zie Cass. 9.10.1962, VZW Klooster der Zwartzusters, Bull.400, blz. 1813).

In dezelfde gedachtengang mogen de ongebouwde gronden, waarop begonnen is met de bouw van gebouwen bestemd tot een van de in art. 12, WIB 92 bedoelde werken, worden vrijgesteld met terugwerkende kracht op 1 januari van het jaar van aanwending - terzake erkend door het feit van de aanvang der bouwwerken- indien, op deze datum, de gronden reeds aan de bouwer van deze gebouwen toebehoorden en voor zover zij in de periode vanaf deze datum en die van effectieve aanwending in kwestie onproduktief zijn gebleven en tot geen andere doeleinden werden gebruikt.

C. GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT

Nummer 253/5

Art. 12, §1, WIB 92, vindt zijn oorsprong in art. 2, W 13.7.1930, V 246, dat art. 4, § 3, SWIB, geworden is, en als volgt is opgesteld :

De vrijstelling wordt insgelijks toegestaan ten opzichte van de vaste goederen of gedeelten van vaste goederen welke door een niet-winstnajagend eigenaar zijn bestemd voor de uitoefening van een openbare eredienst, voor het onderwijs of voor de inrichting van hospitalen, godshuizen, klinieken, dispensaria of andere gelijkaardige werken van weldadigheid.

Uit de parlementaire besprekingen betreffende de W 13.7.1930, V 246, en o.a. uit het verslag van de commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (Doc. 186, Zitting 1929-1930), blijkt dat deze tekst -hoewel ingegeven door een gelijkaardige, doch ruimer uitgelegde bepaling, overgenomen in art. 1, W 7.6.1926, - Bull. 10 - die voor 4 jaar een bijkomende grondbelasting invoerde- de bedoeling had misbruiken te vermijden, en dus beperkend moest worden uitgelegd.

De W 20.11.1962, H.I.B. (V 1013 - Bull. 392), heeft de toepassing van deze bepaling tot de vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden uitgebreid.

De W 19.7.1979 (V 1508) heeft in wat ondertussen art. 8 WIB geworden was, het woord "eigenaar" vervangen door het woord "belastingplichtige" en de woorden "en gepensioneerden" door de woorden "of gepensioneerden" en aldus de administratieve interpretatie van de vroegere wettekst bevestigd.

D. VOORWAARDEN

1. In hoofde van de belastingplichtige

Nummer 253/6

In hoofde van de belastingplichtige (eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, of vruchtgebruiker) wordt een enkele voorwaarde opgelegd: het gebrek aan winstbejag.

Hij mag niet uit zijn gebouw, in enigerlei vorm, rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel of baat halen. In dit verband weze opgemerkt dat het begrip "winstoogmerk" niet enkel het oogmerk omvat om een vermogen te laten aangroeien, maar ook het streven om te vermijden dat dit vermogen in waarde vermindert en dat aldus een verlies wordt geleden (zie advies van de H. Procureur-generaal Ganshof van der Meersch bij cassatie 19.1.1973, Pas. 1973, I, blz. 495).

Het is hierbij zonder belang dat de bedrijvigheid, waartoe het gebouw bestemd is, uitgeoefend wordt door de belastingplichtige zelf, of door een derde persoon.

Nummer 253/7

Het volstaat dat het gebrek aan winstbejag bestaat in hoofde van de belastingplichtige alleen.

Indien, b.v., een persoon onderwijs verstrekt, een hospitaal inricht, enz...., in een gebouw waarvan hij geen eigenaar is, en hij zekere ontvangsten doet om de normale uitbatingskosten te dekken, is dit op zichzelf geen beletsel tot het bekomen, door de eigenaar, van de vrijstelling van het KI van zijn gebouw.

Nummer 253/8

De belastingplichtige die zelf zijn gebouw tot een der bij de wet bepaalde doeleinden gebruikt, verliest niet a priori de hoedanigheid van belastingplichtige die geen winst nastreeft, noch het voordeel van de vrijstelling, wanneer hij inkomsten geniet uit de werkzaamheid die bij het gebruik van het goed tot een van de beoogde doeleinden wordt uitgeoefend. Indien het onderwijs, de hospitalisatie, enz., niet volstrekt kosteloos zijn, volstaat het dat het gebruik van het onroerend goed zodanig is dat het behalen van enig voordeel of baat uit het goed zelf door de belastingplichtige is uitgesloten.

In dat verband werd gevonnist dat sommige ontvangsten, o.a. uit de exploitatie van een buffet en van een feestzaal, beide gelegen in een onroerend goed, exploitatie die slechts bijdraagt tot de voornaamste doeleinden van de sociale werkzaamheid (zonder enig winstbejag) die er door de VZW-eigenares wordt uitgeoefend (openbare eredienst. onderwijs en weldadigheidswerken), geen beletsel vormen voor de vrijstelling van de grondbelasting (thans OV) (Brussel, 16.4.1947, "Oeuvres paroissiales de Saint-Gilles", bevestigd door Cass. 27.1.1948, Pas. 1948, I, 61).

Nummer 253/9

Met inachtneming van de recente evolutie van de rechtspraak dient men aan te nemen dat er voldaan is aan de voorwaarde van "gebrek aan winstoogmerk" zelfs wanneer de belastingplichtige een voordeel uit zijn onroerende goederen behaalt, indien hij het bewijs levert dat dit voordeel werkelijk en uitsluitend gebruikt wordt voor de instandhouding en de uitbreiding van het weldadigheidswerk bedoeld in art. 12, §1, WIB 92 waartoe zijn onroerende goederen wordenaangewend, met name, en volgens het geval voor onderwijsdoeleinden, voor een openbare eredienst, voor de vestiging van hospitalen, godshuizen, klinieken, enz. en dat het geen verdoken winst uitmaakt (zie Cass. 6.3.1987, Het bisdom Brugge, VZW, B 674, blz.1311).

Nummer 253/10

De eigenaar mag bovendien, zonder zijn recht op vrijstelling in gevaar te brengen, zich door de gebruiker van het goed laten vergoeden voor de onderhoudskosten die normaal ten laste van de eigenaar vallen en die door hem worden betaald, evenals voor de huurherstellingen en de kosten van uitrusting met meubelen en materieel, indien hij die herstellingen en kosten betaalt in de plaats van de gebruiker.

Het gaat ter zake om kosten en uitgaven die werkelijk werden gedragen in de loop van het jaar waarvoor het voordeel van de vrijstelling werd toegekend of gevraagd; zij mogen bijgevolg niet forfaitair worden vastgesteld in een overeenkomst.

Nummer 253/11

Er moet inderdaad een onderscheid worden gemaakt tussen "het onderhoud" van de verhuurde zaak en "de herstellingen" die daaraan moeten worden gedaan.

Volgens de rechtsleer behoren de werken om het verval van het goed te voorkomen tot "het onderhoud". Overeenkomstig art. 1719, BW, is de verhuurder, uit de aard van het contract, en zonder dat daartoe enig bijzonder beding nodig is, verplicht het goed in zodanige staat te onderhouden dat het kan dienen tot het gebruik waartoe het verhuurd is.

De "herstellingen" bestaan uit de werken die moeten worden uitgevoerd om de beschadigingen, die zich werkelijk hebben voorgedaan, te herstellen. Krachtens het BW vallen de huurherstellingen en de geringe herstellingen tot onderhoud, behoudens andersluidend beding, ten laste van de huurder (art. 1754. BW) terwijl de herstellingen, andere dan huurherstellingen, door de verhuurder worden gedragen (art. 1720, BW).

Nummer 253/12

Een VZW komt niet automatisch uit hoofde van haar bijzonder statuut in aanmerking om als een "belastingplichtige die geen winstoogmerken nastreeft" te worden beschouwd.

Nummer 253/13

Het feit dat de belastingplichtige een vennootschap is, die om reden van haar aard wordt geacht, in ieder van haar werkzaamheden winst na te jagen of waarvan de statuten in de uitkering van een deel van de winsten voorzien, is op zichzelf niet voldoende om bij de art. 12, §1, beoogde vrijstelling te weigeren.

Nummer 253/14

Ter zake moet voor ieder geval van gebruik het ontbreken van winstbejag worden nagegaan, hierbij in aanmerking nemend dat de door de wetgever gebruikte woorden "belastingplichtige die geen winstoogmerken nastreeft" uitsluitend doelen op het bijzondere gebruik van de onroerende goederen die op de vrijstelling van het KI recht geeft, en niet op de hoedanigheid van de belastingplichtige (handels- vennootschap, VZW of andere). M.a.w., het voordeel van de bepalingen van art. 12, § 1, WIB 92, mag worden verleend wanneer een belastingplichtige, wie hij ook zij, onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen tot de bedoelde bijzondere doeleinden gebruikt en hij zodoende geen winst najaagt.

2. In verband met het onroerend goed

a) Algemeen

Nummer 253/15

Een enkele voorwaarde wordt gesteld in verband met de onroerende goederen of delen van onroerende goederen: ze moeten worden besteed tot een van de doeleinden bepaald bij de wet, d.w.z.

- hetzij tot de uitoefening van een openbare eredienst;

- hetzij tot het onderwijs;

- hetzij tot de inrichting van hospitalen, godshuizen, klinieken, dispensaria, vakantietehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.

Nummer 253/16

Art. 12, § 1, WIB 92, dat een uitzondering maakt op de in art. 6 geformuleerde algemene regel van belastbaarheid van de inkomsten van onroerende goederen, moet beperkend worden uitgelegd in die zin dat men zich dient te houden aan de termen zelf van de wet.

In rechte geldt immers het beginsel dat de uitzonderingen beperkend moeten worden uitgelegd.

Nummer 253/17

Bovendien is het gebruik van het onroerend goed tot de bijzondere doeleinden, die de wet beperkend opsomt, een kwestie die in feite moet worden opgelost (Cass., 16.6.1947, "Solvay et Cie", S.V.R. IX, blz. 399 - Bull. 226, blz. 319).

Nummer 253/18

De rechtspraak stelt als beginsel, daar er geen onderscheid werd gemaakt noch in art. 4, § 3, SWIB, noch in de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de wet (lees: W 13.7.1930 - zie 253/5) dat al de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen welke tot in de voormelde bepaling beoogde doeleinden worden gebruikt eventueel de vrijstelling van de grondbelasting kunnen genieten of het nu om een rechtstreeks of om een onrechtstreeks gebruik gaat, m.a.w., het onrechtstreekse gebruik zowel als het rechtstreekse gebruik, kan de vrijstelling rechtvaardigen op voorwaarde dat bedoelde goederen noodzakelijk zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken. Het karakter van noodzakelijkheid moet bestaan en volstaat .

Nummer 253/19

Er werd gevonnist:

- dat art. 4, § 3, SWIB (huidig art. 12, § 1, WIB 92), de vrijstelling van de G.B. niet ondergeschikt maakt aan de rechtstreekse aanwending van de onroerende goederen tot een van de daarin opgesomde doeleinden, doch als volstrekt noodzakelijke en voldoende voorwaarden stelt dat de onroerende goederen noodzakelijk zijn om de verwezenlijking van deze doeleinden te bereiken, en dat de eigenaar geen winst nastreeft (Cass., 27.1.1948, VZW "Collège Notre Dame", S.V.R. IX, blz. 432 - Bull. 233, blz. 375);

- dat vorenbedoeld art. 4, § 3, SWIB, dat de onroerende goederen beoogt die "worden aangewend tot inrichting van ziekenhuizen, ..." en niet de onroerende goederen ingericht als ziekenhuizen.... vereist niet dat door het gebruik van het woord "aangewend" de werkelijke inrichting als voorwaarde voor de vrijstelling wordt gesteld, maar wel de aanwending van deze onroerende goederen tot inrichting van weldadigheidsinstellingen : in dit opzicht maakt de wet geen enkel onderscheid tussen gebouwde en ongebouwde onroerende goederen (Cass. 9.10.1962, Klooster der Zwartzusters, Bull. 400, blz. 1813).

Nummer 253/20

De vrijstelling kan aldus worden verleend voor de koeren, de tuinen en boomgaarden welke tot een van de hierboven aangehaalde doeleinden worden besteed en tot ontspannings- of wandelplaats worden gebruikt indien ze nodig zijn voor het behoud van de fysisch en morele gezondheidstoestand van de leden van de inrichting.

Nummer 253/21

Daarentegen kunnen de vrijstelling niet genieten, de percelen of gedeelten van percelen (akkers, boomgaarden, moestuinen, hoeven, enz. die door de in art. 8, WIB ( 12, § 1, WIB 92) bedoelde werken worden uitgebaat en die niet noodzakelijk zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken. Het feit dat de voortbrengselen van die percelen of gedeelten van percelen voor de instelling zelf bestemd zijn en de leden van de instelling in staat stellen goedkoper te voeden, betekent niet dat die percelen noodzakelijk zijn om de goede werking van de instelling te verzekeren en te behouden, gelet op de omstandigheid dat dezelfde produkten in de handel kunnen worden bekomen (Cass. 27.1.1948, VZW Collège Notre-Dame, S.V.R. IX, blz. 432 - Bull. 233, blz. 375).

Nummer 253/22

Om dezelfde redenen kan het KI van de bouwgronden, bestemd voor het uitvoeren van uitbreidingen van een door de wet bedoeld werk niet worden vrijgesteld.

Nummer 253/23

Door het gebruik van de woorden "onroerende goederen", of "delen van onroerende goederen", heeft de wetgever de delen, die niet tot de gestelde doeleinden worden gebruikt, van de vrijstelling willen uitsluiten.

Daaruit mag, a fortiori, worden besloten dat hij eveneens de onroerende goederen of delen van onroerende goederen, die hetzij terzelfder tijd, hetzij afwisselend tot de gestelde en tot andere doeleinden worden gebruikt, heeft willen weren.

b) Openbare eredienst

Bepalingen

Nummer 253/24

Men zal zich laten leiden door het algemeen rechtsbegrip van de termen van de wet "uitoefening van een openbare eredienst": eredienst die zich uit in plechtige en openbare riten en ernstig is, ons zelf waardig (Gent, 104.1.1885, Barbé-Claerhout, Pas., 1885, II, 120, en Pandectes belges V Cultes, nrs. 107 en 108).

Volgens de wet bestaat de eredienst in ceremoniën en in openbare riten ter ere van de Godheid (Brussel, 12.2.1951, VZW "Mission Evangélique belge).

De wet beschikt dat de eredienst openbaar moet zijn, d.w.z. ter bestemming van het publiek, tot dewelke het publiek kan toegang hebben, of eredienst uitgeoefend of beleden in het openbaar (zie nota W.G. onder Cass., 19.10.1948, Pas. 1948, 1, 576).

Het feit dat de eredienst niet als dusdanig door de Belgische Staat wordt erkend, kan op zichzelf niet rechtvaardigen dat de vrijstelling van het KI voor het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarin de eredienst wordt uitgeoefend, wordt geweigerd.

Bijzondere gevallen

Spiritisme

Nummer 253/25

In beperkte zin betekent de eredienst de uiterlijke manifestatie van een godsdienst en de uitdrukking van de godsdienstige gevoelens door plechtigheden, gebeden, enz. In tegenstelling met alle gekende erediensten, telt het spiritisme geen bedienaars van zijn zogenaamde eredienst : het is veeleer een centrum voor studie en experimenteel onderzoek (Luik, 28.2.1949, SV "Le Foyer Spiritualiste).

Antoinisme

Nummer 253/26

Is geen openbare eredienst in de fiscale betekenis van de wet, de eredienst die niet steunt op een bijzondere en eigen geloofsleer, in de plechtigheden waarvan geen enkel openbaar eerbetoon aan de godheid wordt bewezen en waarvan de riten en de plechtigheden om zo te zeggen niet bestaan en zich beperken tot moraliserende lezingen die niet het karakter van een godsdienst hebben. Het bestaan van tempels en priesters heeft in die omstandigheden geen invloed (Luik, 21.11.1949, VZW "Le Culte Antoiniste", Pas. 1950, II, 57).

Nummer 253/27

Het Antoinisme is veeleer een centrum van zedelijke wedijver met een onbaatzuchtig karakter en een kring van voordrachten over de ethiek met godsdienstige en spiritualistische inslag: deze manifestaties hebben niet volledig de aard van de uitoefening van een godsdienst, d.w.z. van een openbare eredienst.

De bepaling van art. 4, § 3, SWIB, is van uitzonderlijke aard en duldt geen uitbreidende uitlegging; zij is niet van toepassing op een onroerend goed aangewend voor de uitoefening van Antoinistische eredienst (Luik, 7.1.1944, VZW "Culte Antoiniste").

Eredienst der Baha'is

Nummer 253/28

Er wordt aangenomen dat het baha'isch wereldgeloof een godsdienst is, dat het immers de verspreiding tot doel heeft van het baha'isch levensideaal gesteund op de principes van broederlijkheid, eenheid, menselijkheid en vrede onder de volkeren, zoals deze verkondigd werden door Baha'u'llah, de stichter van het baha'isch wereldgeloof, en gesteund op de ontwikkeling van de baha'ische instellingen in de wereld, dat de baha'ische eredienst overigens, krachtens de geheiligde teksten en andere werken, vereist: de gemeenschappelijke aanbidding van God tijdens, de vergaderingen, de ten overstaan van de vergadering van de gelovigen gemeenschappelijk opgezegde gebeden, de gezangen ter ere van de godheid, de godsdienstige ceremoniën (onder andere huwelijken en begrafenissen), de rituele feesten om de 19 dagen en andere feesten die herinneren aan de grote gebeurtenissen van de baha'ische godsdienst, dat deze eredienst bovendien open staat voor het publiek, dat er trouwens op uitgenodigd wordt, onder andere door omzendbrieven (Brussel, 12.10.1960, VZW "Assemblée Spirituelle des Baha'is").

Getuigen van Jehovah

Nummer 253/29

Vanuit zuiver politiek en administratief standpunt gezien, is de eredienst de openbare uitoefening van een godsdienst; hij is de uitwendige en openbare verkondiging van godsdienstige gevoelens (Pandectes belges, V° Cultes, nr. 2).

Zoals blijkt uit de stukken, neergelegd ter staving van het verhaal (bijbels, brochures, tijdschriften), oefenen de "Getuigen van Jehovah" een eredienst in de voormelde zin uit en houden zij vergaderingen die de openbare uitoefening van een eredienst vormen (Brussel, 24.1.1962, VZW "Getuigen van Jehovah") .

Besteding

Nummer 253/30

Daar de zelfs onrechtstreekse besteding voor een openbare eredienst mag worden weerhouden, mag de vrijstelling van het Kl niet alleen worden verleend voor de kerk of de kapel die aangewend wordt tot de openbare eredienst, doch insgelijks voor de sacristie, de kapittelzaal, de kelders of bijgebouwen met verwarmingsinrichting. Hetzelfde geldt voor de woonkamers van de bedienaars, voor de lokalen voor hun huishoudelijk gebruik of voor hun geestelijke vorming.

Aldus dienen, met betrekking tot de kloosterlingen die in een gesloten kloostergemeenschap leven volgens een kloosterregel die de voortdurende aanwezigheid bij dag en bij nacht vereist van leden van de gemeenschap in de nabijheid van de openbare kerk die ze bedienen en waar zij de eredienst beoefenen volgens een kloosterregel die zij vrij hebben aanvaard, benevens de kerk en haar eigenlijke afhankelijkheden, de volgende gebouwen en lokalen, bestemd voor het huishoudelijk gebruik of voor de geestelijke vorming van de kloosterlingen, te worden vrijgesteld: de woning, de keuken, de eetzaal, de studiezalen, de burelen, de laboratoria, de kapittelzalen, de kleedkamers, de bibliotheken, de was- en droogplaatsen, de apotheek, de ziekenzaal, de retraitezaal, de W.C., de spreekkamers, de bergplaats, de hangars, de schuur, de galerij, de gangen, enz. De gebouwen of gedeelten van gebouwen welke niet noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van het nagestreefde doel, zoals de melkerij, het voor de kaasbereiding bestemde lokaal, de brouwerij, de schrijnwerkerij, de graanmolen, het vreemdelingenverblijf, enz., worden niet vrijgesteld.

Rechtspraak

Nummer 253/31

Het gebouw besteed tot woning en huisvesting voor het personeel van een VZW dat een kerk bedient, is noodzakelijk voor het uitoefenen van de eredienst omdat een kerk, waar de eredienst wordt uitgeoefend, niet denkbaar is zonder bedienend personeel en zonder bewaker en omdat de huisvesting van dit personeel bij de bediende kerk behoort (Gent, 7.1.1946, VZW "Paters Redemptoristen", S.V.R. IX, blz. 284, -Bull. 210, blz. 77 en Brussel, 27.11.1961, VZW "Leger des Heils").

Opdat er reden zou bestaan tot de bij art. 4, § 3, SWIB(huidig art. 12, §1, WIB 92) beoogde vrijstelling, moet het onroerend goed, aangewend door een niet-winstnajagend eigenaar, noodzakelijk zijn tot de uitoefening van de openbare eredienst (Cass., 13.1.1948, VZW "La Mission Evangélique belge", Pas. 1948, 1, 32).

De wet stelt de vrijstelling van de belasting niet afhankelijk van de rechtstreekse aanwending der vaste goederen tot een van de doeleinden welke zij opsomt. Het is nodig maar het volstaat dat de vaste goederen of gedeelten van vaste goederen noodzakelijk zijn om de uitoefening van een openbare eredienst te verzekeren (Cass., 27.1.1948, VZW "Collège Notre-Dame", S.V.R. IX. blz. 432 - B, 233, blz. 375).

De gedurige aanbidding, beoefend in een kerk opengesteld voor iedereen, is een vorm van openbare uitoefening van de katholieke eredienst. Zijn dus van de belasting vrijgesteld de lokalen bestemd voor de huisvesting van de kloosterzusters die zich met bedoeld werk bezighouden, wanneer zij nodig zijn om dat doel te verwezenlijken (Cass., 19.10.1948, VZW "Institut de l'Adoration perpétuelle", Pas. 1948, I, 579)

Is vrijgesteld het klooster waarvan de kloosterlingen zich wijden aan de openbare eredienst en aan de verscheidene activiteiten welke deze eredienst omvat: zijn insgelijks vrijgesteld, de tuin, de bergplaats en de broeikas waarvan de oppervlakte deze niet overschrijdt welke noodzakelijk is voor de onmisbare diensten van een huis dat uit 17 personen bestaat (Luik, 28.2.1949. Missionnaires Oblats de Marie Immaculée) .

Art. 4, § 3, SWIB (thans art. 12, §1, WIB 92) stelt vrij van belasting alle onroerende goederen welke een niet-winstnajagende eigenaar heeft bestemd tot de uitoefening van een openbare eredienst, zonder ervan de woningen van de eredienstbedienaars uit te sluiten andere dan die als bedoeld in § 2 (thans art. 253, WIB 92). Deze vrijstelling wordt echter slechts toegestaan voor het ter uitoefening van de eredienst onrechtstreeks besteed onroerend goed, mits het noodzakelijk is tot deze uitoefening.

Uit de noodzakelijkheid om de eredienstbedienaar in de lokaliteit of in de streek te huisvesten, vloeit niet voort dat het nodig is, voor de uitoefening van de eredienst, het bedoeld onroerend goed te zijner beschikking te stellen (Cass., 1.3.1949, VZW "Eglise chrétienne missionnaire belge", Pas. 1949, I, 179).

Wanneer in een openbare kerk de eredienst uitgeoefend wordt door een honderdtal kloosterlingen die leven in een kloostergemeenschap en volgens een kloosterregel . . . die de standvastige aanwezigheid bij dag en bij nacht vereist van leden van de gemeenschap in de nabijheid van de kerk die ze bedienen en waarin zij de eredienst beoefenen volgens een kloosterregel die zij vrij hebben aanvaard, is het onroerend goed, waar zij wonen, onmisbaar voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel (Luik, 9.5.1949, VZW "Abbaye Notre-Dame de Saint Remy").

De enige omstandigheid dat de leden van een godsdienstige orde gebruik maken van een private kapel als plaats van gebed en overweging, volstaat niet opdat deze kapel zou worden beschouwd als besteed tot de uitoefening van een openbare eredienst (Cass., 19.10.1948, VZW "Maison St. Joseph", Pas. 1948, I, 576).

Overwegende dat in de openbare kerk die deel uitmaakt van het klooster, gelegen in de . . . straat, de in bedoeld klooster in gemeenschap levende kloosterzusters zich dag en nacht wijden aan de gedurige aanbidding van het Heilig Sacrement; dat zij er het opdragen van de diensten bijwonen door ceremoniën die zich over gans de dag en de nacht uitstrekken.

Overwegende dat de gedurige aanbidding, uitgeoefend in een voor het publiek toegankelijke kerk, een vorm van openbare uitoefening van de katholieke eredienst is; dat, om het de kloosterzusters die de kerk bedienen mogelijk te maken zich zowel bij dag als bij nacht te wijden aan de gedurige aanbidding en aan het opdragen van de goddelijke diensten, het onmisbaar is dat zij de lokalen van het klooster bewonen. die rond bedoelde kerk gelegen zijn; dat die lokalen waar bedoelde kloosterzusters moeten wonen en leven, noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eredienst waaraan zij zich hebben gewijd Cass., 19.10.1948, VZW "Institut de l'Adoration Perpétuelle", Pas; 1948. 1. 579).

Daar de catechismuslessen en de recollecties onderwijsvormen zijn van de katholieke godsdienst, zijn de delen van onroerende goederen, die daartoe worden aangewend, van de OV vrijgesteld (Cass. 19.10.1948, VZW "Institut de I'Adoration perpétuelle", Pas: 1948, I, 581).

Wanneer een onroerend goed niet rechtstreeks tot de uitoefening van een eredienst wordt aangewend, kan de onrechtstreekse aanwending ervan, met het oog op de vrijstelling van de OV alleen in aanmerking worden genomen indien ze gerechtvaardigd en dan ook noodzakelijk is ter verwezenlijking van het beoogde doel (Gent 25.4.1950, VZW "Mission Evangélique belge").

De omstandigheid dat de pastoor der parochie van de gemeente een huisvestingsvergoeding ontvangt en dus een huur voor een ander huis zou kunnen betalen, is niet van die aard, dat het gebouw zijn karakter van noodzakelijkheid voor de uitoefening van de eredienst wordt ontnomen (Cass., 9.1.1951, VZW "Oeuvres paroissiales du Doyenné de Binche", Pas. I, 292).

Vrijgesteld is, het klooster waarvan de lokalen dienen tot huisvesting van de paters en broeders die van een zending zijn teruggekeerd, zelfs wanneer de meerderheid van de kloosterlingen, die het klooster bewonen, hun reizende opdrachten buiten het gebouw uitoefenen; dit laatste is hun plaats waar ze thuis horen en dient als noodzakelijk of zelfs onontbeerlijk te worden beschouwd voor de uitoefening van de eredienst waaraan zij zich wijden (Brussel, 4.7.1951, VZW "Les Frères Prêcheurs").

De gebouwde percelen kunnen alleen vrijstelling genieten als ze voor de uitoefening van de eredienst noodzakelijk zijn. Dit is het geval wanneer de volledige activiteit van de personen -hier een onderpastoor en een koster- die deze percelen bewonen, op ieder uur van de dag en soms 's nachts vereist is, hetzij voor het verzorgen, hetzij voor het uitoefenen van de eredienst in al zijn openbare uitingen (Luik, 30.4.1952, "La Fabrique de L'Eglise St. Jean L'Evangéliste".

Opdat er vrijstelling kan zijn, is het noodzakelijk dat, buiten het ontbreken van winstbejag bij de belastingplichtige, de gebouwen noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel.

Aan die voorwaarden is voldaan ingeval de huizen gelegen zijn in de nabijheid van een kerk en worden bewoond door onderpastoors wier ganse activiteit vereist is voor de uitoefening van de eredienst en wier verblijf in de nabijheid van de kerk aldus een voortdurende noodzakelijkheid is (Luik, 10.12.1952, "Les Oeuvres de la Paroisse Ste Walburge").

De uitoefening van een openbare eredienst veronderstelt noodzakelijkerwijze de onmisbare tegenwoordigheid van de bedienaars : dientengevolge is de woning van deze laatsten onrechtstreeks aangewend voor de uitoefening van de eredienst en kan dienvolgens worden vrijgesteld van de belasting (Gent, 28.10.1953, "Missionnaires Oblats de Marie Immaculée").

Ondanks het feit dat een gebouw, dienende tot woning van de koster en diens echtgenote, in de onmiddellijke nabijheid van de parochiekerk is gelegen, en ondanks de omstandigheid dat de koster er omzeggens een regelmatige bezigheid heeft, is het niet bewezen dat het gebouw "onontbeerlijk is voor de uitoefening van een openbare eredienst"; redenen van gemak en geriefelijkheid kunnen niet volstaan om dit onontbeerlijk karakter vast te stellen (Brussel, 12.3.1969, 12.12.1972, VZW "Oeuvres paroissiales de Notre-Dame de Lodelinsart Centre").

Tot een openbare eredienst is aangewend, het perceel zijnde een klooster zelfs als het toebehoort aan een kloostertucht onderworpen orde, wanneer dit aan de kerk palende perceel, ingericht op zodanige wijze dat van daaruit de binnenruimte van de kerk zichtbaar is, de kloosterzusters moet toelaten gedurige aanbidding te doen, waarbij zij het altaar moeten kunnen aanschouwen dat zich bevindt in de voor het publiek geopende kerk. De omstandigheid dat in die kerk een andere vorm van eredienst, bij afwezigheid van de biddende kloosterzusters, kan worden uitgeoefend, kan geen reden zijn opdat het perceel van het klooster, palend aan voormelde kerk en bestemd voor de gedurige aanbidding, waarbij de kloosterzusters het altaar moeten kunnen aanschouwen, niet zou voldoen aan de bij de wet gestelde voorwaarden voor vrijstelling (Cass., 27.10.1953, "Monastère de la Visitation Sainte Marie", Pas. 1954, I, 152).

Een met muren omringde tuin, die ingesloten ligt in een kloostercomplex, is onontbeerlijk om het fysisch en moreel bestaan te verzekeren van kloosterzusters die er opgesloten zijn en wier aanwezigheid steeds vereist is voor de uitoefening van de openbare eredienst in de aanpalende openbare kapel.

Het is zonder belang dat er enkele voor de voeding geschikte fruitbomen of groenten op staan; zulks mag deze tuin niet doen gelijkstellen met akkers, moestuinen, boomgaarden, enz., die volgens de thans geldende rechtspraak de vrijstelling niet kunnen genieten (Brussel, 19.2.1953, Zusters Clarissen Colletienen).

c) Onderwijs

Algemeen

Nummer 253/32

De vrijstelling wordt slechts verleend voor zover aan de volgende drie voorwaarden te samen is voldaan:

1° ontbreken van winstbejag;

2° systematisch onderwijs:

3° noodzakelijke bestemming van de onroerende goederen tot didactische doeleinden.

1e voorwaarde: Ontbreken van winstbejag

Nummer 253/33

Geen winstbejag mag bij de belastingplichtige aanwezig zijn (zie 253/6 tot 14).

Er zij opgemerkt dat de tot huisvesting van het personeel van de instelling gebruikte gebouwen of gedeelten ervan bijgevolg gratis moeten worden betrokken of ten hoogste tegen een geringe vergoeding - ingehouden op de wedden of anderszins vereffend - die niet als een overeengekomen huurprijs kan worden beschouwd.

2e voorwaarde: Systematisch onderwijs

Nummer 253/34

De wet van 13.7.1930, V 246, die de vrijstelling van G.B. heeft ingevoerd met betrekking tot de onroerende goederen die door een niet-winstnajagend eigenaar voor onderwijsdoeleinden worden bestemd,

- heeft noch het voorwerp, noch de duur van het onderwijs bepaald (Cass., 19.10.1948, VZW "Maison Notre-Dame du Travail", Pas. 1948, I, 583; 13.9.1966, VZW "Union et Philantropie", Bull. 446, blz. 1880).

- doelt op het onderwijs in het algemeen en niets vermag de draagwijdte ervan tot sommige bepaalde scholen te beperken (Cass., 13.9.1966, VZW "Union et Philantropie", Bull. 446, blz. 1880).

Nummer 253/35

Het woord "onderwijs" sluit een didactische werkzaamheid in die door de onderwijzende persoon ten behoeve van de onderwezene wordt uitgeoefend (Cass., 11.10.1966, VZW "Openbare Bibliotheek Sint-Henricus", Bull. 447, blz. 2114; id. 10.1.1968, VZW Interdiocesaan Centrum, Bull. 459, blz. 75).

Hieruit volgt dat enigerlei vorm van onderwijs voor vrijstelling in aanmerking komt zodra de didactische werkzaamheden systematisch (dus niet toevallig) worden georganiseerd met het doel te onderrichten volgens de verhouding leermeester/leerling.

De onderwezen stof, de hoedanigheid van de inrichter of verstrekker van het onderwijs, noch die van de onderwezene kunnen een belemmering voor de vrijstelling zijn.

Er werd gevonnist dat uit het aanvullende onderzoek van de administratie blijkt dat in het bewuste gebouw -alwaar het door de Nationale raad van de jeugd gekwalificeerd jeugdtehuis "Het Centrum" gevestigd is- systematisch onderricht (kookkursus) en bijzonder onderwijs (naschoolse activiteiten) wordt gegeven; dat de lokalen die voor deze activiteiten worden gebruikt, ingevolge art. 12, §1, WIB 92, vrijstelling van de onroerende voorheffing genieten: dat de drie vierden van het gelijkvloers, tijdens 1968 in gebruik werden genomen door de VZW "Sociaal Centrum", die zich met sociaal dienstbetoon bezighoudt; dat er geen grond tot belastingvrijdom bestaat voor het kadastraal in komen van het gedeelte van het onroerend goed waarin deze activiteit werd uitgeoefend (Gent, 21.4.72, Dekenale Werken van Sint-Niklaas, VZW, J.P.D.F.B. 1972, blz. 281).

Nummer 253/36

Bijgevolg moet als onderwijs in de zin van art. 12, §1, WIB 92, worden beschouwd :

- de opleiding of de cursussen die systematisch of op bestendige wijze worden gegeven door leermeesters, opvoeders, monitors, enz. -zelfs los van elke officiële, gesubsidieerde of erkende onderwijsinrichting- binnen het raam van een schoolse, naschoolse of extra-professionele opvoeding of die een bepaalde intellectuele of morele vorming op het oog hebben;

- het systematisch onderricht van filosofische en morele doctrines;

- de in het kader van de vrijetijdsbesteding ontplooide didactische activiteiten die erop gericht zijn de fysische aanleg te ontwikkelen, zoals de gymnastiek, de sport en het openluchtleven in het algemeen, zelfs als de opleiding buiten elk schoolverband geschiedt.

Nummer 253/37

Kortom, als onderwijs komen in aanmerking:

1° het "onderwijs in de gewone betekenis van het woord", d.w.z. de volbrenging van een onderwijsopdracht in een eigenlijke onderwijsinrichting (school, pensionaat, noviciaat);

2° het bijzonder onderwijs gegeven in de door de Nationale Raad van de Jeugd gekwalificeerde jeugdorganisaties, jeugdtehuizen, jeugdclubs. Het is o.a. het geval wanneer deze organisaties en clubs ten gunste van jongeren beneden 25 jaar en onder leiding van opvoeders en monitors naschoolse of extra-professionele opvoedkundige taken vervullen;

3° de andere als onderwijs bestempelde werkzaamheden, zoals het onderricht van filosofische en morele doctrines, van gymnastiek, sport, enz., indien het systematische karakter ervan is vastgesteld aan de hand van statuten, catalogussen, reglementen, hoedanigheid en eventuele bezoldiging van de leermeesters, didactisch materieel, aantal personen die effectief het onderricht volgen, leerprogramma's, uurroosters, enz.

Die beginselen moeten echter met veel omzichtigheid worden toegepast.

3e voorwaarde: Noodzakelijke bestemming van de onroerende goederen tot didactische doeleinden

Nummer 253/38

De gebouwen of delen van gebouwen moeten tot didactische doeleinden worden gebruikt, met dien verstande dat dit gebruik niet toevallig of bijkomstig mag zijn.

De affectatie mag ook onrechtstreeks zijn, doch ze moet nodig zijn tot de verwezenlijking van de onderwijsdoeleinden, m.a.w. noodzakelijk opdat het onderwijs op normale wijze kan worden gegeven; het feit dat de affectatie alleen nuttig is, is niet voldoende (zie 253/18).

Nummer 253/39

Buiten de lokalen rechtstreeks tot het onderricht gebruikt, komen bijgevolg voor vrijstelling in aanmerking wanneer ze deel uitmaken van een onderwijsinstelling :

- de spreekkamers, de bibliotheken, de lees-, conferentie- en feestzalen, de musea;

- de kapel, de sacristie;

- de tempels en meditatielokalen betrokken door verenigingen die zich met het onderricht van filosofische en morele doctrines inlaten:

- de eetzalen en andere lokalen dienende tot buffet of drankgelegenheid, evenals hun toebehoren (keuken, kelder, enz.), tenzij de toegang tot die lokalen niet uitsluitend is voorbehouden aan de leden van de onderwijsinrichting tijdens de uren van normale activiteit (onderwijsoogmerken);

- de speelplaatsen, slaapzalen, de kleed- en badkamers. de toiletten, de garages en parkeerplaatsen:

- de berg- en bewaarplaatsen, de archiefkamers, de lokalen voor het onderbrengen van de onderhouds- en verzorgingsdiensten, zoals de kolenopslagplaatsen, de lokalen bestemd voor de centrale verwarmingsinstallaties, de washuizen, de bakkerij, enz.:

- de vertrekken ter beschikking van personen die noodzakelijk zijn voor de bewaking, de verzorging of het bestuur van de onderwijsinrichting, zoals de portierswoning, de lokalen die als woning dienen van het personeel (kamers, keukens, zolders, kelders), de kantoren voor de administratie, de van een kostschool afhangende lokalen bewoond door de directeur van de school of door de onderwijzers, leraars of opvoeders (zie echter 253/33, 2e lid, .

Nummer 253/40

Er dient echter wel verstaan dat de vrijstelling niet mag worden verleend voor private kapellen, bibliotheken, enz., wanneer de daartoe bestemde lokalen geen deel uitmaken van een school of van enigerlei andere onderwijsinrichting. Het is namelijk het geval met een zelfstandige bibliotheek (zie 253/41 in fine, de arresten "Openbare bibliotheek St.-Henricus").

Rechtspraak

Nummer 253/41

De wet stelt de vrijstelling van de belasting niet afhankelijk van het rechtstreekse gebruik der onroerende goederen tot een van de doeleinden welke ze opsomt.

Het is nodig maar het volstaat dat de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen noodzakelijk zijn om de goede werking van het werk van onderwijs . . . te verzekeren (Cass., 27.1.1948, VZW "Maison du Sacre Coeur de Linthout", Pas., 1948, I, 61).

Een feestzaal gebruikt voor godsdienstonderricht en voor prijsuitdelingen, soms ook voor toneelfeestjes ten bate van sociale werken, moet niet worden beschouwd als zijnde bestemd tot de uitoefening van een openbare eredienst of tot het onderwijs, daar deze feestzaal van geen schoolgebouw afhangt en slechts nu en dan voor godsdienstonderricht of prijsuitdelingen wordt gebruikt zonder noodzakelijk te zijn.

Het feit dat de eigenaar geen winstgevend doel nastreeft en dat hij het lokaal nodig heeft om het goed beheer en de bloei van het geheel der parochiale werken te verzekeren, volstaat niet om vrijstelling van de belasting te genieten (Gent, 12.10.1943, Parochiale Werken van Zandbergen).

De vrijstelling wordt toegestaan voor een paviljoen met de omliggende tuin, aanhorigheden van een kostschool, welke dienen als ontspanningshuis, vakantiekolonie, rusthuis, speelplein voor leraren en leerlingen, daar deze bestemming de goede gang verzekert van het werk van onderwijs zonder winstoogmerk, dat de vereniging-eigenares op zich heeft genomen.

Geniet om dezelfde reden vrijstelling van de belasting, het huis betrokken door de bewaker van het paviljoen en de tuin, wiens aanwezigheid noodzakelijk is om deze te onderhouden en te bewaken, al bewerkt deze bewaker ook niet-belastingvrije gronden die aan de vereniging toebehoren.

Kunnen de vrijstelling niet genieten de percelen die aan een onderwijsinrichting toebehoren doch als landbouwgronden worden uitgebaat en op geen enkele wijze voor het onderwijs worden gebruikt, noch voor de goede werking van de onderwijsinrichting nodig zijn.

Vrijstelling van de belasting dient eveneens te worden geweigerd voor een gehuurd huis, dat niet voor het onderwijs wordt gebruikt (Gent, 12.6.1945, "Institut des Dames de Marie", S.V.R. IX, blz. 245 -Bull. 203, blz. 65).

Ten onrechte laat de administratie gelden dat de bij art. 4, § 3, SWIB (art. 12, §1, WIB 92), voorgeschreven vrijstelling niet toepasselijk is op de tot woonst dienende gebouwen. Maar opdat deze vrijstelling kan worden toegestaan, moet het gebouw, dat door een niet-winstnajagend eigenaar onrechtstreeks tot een werk van onderwijs wordt aangewend, noodzakelijk zijn voor de goede gang van dit werk (Cass., 27.1.1948, VZW "Collège Notre Dame", IX, blz. 432 - Bull. 233, blz. 375).

De wet bepaalt nergens dat, om aan de belasting te ontkomen, de percelen waarvoor de belastingvrijdom wordt betwist, moeten palen aan het hoofdgebouw; het volstaat dat ze door een niet-winstnajagend eigenaar bestemd zijn voor een der in de wet opgesomde doeleinden, ongeacht de kadastrale ligging van de percelen, maar deze laatste moeten noodzakelijk, ja zelfs onmisbaar zijn voor het verwezenlijken van die doeleinden. Verzoekster doet, voor het bekomen van de vrijstelling betreffende het perceel bestaande uit een woonhuis. gelden dat het kosteloos ter beschikking werd gesteld van een op rust gesteld priester, belast met de geestelijke leiding van de onderwijsinrichting van verzoekster, alsmede met het opdragen van de mis, het biechthoren en het geven van sommige cursussen in de godsdienst.

Om die redenen (noodzakelijk tot het verwezenlijken der doeleinden) moeten dit huis en de aanpalende tuin vrijstelling genieten (Luik, 5.3.1949, VZW "Asile Ste Marie des Soeurs de la Charité").

Een gebouw, waarvan het gebruik voorbehouden is aan gepensioneerde onderwijzers van de stad . . ., wordt niet gebruikt voor een van de bij de wet bedoelde doeleinden (Brussel, 2.7.1935).

Het gebouw dat wordt gebruikt tot de inrichting van een noviciaat en tot de voorbereiding van de missionarissen, d.w.z. tot het onderwijs, is vrijgesteld van de belasting.

Wanneer de tuinen die voor het personeel als ontspanningsoord dienen, niet onontbeerlijk zijn voor de verwezenlijking van het beoogde doel, dient voor die tuinen geen belastingvrijstelling te worden verleend (Gent, 7.1.1946. VZW "Pères Rédemptoristes", S.V.R. IX, blz. 284 - Bull. 210, blz. 77).

Mogen echter worden vrijgesteld, de percelen die aanhorigheden van een onderwijsinstelling vormen en die voor de leerlingen en de leraren dienst doen als ontspannings- of rusthuis, vakantiekolonie, speelplein, enz.; het huis van de huisbewaker of de bewaker belast met het onderhoud van en het noodzakelijk toezicht op deze onroerende goederen (Gent, 12.6.1945, Institut des Dames de Marie, S.V.R. IX, blz. 245 - Bull. 203, blz. 65; Brussel, 7.7.1947, VZW "Collège Notre Dame") .

Er bestaat geen noodzakelijk gebruik .... voor het onroerend goed in gebruik genomen door een schoolbestuurder, wiens aanwezigheid in de school niet ononderbroken moet zijn en die derhalve op een bepaalde afstand van die school kan wonen. Het zou anders kunnen zijn indien het een internaat betrof, waar de directeur zonder onderbreking dient aanwezig te zijn (Luik, 10.12.1952, "Les Oeuvres de Ste Walburge").

Zo de rechtspraak (Cass., 19.10.1948, Pas. 1948, 1, 581) terecht aanneemt dat de catechismusles en de recollecties onderwijsvormen van de katholieke godsdienst zijn, moet de verzoeker altijd in feite de bewijsmiddelen verstrekken om zijn beweringen in dit opzicht te staven (Brussel, 29.6.1959, VZW "Oeuvre Catholique Paroissiale de Montignies sur-Sambre").

Kan de bepalingen van art. 4, § 3, SWIB (art. 12, §1, WIB 92) niet genieten het gebouw gebruikt tot de inrichting van een openbare bibliotheek die geen deel uitmaakt van een onderwijsinrichting, niet wordt gebruikt tot de uitoefening van een eredienst en geen element vormt dat noodzakelijk is voor de goede werking van weldadigheidsinstellingen (Brussel, 6.3.1964, VZW "L'association des oeuvres paroissiales du doyenné de Boussu").

Art. 4, § 3, SWIB, (art. 12, §1, WIB 92) bepaalt noch het onderwerp, noch de duur van het onderwijs waaraan de niet-winstnajagende eigenaar, of een derde, zich moet wijden om van de grondbelasting op het onroerend goed waar dat onderwijs wordt gegeven vrijstelling te bekomen.

Hieruit volgt dat het systematische onderwijs van filosofische en morele doctrines de vrijstelling van de grondbelasting (thans OV) kan verantwoorden, indien de andere door de wet geëiste voorwaarden aanwezig zijn.

De tekst van de wet van 13.7.1930, die bij art. 4 van de genoemde gecoördineerde wetten een paragraaf 3 heeft gevoegd, doelt op het onderwijs in het algemeen. Er bestaat geen grond om de draagwijdte ervan te beperken tot sommige bepaalde scholen; het verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, nadat het nader heeft bepaald dat de wet de niet-winstnajagende eigenaar bevoordeelt en als voorbeeld de vrije en officiële scholen vermeld heeft, voegt erbij dat "de bepaling ruim moet worden opgevat" (Cass., 13.9.1966, VZW "Union et Philanthropie", Bull. 446, blz. 1880) .

Het onderwijs impliceert de werking van een leraar op een leerling, terwijl een bibliotheek alleen een verzameling van boeken is en de bibliothecaris er een aangestelde voor is, de bibliothecaris heeft door het gebruik van de catalogus te vergemakkelijken ingevolge de aanvragen van de scholieren in die hoedanigheid, alleen de aanvulling van hun onderricht vergemakkelijkt, doch daaruit volgt niet dat hij hun een onderwijs heeft verstrekt naar de betrekking "leraar-leerling"; dergelijke aanvulling van onderwijs is geen eigenlijk onderwijs, dat alleen vrijstelling geniet.

Art. 4, § 3, SWIB (art. 12, §1, WIB 92) dat uitzonderingen stelt op de regel waarbij alle onroerende goederen in de G.B. (thans OV) worden aangeslagen, maakt de vrijstelling afhankelijk van de voorwaarde dat de bedoelde onroerende goederen of gedeelten ervan onder meer "voor het onderwijs" worden bestemd.

Het woord "onderwijs" sluit een didactische activiteit in die door de onderwijzende persoon ten behoeve van de onderwezene wordt uitgeoefend.

Een verzameling boeken ter beschikking stellen van het publiek is op zich zelf geen onderwijs.

De bestemming voor het onderwijs moet weliswaar niet noodzakelijk rechtstreeks zijn, maar, om de vrijstelling op onroerende goederen of gedeelten ervan te kunnen toepassen, moeten deze goederen voor de goede werking van een onderwijsinrichting nodig zijn (Brussel, 21.11.1962, VZW "Openbare bibliotheek Sint-Henricus" bevestigd door Cass., 11.10.1966, Bull. 447, blz. 2114; Cass., 10.1.1968, VZW Interdiocesaan Centrum, Bull. 459, blz. 75).

d) Hospitalen, godshuizen, klinieken, dispensaria, vakantietehuizen voor kinderen of gepensioneerden of anderen soortgelijke weldadigheidsinstellingen

Hospitalen, godshuizen, klinieken, dispensaria

Nummer 253/42

Het hospitaal, of gasthuis, of ziekenhuis is "een inrichting ter verpleging van zieken en het gebouw daarvan" (Van Dale), "een inrichting waar zieken verpleegd worden" (Modern Woordenboek).

Nummer 253/43

De kliniek is de inrichting waar patiënten gratis of tegen betaling worden verpleegd en waar al dan niet geneeskundig onderricht wordt verstrekt.

Nummer 253/44

Het dispensarium is een zittingslokaal voor poli-klinische behandeling.

Nummer 253/45

Het godshuis is een liefdadigheidsgesticht waar ouden van dagen, wezen, zieken, enz., om godswil worden verpleegd (Van Dale).

Nummer 253/46

Er werd gevonnist dat het kenmerk van een godshuis daarin gelegen is, dat het een huis van gastvrijheid, van ontvangst is; dat het woord niet voorbehouden is aan de huizen waar gastvrijheid of ontvangst wordt verstrekt aan ouden van dagen of gebrekkigen; dat de oorspronkelijke betekenis bewaard blijft wanneer die ontvangst of gastvrijheid aangeboden worden aan reizigers, aan wezen, op voorwaarde dat deze werking ingegeven wordt door een geest van weldadigheid die ter zake niet wordt ontkend (Luik, 12.12.1957, VZW "Oeuvre de la protection de la jeune fille").

Vakantietehuizen voor kinderen of gepensioneerden

Nummer 253/47

Onder "vakantietehuizen voor kinderen of gepensioneerden" dienen te worden verstaan, de tehuizen, centra, instellingen, enz., waarin de kinderen of gepensioneerden tijdelijk verblijven om er hun vakantie door te brengen.

Nummer 253/48

Hoewel de parlementaire bescheiden alleen gewag maken van kinderen en van personen met een lange beroepsloopbaan, dient er voor de gepensioneerden, geen onderscheid te worden gemaakt tussen de ouderdomsgepensioneerden en de genieters van een pensioen wegens andere redenen, b.v. overlevingspensioen, invaliditeitspensioen, enz.

Nummer 253/49

De vrijstelling van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die, zonder winstbejag, tot dergelijke doeleinden worden besteed, wordt nochtans aan twee voorwaarden ondergeschikt gemaakt :

1° uitsluitende besteding van het goed of een deel van het goed als vakantietehuis;

2° het uitsluitend voorbehouden aan kinderen en/of gepensioneerden.

Nummer 253/50

Naar analogie van de voorschriften van 253/58 en 59 hierna (soortgelijke weldadigheidsinstellingen), mogen de lokalen en terreinen, die deel uitmaken van het vakantietehuis en onrechtstreeks voor de inrichting worden gebruikt, onder dezelfde voorwaarden worden vrijgesteld.

Nummer 253/51

De vrijstelling mag nochtans niet worden toegestaan :

- wanneer het tehuis afwisselend of terzelfder tijd wordt gebruikt voor vergaderingen of manifestaties met politieke, sociale, sportieve of andere aard, die vreemd zijn aan de werking van het tehuis;

- voor de inrichtingen, zoals familiepensions, rusthuizen, enz., waar de bejaarde personen niet werkelijk hun vakantie doorbrengen, waar zij in feite hun haard hebben, waar zij gedurende min of meer lange tijd wonen.

Nummer 253/52

Het feit dat de ouders van de kinderen die hun vakantie in het tehuis doorbrengen, toevallig, samen met hun kinderen in de inrichting verblijven, vormt geen beletsel voor het toekennen van de vrijstelling.

Soortgelijke weldadigheidsinstellingen

Nummer 253/53

De vrijstelling van het KI wordt ondergeschikt gemaakt aan de besteding van het onroerend goed of deel van onroerend goed tot sommige bijzondere doeleinden die de wet beperkend opsomt.

Nummer 253/54

De lokalen waar andere weldadigheidswerken gevestigd zijn mogen enkel vrijstelling genieten voor zover deze werken gelijkaardig zijn aan de in de wet opgesomde weldadigheidswerken.

Als andere gelijkaardige weldadigheidswerken dienen o.a. te worden beschouwd : de verplegingsinrichtingen, de wezenhuizen, de verbeteringshuizen, de krankzinnigengestichten, de kinderbewaarplaatsen, de lokalen voor consultatie voor kinderen (kinderwelzijn, e.a.) de erkende Gezondheidscentra en Centra voor Medisch Schooltoezicht respectievelijk opgericht in het kader van het KB 21.3.1961 (BS 24.3.1961) of van de W 21.3.1964 (BS 15.4.1964) en de dienstencentra als omschreven bij art. 1, KB 15.4.1977 (BS 28.5.1977).

Nummer 253/55

Daarentegen, mogen de directiekantoren van maatschappelijke werken, de lokalen gebruikt door arbeidsbeurzen of door plaatsingsburelen, de volksspijshuizen zonder winstbejag, de kosteloos voor iedereen toegankelijke badinrichtingen, de jeugdherbergen, de lokalen voor jeugdverenigingen (kajotters, jonge wachten), voor vakbonden en beroepsverenigingen, de schuthokken (toevluchtsoorden-dispensaria voor dieren), enz., niet worden vrijgesteld. Immers, de wet bedoeld welbepaalde weldadigheidswerken en niet de openbare diensten of diensten van algemeen nut.

Nummer 253/56

Een bureau voor voorzorgskas (ziekten, geneeskundige dienst, apotheekdienst, enz.) kan slechts worden gelijkgesteld met de bij de wet bedoelde lokalen, bestemd voor de inrichting van hospitalen, klinieken . . ., indien dat bureau deel uitmaakt van een tot deze laatste doeleinden gebruikt geheel.

Nummer 253/57

Een onthaalcentrum opgericht door een kliniek of een hospitaal en dat, al dan niet tegen vergoeding, slechts mag worden betrokken door familieleden van gehospitaliseerde zieken kan niet worden gelijkgesteld met de in de wet opgesomde instellingen.

Het betreft ter zake enkel een faciliteit van logies verschaft aan zekere personen waarvan de aanwezigheid niet is vereist in het raam van de ziekenhuisinstelling.

Nummer 253/58

De vrijstelling wordt toegestaan ten bate van de lokalen welke van het onroerend goed deel uitmaken, zelfs wanneer ze onrechtstreeks worden gebruikt voor het weldadigheidswerk, doch slechts voor zover ze, in dit laatste geval, noodzakelijk zijn voor het behoud, de goede werking of de uitbreiding van de instelling.

Nummer 253/59

Zo mag de vrijstelling worden verleend voor de lokalen welke worden gebruikt voor de verpleging van de zieken, de refters van het personeel, de slaapzalen van de personeelsleden wier aanwezigheid tijdens de nacht vereist is om de goede werking van de inrichting te verzekeren, de lokalen dienend tot woongelegenheid van de directeur der instelling voor zover die lokalen een integrerend deel uitmaken van de inrichting, de keukens, de voor de kledingstukken voorbehouden bewaarplaats, de kapel, de gangen, de spreekkamer, de bibliotheek, de zolders, de kelders, de ongebouwde percelen zoals de lusttuin, de binnenplaats noodzakelijk voor de ontspanning van de zieken en voor de verluchting.

De vrijstelling mag worden uitgebreid tot de lokalen van een dispensarium dienend tot huisvesting van de bejaarde zieke of gebrekkige personeelsleden, daar die lokalen wegens voormelde omstandigheid ingericht zijn als weldadigheidsinstelling in de zin van de wet.

Rechtspraak

Nummer 253/60

Het volstaat niet dat de niet-winstnajagende eigenaar van het onroerend goed een weldadigheidswerk verricht door kosteloos zijn goed ter beschikking te stellen van anderen en dit enkel ten bate en ten voordele van deze laatsten.

De loutere erkenning van het weldadigheidskarakter van een instelling is onvoldoende om het recht op vrijstelling wettelijk te rechtvaardigen. Inderdaad, er valt nog uit te maken of bedoeld weldadigheidswerk kan worden gelijkgesteld met de door de wet vermelde instellingen. De rechter ten gronde heeft soeverein en zonder tegenspraak kunnen beslissen dat een werk, dat geen ander doel heeft dan aan het personeel van een vennootschap na de werkuren ontspanning, vermaak of gezonde afleidingen te bezorgen, zonder analogie was met de inrichting van hospitalen, godshuizen, klinieken of dispensaria.

De doeltreffendheid van de belastingwetgeving zou worden aangetast door, zonder onderscheid, aan te nemen dat alle werken met sociale of filosofische strekkingen aan de belasting ontsnappen; ieder moreel of sociaal werk, dat met de christelijke beginselen overeenstemt, valt evenmin noodzakelijkerwijze onder de opsomming van de werken als bedoeld bij de wet (Cass., 22.12.1948, VZW "Eglise chrétienne missionnaire belge", Pas. 1948, I, 745; Brussel, 29.6.1959, VZW "Oeuvre catholique paroissiale de Montignies-sur-Sambre").

Een onroerend goed dat ter beschikking van onderwijzende, zieke of gepensioneerde, of ook nog herstellende kloosterzusters wordt gesteld, kan niet worden beschouwd te zijn gebruikt tot een "weldadigheidsinstelling". In werkelijkheid gaat het om een "rust- of ontspanningshuis" dat als zodanig niet binnen het raam van art. 8, WIB (art. 12, §1, WIB 92), valt (Luik, 23.2.1970, De Busschere, Marie Bull. 480, blz. 2008).

Een zonder winstoogmerken beheerde badinrichting kan, niettegenstaande het onbetwistbaar algemene nut ervan, niet als weldadigheidswerk met humanitair karakter worden beschouwd en dus niet als zodanig vrijstelling genieten (Luik, 24.12.1937, VZW Wetzlarbad, S.V.R., VII, blz. 377).

Art. 4, § 3, SWIB (art. 12, §1, WIB 92) is niet van toepassing op een herberg en openbare verwarmingszaal opgetrokken op gronden toebehorende aan de stad Antwerpen, omdat een winstinzicht aan de basis ligt der exploitatie en de gebouwen niet aangewend zijn tot een weldadigheidswerk (Brussel, 21.12.19~7, Brasserie Les Peupliers).

De vrijstelling dient te worden verleend voor het gedeelte van een onroerend goed dat wordt aangewend om er niet onder toezicht staande kinderen, die daar elke dinsdagnamiddag worden opgenomen, onder bewaking te stellen. In dit geval kan inderdaad worden aangenomen dat de betrokken instelling jegens de kinderen een doel nastreeft dat van dezelfde aard is als wat door de godshuizen voor de ouderlingen wordt gedaan.

Dit geldt niet voor de door het werk "Sint-Vincentius à Paulo" gebruikte lokalen: dit weldadigheidswerk biedt inderdaad geen overeenkomst met een der bij de wet bedoelde werken en die bestaan in de inrichting van hospitalen, godshuizen, klinieken en dispensaria (Luik, 24.12.1937).

Een naaikamer ingericht voor het vervaardigen van handwerken en van ornamenten voor de arme kerken mag niet worden gerangschikt onder de werken die aanleiding geven tot vrijstelling. De lokalen bestemd voor deze naaikamer en voor de huisvesting van de zusters, die er zich aan wijden, mogen dus niet worden vrijgesteld van bedoelde belasting (Cass., 19.10.1948, VZW "lnstitut de l'Adoration perpétuelle", Pas. 1948, 1, 581).

Een gebouw met appartementen ter beschikking gesteld van bejaarde dames-kostgangers mag de vrijstelling niet genieten, zo het niet bewezen is dat de als tegenprestatie gevorderde vergoedingen, wellicht behoudens uitzondering, zo gering zijn dat de terbeschikkingstelling van appartementen aan bedoelde personen moet worden beschouwd als een weldadigheidswerk of iets dergelijks, vallend onder de door verzoekster nagestreefde doeleinden.

Anderzijds kan de omstandigheid dat in geval van ziekte, de kostgangers worden verzorgd door de leden van de verzoekende vereniging, niet volstaan om aan dit gebouw het karakter van kliniek, hospitaal, dispensarium of godshuis toe te kennen (Brussel, 3.4.1950, VZW "Soeurs de la Charité de Jésus-Marie", bevestigd bij Cass., 12.12.1950, Pas. 1951, I, 220).

Het volstaat niet dat de statuten van een vereniging zonder winstoogmerk haar als voorwerp sommige activiteiten in een geest van weldadigheid toekennen opdat deze activiteiten het kenmerk van weldadigheidsinstellingen bekleden ten aanzien van art. 4, § 3, SWIB(huidig art. 12, §1, WIB 92)(Cass., 12.12.1950, VZW "Soeurs de la Charité de Jésus-Marie", Pas. 1951,1, 220).

Gebouwen ter beschikking gesteld van toneelverenigingen als feestzaal of van een scoutsgroep als vergaderzaal kunnen niet aangezien worden als zijnde aangewend voor gelijkaardige werken van liefdadigheid (Brussel, 25.2.1954, Hanocq Instituut).

De besteding van een gedeelte van een klooster tot kuur- en rusthuis voor vermoeide missionarissen kan niet worden gelijkgesteld met een der in de wet opgesomde bestemmingen om vrijstelling te genieten.

Zelfs wanneer het vaststaat dat de kloosterlingen, die de andere lokalen betrekken, ziek of oud zijn, dan zou hieruit niet kunnen worden afgeleid dat bedoeld gedeelte van het klooster een hospitaal, een godshuis, een kliniek of een dispensarium uitmaakt, de noodzakelijke inrichting eigen aan dergelijke gebouwen ontbreekt in dit geval en er verblijft bovendien geen enkel dokter in het klooster (Gent, 28.10.1953, "Missionnaires Oblats de Marie Immaculée").

Kan onder de soortgelijke weldadigheidsinstellingen worden ingedeeld de VZW die een activiteit zonder winstbejag uitoefent, en waarvan de gebouwen dienen om kinderen te herbergen die, alhoewel ze niet allen verzwakt zijn, toch allen een zeeluchtkuur nodig hebben vermits hun toelating twee voorafgaande geneeskundige onderzoeken vergt (Gent, 12.3.1963, VZW "Oeuvres de Santé de la Mutualité neutre").

Vrijstelling dient te worden toegestaan voor percelen (huis, tuin en broeikast) welke in gebruik zijn genomen door het personeel van een hospitaal, hetzij respectievelijk door de directeur de aalmoezenier de verpleegsters, de zusters, enz., daar die percelen in hun geheel nodig zijn om de goede werking van de inrichting te verzekeren en te handhaven (Brussel, 30.4.1940).

Vrijstelling van de grondbelasting dient te worden verleend voor al de beoogde percelen, die een huis, washuis, bergplaats, koer, tuin en boomgaard omvatten. De kloosterlingen houden zich bezig met "alle werken die rechtstreeks of onrechtstreeks de geestelijke, sociale, zedelijke, intellectuele verbetering van de bevolking beogen op basis van de principes der Rooms-katholieke kerk, met het onderricht, de vorming en de opvoeding van de jongelieden, met de uitoefening van de eredienst, zonder beperking", daarenboven zijn de kloosterlingen in de gemeente bekend voor hun bijzondere liefdadigheid door het verzorgen van de zieken, het inrichten van maaltijden voor de armen, enz.

Het bestendig karakter van deze activiteit laat toe te besluiten dat al de bovenvermelde goederen noodzakelijk en zelfs onmisbaar zijn voor de zending van de aanvragende vereniging.

Wat meer in 't bijzonder de koeren, tuinen en boomgaard betreft, deze kunnen, daar ze wandelplaatsen zijn, worden beschouwd als noodzakelijk voor de gezondheid van het personeel van de vereniging (Brussel, 18.12.1950, VZW "Frères Mineurs").

Geeft recht op de bij art. 4, § 3, SWIB bepaalde vrijstelling, de aanwending, door een VZW, die zich bezig houdt met onderling familiaal hulpbetoon, van een onroerend goed voor het bestuur, voor het secretariaat en voor de theoretische en praktische vorming van ploegen welke welwillend en kosteloos gezonden worden bij de personen of de families die tijdelijk in moeilijkheden verkeren en die om reden van hun beperkte inkomsten hun toevlucht niet kunnen nemen tot bezoldigde mede hulp (Luik, 20.3.1954, VZW "Service d'Entraide familiale").

Wegens de gastvrijheid die ze verleent, is de verzoekende vereniging te rangschikken onder de soortgelijke weldadigheidswerken als bedoeld bij de wet. Zij is verwant met de godshuizen die tehuizen zijn niet alleen voor bejaarde personen maar voor allen die hulp nodig hebben (Luik, 18.5.1962, VZW "Fonds national d'Entraide").

Het betwist onroerend goed dient voor de huisvesting van personen die zieken vergezellen gehospitaliseerd in de universitaire klinieken te Mont-Godinne; zulke aanwending is niet bedoeld in artikel 8, WIB ( art. 12, §1, WIB 92) en kan niet worden beschouwd alseen soortgelijke instelling als die in dit artikel worden opgesomd(Luik, 3.12.1986, VZW Solidarité Mutualiste chrétienne, Bull. 665, blz. 2.110).

Het onroerend goed dat, met het oog op hun maatschappelijke rehabilitatie wordt aangewend voor de huisvesting en de permanente vorming op sociaal, economisch, cultureel en religieus vlak van moreel verlaten jongeren, moet worden beschouwd als een godshuis in de zin van artikel 8, WIB ( art. 12, §1, WIB 92), zodat het kadastraalinkomen moet worden vrijgesteld Brussel, 13.3.1992, VZW Institut de l'Enfant-Jésus, Bull. 724, blz. 301).

e) Bezwaarschriften in verband met de vrijstelling

Nummer 253/61

Om de vrijstelling, zoals overigens de kwijtschelding of de vermindering van de OV te bekomen, moet de belastingschuldige, in beginsel, een regelmatig bezwaarschrift indienen overeenkomstig de regelen die van toepassing zijn inzake inkomstenbelastingen.

Inderdaad, de art. 366, 367, 371 en 372, WIB 92, zijn van algemene aard en worden overigens uitdrukkelijk van toepassing gemaakt op de vragen om kwijtschelding of vermindering van OV in de gevallen als bedoeld bij art. 257, WIB 92 (vermindering voor bescheiden woning, grootinvalide van de oorlog en gehandicapte persoon, kinderlast, onproduktiviteit, verlies of ontbreken van het genot van inkomsten). Art. 369, WIB 92, bepaalt inderdaad: "de bepalingen van de artikelen 366, 367, 371 en 372 zijn mede van toepassing op aanvragen om kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing in gevallen als bedoeld in artikel 257".

Nummer 253/62

Om geldig ingediend te zijn, moet elk bezwaarschrift dus :

- worden ingediend door de belastingschuldige van de OV;

- schriftelijk worden ingediend bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest waarin de aanslag werd gevestigd;

- met redenen omkleed zijn;

- op straffe van verval aan de voormelde ambtenaar worden gericht ten laatste op 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn nochtans minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet.

Voor de uitlegging van deze bepalingen dient men de commentaar op de art. 366 en 371, WIB 92, in acht te nemen.

Nummer 253/63

Hierbij zij opgemerkt dat een bezwaarschrift inzake OV mag worden ingediend met ingang van 1 januari van het belastingjaar en, derhalve, voor de inkohiering van de aanslag (Cass., 18.3.1946, NV Verreries belges, Pas. 1946,1, 110) (zie commentaar op art. 371, WIB 92).

III.ONROERENDE GOEDEREN BEDOELD IN ARTIKEL 231, 1°, WIB 92

A. ALGEMEEN

Nummer 253/64

Art. 231, 1°, WIB 92, bepaalt :

Op voorwaarde van wederkerigheid zijn vrijgesteld:

1° inkomsten van onroerende goederen die een vreemde Staat heeft bestemd voor de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden.

2° .......

3° .......

Nummer 253/65

De vrijstelling bedoeld in art. 231,1°, WIB 92, geldt slechts voor de BNV, maar art. 253, 2°, WIB 92 breidt ze uitdrukkelijk uit tot de OV.

Het is nochtans wel verstaan dat dit voordeel enkel mag worden verleend aan vreemde Staten die door België diplomatiek werden erkend en onder de hierna uiteengezette voorwaarden.

Nummer 253/66

Voor de inwerkingtreding van de W 20.11.1962 (V 1013), was het de gewoonte om, onder voorbehoud van wederkerigheid, vrijstelling toe te staan van de G.B. en de daarmede verbonden N.C.B. voor de onroerende goederen toebehorend aan vreemde regeringen en gebruikt door hun diplomatieke vertegenwoordigers.

Deze vrijstelling steunde niet op een wettelijke basis, doch werd toegestaan, onder voorbehoud van wederkerigheid, krachtens de principes van exterritorialiteit stilzwijgend toegepast in de betrekkingen tussen Staten.

Nummer 253/67

Art. 143 en 157, 2°, WIB, bekrachtigden aldus een feitelijke toestand in verband met de onroerende goederen van diplomatieke of consulaire zendingen. Het voerde bovendien een nieuwe grond tot vrijstelling in, namelijk de aanwending van onroerende goederen tot huisvesting van culturele instellingen die geen verrichtingen met winstoogmerk uitvoeren.

Deze artikels zijn de artikels 231, 1, ° en 253, 2°, geworden.

B. VOORWAARDEN

1. Wederkerigheid

Nummer 253/68

De ten gunste van een vreemde Staat bij art. 231,1° en 253, 2°, WIB 92, beoogde vrijstellingen wordt alleen toegestaan onder voorbehoud van wederkerigheid, d.w.z. op voorwaarde dat ons land in die Staat dezelfde voordelen geniet als die welke hij hem toekent.

2. Eigendom van de vreemde Staat

Nummer 253/69

Om vrijgesteld te zijn moeten de onroerende goederen eigendom zijn van de vreemde Staat.

De vrijstelling wordt bijgevolg geweigerd wanneer het gaat om een onroerend goed gehuurd door de vreemde Staat, zelfs voor de inrichting van zijn diplomatieke of consulaire diensten of voor culturele instellingen die zich niet wijden aan verrichtingen met winstoogmerk.

In dit verband heeft de Minister van Financiën voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers verklaard (Parl. Hand. - vergadering van 15.6.1962, blz. 67):

De vrijstelling bedoeld in art. 37, §3, 1°, a (W 20.11.1962 - V 1013), onder beding van wederkerigheid, beoogt enkel het inkomen van de grondeigendommen voor dewelke de vreemde Staat, bij ontstentenis van zodanige vrijstelling, de schuldenaar van de onroerende voorheffing zou zijn. Zijn dus uitgesloten de eigendommen, die hoewel zij de voorwaarden inzake hun bestemming verenigen, door de vreemde Staat in huur genomen worden, zelfs indien deze Staat, krachtens de huurovereenkomst, de last van de onroerende voorheffing moet dragen.

Nummer 253/70

In de Verdragen van Wenen inzake diplomatiek (W 30.3.1968, BS 6.6.1968, art. 23 en 24, van het verdrag) en consulair verkeer (W 17.7.1970, BS 14.11.1970, art. 32 en 49 van het verdrag) wordt bepaald dat de onroerende goederen die het hoofd van de zending of de diplomatieke of consulaire ambtenaar voor de rekening van accrediterende Staat (of Zendstaat) en ten behoeve van de zending verwerft, worden beschouwd toe te behoren aan de vreemde Staat, op voorwaarde dat in de akte van verwerving van de onroerende goederen duidelijk is bepaald dat de betrokkene in de voornoemde hoedanigheid handelt.

3. Gebruik van de onroerende goederen

a) Diplomatieke en consulaire zendingen

Nummer 253/71

Onder de onroerende goederen aangewend voor een diplomatieke of consulaire zending dienen te worden begrepen alle onroerende goederen (gebouwen of delen van gebouwen en belendende gronden) die worden gebruikt tot de doeleinden van de diplomatieke of consulaire zending (ambassades, gezantschappen, consulaten, enz.), met inbegrip van de verblijfplaats van het Hoofd van de zending of van het Hoofd van de beroepsconsulaire post.

b) culturele instellingen

Nummer 253/72

De vrijstelling is alleen verworven wanneer de culturele instellingen geen verrichtingen met winstoogmerk uitvoeren.

Het gaat hier om een in ieder geval afzonderlijk te beoordelen feitenkwestie.

C. DATUM WAAROP DE VRIJSTELLING EEN AANVANG NEEMT

Nummer 253/73

De vrijstelling van de inkomsten uit onroerende goederen, die aan een vreemde Staat toebehoren, is verworven zodra de bij art. 231,1°, WIB 92, gestelde voorwaarden vervuld zijn.

Nummer 253/74

Inzake OV is het evenwel de houder van het recht van eigendom, bezit, erfpacht, opstal of vruchtgebruik van net goed op 1 januari van het aanslagjaar, die de voorheffing verschuldigd is (155/712 tot 16).

Daaruit volgt dat, wanneer een vreemde Staat zich een onroerend goed aanschaft in de loop van een jaar, om het tot de doeleinden waarvan sprake in art. 231, WIB 92, aan te wenden, de vroegere eigenaar, bezitter . . . van het goed op 1 januari de enige belastingplichtige blijft van de OV voor dit jaar en dat de vrijstelling ten voordele van de vreemde Staat slechts kan worden verleend met ingang van 1 januari van het volgende jaar.

Geen enkele wetsbepaling veroorlooft te beweren dat de O.V moet worden verdeeld volgens de mutaties die zich in de loop van het jaar voordoen, zelfs indien het gaat om een onroerend goed verkocht aan een ambassade; in dit geval is de OV volledig verschuldigd door de eigenaar die op 1 januari de voorwaarden van aanslag vervulde en het inkomen is slechts vatbaar voor vrijstelling op grond van art. 231, 1°, WIB 92, vanaf 1 januari volgend op het jaar van de mutatie (Brussel, 24.4.1974, Leroy, René, Bull. 530, blz. 970).

Nummer 253/75

Het feit dat de vroegere eigenaar en de vreemde Staat bij overeenkomst hun werkelijke deelname regelen in de betaling van de OV betreffende het jaar van overdracht van het goed, kan niet tegen de Belgische Staat worden ingeroepen. De rechten van deze laatste worden uitsluitend bij de wet bepaald, en hij is trouwens geen partij in deze overeenkomst.

In dit geval zou het aandeel in de OV gedragen door de vreemde Staat, in zijnen hoofde niet de aard van belasting hebben doch wel die van een last rustend op het goed dat in zijn patrimonium is gekomen.

D. BEZWAARSCHRIFTEN IN VERBAND MET DE VRIJSTELLING

Nummer 253/76

De bepalingen van 253/61 tot 63 zijn toepasselijk op de bezwaarschriften betreffende de vrijstelling van het KI van de onroerende goederen die een vreemde Staat aanwendt tot de huisvesting van zijn diplomatieke of consulaire zendingen of van culturele instellingen die zich met geen verrichtingen van winstgevende aard bezighouden.

Om na te gaan of de voorwaarde van wederkerigheid vervuld is, moeten deze bezwaarschriften, voor beslissing, aan het hoofdbestuur worden voorgelegd.

IV. NATIONALE DOMEINGOEDEREN

A. WETTEKST

Nummer 253/77

Krachtens art. 253, 3°, WIB 92 wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing, het kadastraal inkomen van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk.

B. GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT

Nummer 253/78

Deze bepaling bekrachtigt een sedert lang bestaande regel van onze belastingwetgeving.

Inderdaad de wet van 3 frimaire jaar VII (23.11.1798) na, zoals de huidige wet, het principe van het belasten van alle grondeigendommen te hebben vastgelegd voorzag nochtans in een vrijstelling van de belasting voor de onroerende goederen die aan welbepaalde voorwaarden beantwoordden. Deze uitzondering sproot voort uit beschouwingen van algemeen belang. Genoten van de vrijstelling volgens de bewoordingen van art. 105 van de voormelde wet de "nationale onroerende goederen die niets opbrengen . . . en die bestemd zijn voor een nationale dienst".

Nummer 253/79

De drie essentiële en noodzakelijke voorwaarden om tot de niet-belastbaarheid te kunnen besluiten, werden achtereenvolgens overgenomen in art. 116, §1, KB 26.7.1877, houdende het reglement voor de bewaring van het Kadaster, en in art. 4, § 2, W 29.10.1919. dat art. 4, § 2, SWIB, en ten slotte art. 253, 3°, WIB 92, is geworden.

De eigendommen die aan de aanslag in de OV worden onttrokken zijn die welke tot het nationaal domein behoren, die voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden aangewend en waarvan de bestemming tot gevolg heeft dat ze niets opbrengen.

C. GENIETERS VAN DE VRIJSTELLING

Nummer 253/80

De belastingplichtigen in de rechtspersonenbelasting zijn praktisch de enige genieters van de vrijstelling waarin art. 253, 3°, WIB 92, voorziet.

Betreffende de eigendommen strekt de vrijstelling zich overigens uit, krachtens art. 221, 1°, WIB 92, tot de rechtspersonenbelasting.

D. VOORWAARDEN

Nummer 253/81

Opdat er vrijstelling van de OV zou zijn, moeten in verband met deze grondeigendommen de volgende drie voorwaarden samen vervuld zijn:

1° de aard van nationaal domein bezitten;

2° op zichzelf niets opbrengen;

3° gebruikt worden voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut.

1. 1ste Voorwaarde - Nationaal domein.

Nummer 253/82

Onder nationaal domein dient te worden verstaan al hetgeen aan de gemeenschap toebehoort, al hetgeen eigendom is niet alleen van de hele natie, maar ook van een aan deze laatste ondergeschikte overheid. De eigendommen van de Staat, van de provinciën of van de gemeenten, alsmede van de openbare instellingen, zijn nationale domeingoederen in de zin van art. 253, WIB 92 ( Zie advies openbaar ministerie voor Cass., 12.10.1954, Pas. 1955, I, 106.1).

Nummer 253/83

Zijn ter zake ook als nationale domeingoederen te beschouwen :

1° de eigendommen toebehorend aan instellingen die afhangen van een der vijf machten (Staat, Gemeenschappen, Gewesten, provinciën, gemeenten), zoals b.v. de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn en de kerkfabrieken. De gebouwen van deze instellingen zijn immers geen private eigendommen waarvan een particulier of een vennootschap het vrij genot zou hebben, doch zij behoren toe aan een gemeenschap waarvan de handelingen aan een openbare controle onderworpen zijn;

2° de eigendommen toebehorend aan maatschappijen, verenigingen, instellingen of organismen van publiek recht, die krachtens een uitdrukkelijke bepaling van hun oprichtingswet, gelijkgesteld zijn met de Staat voor de toepassing van de inkomstenbelastingen of vrijgesteld zijn van de inkomstenbelastingen of van elke aanslag op de inkomsten ten voordele van de Staat.

Hoewel die gelijkstelling of die vrijstelling werden opgeheven door art. 78, lid 2, W 20.11.1962 (V 1013) houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, mag de vrijstelling van OV inderdaad worden verleend krachtens lid 2 van dit artikel, aan de maatschappijen, verenigingen, instellingen of organismen die, voor het van kracht worden van deze wet, vrijstelling van grondbelasting genoten.

Het is o.a. het geval met de onroerende goederen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (art. 4 en 14, W 23.7.1926, gewijzigd bij W 1.8.1960) en van de Maatschappijen voor intercommunaal vervoer (art. 18, § 4, W 22.2.1961).

Nummer 253/84

De openbare instellingen zijn stichtingen die een openbare dienst ten doel hebben en, op initiatief van de openbare overheid, door een wet of krachtens een wet werden opgericht en een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten. Met andere woorden, zij spruiten voort uit de bijzondere juridische aanwending, door een openbare macht en voor een openbare dienst, van een patrimonium onderscheiden van het algemeen patrimonium van de openbare macht door wie de openbare instelling werd opgericht. Alhoewel zij organiek, technisch, administratief en financieel autonoom zijn, blijven de openbare instellingen onder voogdij en onder controle van de oprichtende openbare macht.

De openbare instellingen mogen niet worden verward met de instellingen van openbaar nut.

Deze zijn private stichtingen, opgericht door particulieren met de instemming van de regering; insgelijks met rechtspersoonlijkheid bekleed, beogen de instellingen van openbaar nut -met uitsluiting van het najagen van materieel voordeel- de verwezenlijking van een werk met een filantropisch, godsdienstig, wetenschappelijk, artistiek of pedagogisch karakter. Met andere woorden, zij spruiten voort uit de bijzondere juridische aanwending, door een particulier en voor een private onderneming of werk van algemeen belang, van een privaat patrimonium. De rol van de Staat beperkt zich, ten opzichte van deze instellingen, tot een eenvoudig recht van toezicht.

Nummer 253/85

Iedere openbare instelling die om de vrijstelling als bedoeld bij art. 253, 3°, WIB 92, verzoekt, moet het bewijs leveren dat een wet haar die hoedanigheid toekent.

Daarenboven kunnen andere maatschappijen of organismen de vrijstelling van de OV genieten, niet krachtens art. 253, 3°, WIB 92 doch ingevolge een bijzondere wet (zie 253/115 tot 117).

Nummer 253/86

Onder voorbehoud van de eventuele toepassing van art. 12, § 1, WIB 92 (zie 253/1) zal de OV integendeel worden geheven op het KI van de onroerende goederen die aan particulieren toebehoren, zelfs wanneer de eigenaars ervan ze kosteloos ter beschikking stellen van een dezer openbare instellingen om voor een dienst van algemeen nut te worden gebruikt (zie Gent, 4.4.1950, Parochiale Werken St. Antonius van Paduwa).

2. 2de Voorwaarde - Onproduktief zijn

Nummer 253/87

Het onroerend goed moet op zichzelf niets opbrengen.

Nummer 253/88

Het onproduktief zijn, waarvan sprake in de wet van frimaire (en thans in art. 253, 3°, WIB 92), is niets anders dan de ongeschiktheid van het onroerend goed om het voorwerp te zijn van een privatief genot vanwege de openbare dienst die er eigenaar van is. Deze ongeschiktheid vloeit bovendien niet voort uit de innerlijke aard van het onroerend goed maar wel uit de bestemming die eraan wordt gegeven.

"Het onroerend goed zal, volgens de geest van de fiscale wet, onproduktief zijn telkens en zolang het zal worden aangewend voor een dienst van algemeen nut, die binnen het raam valt van de wettelijke opdracht van de openbare instelling waaraan het toebehoort" (Luik, 25.5.1978, Fonds der schoolgebouwen van de Staat).

Nummer 253/89

Deze dienst moet niet noodzakelijk kosteloos werken. Met andere woorden, de vereiste onproduktiviteit moet niet volstrekt zijn: zij moet in die zin worden verstaan dat het onroerend goed niet in huur is gegeven. De tolgelden zijn geen huurprijzen zij hebben het karakter van retributies.

Nummer 253/90

De heer Advocaat-generaal Louveaux heeft als volgt het begrip van het onproduktief zijn bepaald in zijn advies dat het arrest dd. 1.12.1928 van het Hof van beroep te Brussel, inzake de stad Brussel, voorafgaat :

De rechten betaald door de huurders van kraampjes in de hallen en op de markten of uit hoofde van de toegang tot de Beurs zijn geen inkomsten die de stad uit deze onroerende goederen verkrijgt, maar zijn enkel retributies aan de goedkeuring van de bestendige deputatie onderworpen en in principe bestemd om de onderhoudskosten te dekken; deze belastingen hebben tot doel de stad te vergoeden niet alleen voor de onderhoudskosten der gebouwen maar vooral voor de kosten van verschillende aard (politie, boekhouding, schoonmaken der lokalen, enz.) veroorzaakt door de inrichting van de openbare dienst waarmede de stad, in haar hoedanigheid van bestuurlijke overheid, belast is.

Het is van weinig belang dat het bedrag van deze rechten het bedrag overtreft van bedoelde kosten en van de inrichtingsuitgaven die zij geacht worden te dekken, want indien zulks het geval was, zouden zij nog geen huurprijs zijn; in plaats van eenvoudige retributies te zijn, zouden zij echte belastingen worden . . . en niet de opbrengst van een verhuring, d.w.z. een inkomen. Welnu, de fiscus mag geen belastingen of taksen aan de inkomstenbelasting onderwerpen

De heer Advocaat-generaal Louveaux besluit dat een dergelijke belasting niet een eenvoudige schuldvordering is die uit een wilsakkoord tussen partijen is ontstaan: dat er geen huurovereenkomst is afgesloten tussen de stad en de personen die een plaats betrekken op de markten en in de beurzen en dat, ondanks het feit dat de gebruikte termen: huurrechten, staangelden, toegangsrechten, niet steeds geschikt zijn, deze rechten niet de opbrengst van een verhuring zijn, gevolg van een overeenkomst, maar enkel belastingen aan de stad verschuldigd in haar hoedanigheid van vertegenwoordigster van de openbare macht.

Nummer 253/91

Bijgevolg heeft het bestaan van dergelijke of gelijkaardige belastingen geenszins tot gevolg het onroerend goed produktief te maken, en blijft dit zonder invloed ten aanzien van de tweede voorwaarde gesteld door de wet.

Nummer 253/92

In dezelfde gedachtengang heeft de omstandigheid, dat de zieken slechts mits betaling in een openbaar hospitaal mogen verblijven, niet tot gevolg aan die inrichting het kenmerk van onproduktiviteit te doen verliezen.

Nummer 253/93

Daarentegen zijn de eigendommen van de Staat, van de provincies, van de gemeenten en van de andere openbare instellingen welke aan private personen zijn verhuurd krachtens een uit een wilsakkoord tussen partijen gesproten overeenkomst produktief, en kunnen zij bijgevolg niet worden vrijgesteld van de OV

Nummer 253/94

Deze principes worden bevestigd o.a. door het Hof van beroep te Brussel dat zich had uit te spreken omtrent de kwestie of de verwarmde kantines welke door een maatschappij op gronden, welke deel uitmaken van een openbaar domein van de stad, en met instemming van deze laatste opgericht en uitgebaat werden, aan de G.B. moesten worden onderworpen. Het Hof heeft beslist dat uit de overeenkomst waarbij de stad dergelijke toelating verleent, mits het storten van jaarlijkse sommen, een onroerend recht ontstaat en dat de aldus in concessie gegeven uitbating niet afhankelijk is van een openbare dienst door de wet aan de stad opgelegd in haar hoedanigheid van openbare macht. Dergelijke concessie dient gelijkgesteld met een huurceel van een gebouwde eigendom, vooral indien zij onder bezwarende titel werd toegestaan (arrest 21.12.1937, Brasserie Les Peupliers).

Hetzelfde Hof heeft beslist dat de dagbladkiosken, opgericht op de openbare weg, belastbaar zijn. De door de stad voor de verhuring van deze kiosken geïnde rechten mogen niet worden beschouwd als retributies in de zin van art. 77, 5°, van de gemeentewet, maar wel als een inkomen uit verhuring van eigendom en rechten in de zin van art. XI van genoemde wet (arrest 24.6.1936, Stad Brussel, Bull. 111, blz. 368).

3. 3de Voorwaarde - Gebruik voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut.

Nummer 253/95

Het onroerend goed moet voor een nationale dienst bestemd zijn; het moet het algemeen nut tot voorwerp hebben, m.a.w. het moet worden gebruikt voor diensten die tot nut van het algemeen werden ingericht en die de sociale gemeenschap, met uitsluiting van de afzonderlijke personen, ten goede komen. Van het ogenblik af dat het publiek wordt veroorloofd de voordelen der instellingen te genieten, is die voorwaarde vervuld; ze houdt op te bestaan en de OV is bijgevolg verschuldigd indien de toelating een voorrecht is of indien ze afhankelijk is van voorwaarden die door de wetten worden verworpen.

Nummer 253/96

Het is daarenboven vereist dat de openbare dienst of de dienst van algemeen nut, waarvoor het onroerend goed wordt gebruikt, in het kader valt van de wettelijke opdracht van de openbare instelling waartoe het behoort. Buiten haar wettelijke opdracht, houdt de openbare instelling op te handelen in haar hoedanigheid van orgaan van de openbare macht en is zij opnieuw aan het gemeen recht onderworpen.

Nummer 253/97

In dit verband werd als volgt gevonnist :

- de onteigening om redenen van openbaar nut impliceert geenszins dat de onteigende goederen ipso facto worden gebruikt voor de doeleinden als bedoeld bij art. 4, § 2, 3°, SWIB (thans art. 253,3°, WIB 92), hetgeen de bij die bepaling voorgeschreven vrijstelling zou meebrengen, want tot op het ogenblik van hun werkelijk gebruik tot een openbare dienst of een dienst van algemeen nut, behoren de onteigende gronden niet tot het openbare domein, maar tot het privé-domein van de onteigende macht (Gent, 9.12.1947, Stad Gent, S.V.R. IXIX, blz. 413 - Bull. 230. blz.150);

- zelfs wat de onroerende goederen betreft die het nationale domein vormen, kan de vrijstelling niet worden toegestaan zolang die goederen niet werkelijk ter beschikking van het publiek zijn gesteld, omdat zij tot op dat ogenblik behoren tot het privaat nationaal domein, dat het voorwerp kan zijn van privaat gebruik of van opbrengst van inkomsten (Luik, 29.6.1962, Bestendige Deputatie van de Provinciale Raad van de provincie Namen);

- de vrijstelling van OV bedoeld in art. 253, WIB 92, is niet afhankelijk van een effectieve gebruik van het goed voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut; de bestemming van het goed tot een dezer doeleinden volstaat.

De term "gebruikt", voorkomende in art. 157, WIB ( art. 253, WIB 92) werd ondoelmatig gekozen en heeft dezelfde draagkracht als het woord "besteed", vermeld in art. 12, §1, WIB 92 (Brussel, 7.12.1971, De provincie Antwerpen, Bull. 503, blz. 116).

- de vrijstelling van de OV, bedoeld in art. 157, WIB ( art. 253,3°, WIB 92) is afhankelijk van de vereniging van drie voorwaarden: de onroerende goederen moeten de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en gebruikt worden voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut.

- om gebruikt te worden voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut moeten de gebouwen aangewend worden voor diensten die tot nut van het algemeen worden verricht en die de sociale gemeenschap, met uitsluiting van afzonderlijke personen, ten goede komen.

Deze voorwaarde is in casu niet vervuld omdat rekwirante zelf toegeeft dat de betwiste gebouwen dienst doen als privé-woning voor douanebeambten en het is van weinig belang dat voornoemden deze gratis betrekken (Luik, 22.6.1989, De Regie der Gebouwen, Bull. 697, blz. 2454).

Nummer 253/98

Art. 4, § 2, SWIB, (art. 253, 3°, WIB 92) schept, ten voordele van de eigendommen die de drie wettelijke voorwaarden vervullen het, vermoeden juris et de jure dat die eigendommen, wegens hun aard van nationale domeingoederen, gebruikt tot een openbare dienst of een dienst van algemeen nut, uiteraard niet geschikt zijn voor privé-genot, noch om inkomsten op te brengen; daarenboven vloeit tegelijk voort uit de bedoelingen van de wetgever, en de overwegingen die hem hebben geleid en uit de algemene bewoordingen van de besproken wetsbepaling, dat de door de wet verleende vrijstelling van de grondbelasting, zich uitstrekt tot het volledige goed en dat, wat de aanslag in de grondbelasting betreft, ieder onderscheid tussen zijn verschillende delen uitgesloten is (zie Cass., 19.12.1950, Kamer der Notarissen van het arrondissement Antwerpen, Pas., 1951, I, 264).

Nummer 253/99

Daaruit volgt dat de vrijstelling van het inkomen der eigendommen (en niet van delen van die eigendommen) niet kan worden toegestaan indien ze, als een geheel beschouwd, niet gelijktijdig de drie door de wet gestelde voorwaarden vervullen.

Nummer 253/100

Een meer soepele toepassing van de wet door een onderzoek van de gestelde voorwaarden per delen van een kadastraal perceel is dan ook niet toegelaten.

Nochtans, om te voorkomen dat de toepassing van dit beginsel al te verstrekkende gevolgen zou hebben, mogen de vrijstellingsvoorwaarden uitsluitend in het geval van omvangrijke gebouwen die éénzelfde kadastraal perceel vormen en die technisch zo ontworpen en gebouwd zijn dat ze in afzonderlijke delen kunnen worden verkocht of verhuurd, worden beoordeeld per deel of delen, die door de Staat, de provincie, de gemeente of door een openbare instelling tot een openbare dienst of een dienst van openbaar nut worden gebruikt.

Nummer 253/101

Hoewel ze de aard van nationale domeingoederen bezitten, zijn de bossen en wouden, die aan de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten of de openbare instellingen toebehoren, steeds beschouwd geworden als niet bestemd tot een dienst van algemeen nut; ze konden dus de vrijstelling van de OV niet genieten.

Er werd niettemin gevonnist dat wanneer beboste percelen bestemd zijn, hetzij voor een landschapsterrein, hetzij voor een openbare groene ruimte, t.t.z. voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut, wat een echte bosexploitatie uitsluit, de vrijstellingen van OV mag toegestaan worden omdat het tegelde maten van de bestaande bossen niet als een doel op zich wordt beoogd, maar enkel als het accessorium - ten andere niet renderend- van de verrichtingen tot behoud van de natuur waarvan zij het hoofddoel uitmaken en omdat vermelde bossen daardoor onbeschikbaar en improduktief zijn (Luik, 23.5.1990, Région wallonne, Bull. 726, blz....).

E. NIET BEPERKENDE OPSOMMING

Nummer 253/102

Voor zover ze gelijktijdig aan de drie voorwaarden gesteld door art. 253, 3°, WIB 92, voldoen, zijn de inkomsten van de volgende goederen vrijgesteld van de OV:

1° de koninklijke paleizen, kastelen en gebouwen, het paleis van de Senaat en van de Kamer der Volksvertegenwoordigers, de gebouwen bestemd voor de huisvesting van de ministers en voor de kantoren van de openbare besturen;

2° de woongelegenheden welke sommige openbare instellingen kosteloos of tegen een vergoeding, betaald in de vorm van inhouding op de wedde of anderszins, en die klaarblijkelijk niet het karakter heeft van een huurprijs op grond van een uit een wilsakkoord tussen partijen gesloten overeenkomst, ter beschikking stellen van ambtenaren of beambten, in dienst van openbare besturen, wanneer deze woongelegenheden moeten worden beschouwd als zijnde bestemd voor een dienst van algemeen nut, d.w.z. wanneer één van de twee hiernavolgende voorwaarden vervuld is:

- als de betrokken openbare instellingen krachtens een wettelijke bepaling ertoe gehouden zijn de woongelegenheid ter beschikking te stellen van de ambtenaren of beambten;

- als het lokalen betreft waar leden van het personeel verblijf moeten houden om de goede gang van een dienst te verzekeren.

Zulks is namelijk het geval

a) voor de woongelegenheden van de hoofden der middelbare onderwijsinstellingen van de Staat;

b) voor de aan de Staat toebehorende militaire gebouwen of delen van militaire gebouwen waarvan de militaire overheid getuigt dat zij, overeenkomstig de militaire wetten en reglementen, worden betrokken door gebruikers wier tegenwoordigheid ter plaatse tevens beantwoordt aan de vereisten der landsverdediging;

c) de huizen en hun aanhorigheden (bergplaatsen en tuinen) door de boswachters in gebruik genomen.

Het is daarentegen bij ontstentenis van een aanwending voor een dienst van algemeen nut en omdat geen van beide voornoemde waarden vervuld is dat b.v. als belastbaar worden beschouwd: de woning van de bestuurder of opzichter van een gemeentelijke schietbaan; de gebouwen dienend tot woning van kapelaans, grafmakers, evenals van hospitaalaalmoezeniers;

3° de kerken en tempels bestemd voor het uitoefenen van een openbare eredienst;

4° het aartsbisdom, de bisdommen, de seminariën en de pastorijen.

De door de bedienaars van hulpkerken betrokken woningen worden voor de vrijstelling van de OV met de pastorijen gelijkgesteld.

Het is niet het geval met de huizen van de onderpastoors, ongeacht de eigenaar ervan (doch eventueel toepassing van art. 12, §1, WlB 92).

De bisschoppelijke seminariën, met uitsluiting van de bisschoppelijke onderwijsinrichtingen, kleine seminariën genaamd, kunnen de bij art. 4, § 2, SWIB, voorziene vrijstelling genieten (thans vrijstelling van OV, art. 253, WIB 92 doch eventueel toepassing van art. 12, §1, WIB 92) (Cass. 4.12.1865, Bogaerts; Brussel, 18.12.1946, Aartsbisschoppelijk seminarie te Mechelen).

5° de gebouwen door de hoven en rechtbanken in gebruik genomen;

6° de militaire school, de hogescholen, de athenea, colleges, scholen, bibliotheken, musea, kruidtuinen, voor zover zij toebehoren aan de Staat, aan de provincies, aan de gemeenten, aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of aan de kerkfabrieken.

De in de schoolgebouwen opgenomen woonhuizen die het eigendom zijn van de gemeenten, en waarvan het genot aan de onderwijzers wordt gelaten, moeten als een aanhorigheid van de gemeentescholen worden beschouwd en dienen uit dien hoofde de vrijstelling te genieten;

7° de provinciale gouvernementsgebouwen, de gemeentehuizen;

8° de gevangenissen, de tuchthuizen en de wederopvoedingsgestichten, de bedelaarsgestichten;

9° de gebouwen toebehorend aan de gemeente of aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wanneer zij kosteloos door behoeftigen worden gebruikt;

10° de gebouwen of paviljoenen dienend tot ontspanningshuis of verwarmde rustplaats voor gepensioneerden en toebehorend aan de gemeenten of andere openbare machten;

11° de terreinen toebehorend aan de Staat en bij koninklijk besluit aangeduid als deel uitmakend van de natuurreservaten, met uitzondering van de beboste percelen;

12° de versterkingen, de arsenalen, magazijnen, kazernen en andere militaire instellingen (zie 2°, b, hierboven);

13° de buskruitfabrieken en andere fabrieken voor rekening der regering;

14° de gebouwen die onafscheidelijk deel uitmaken van de exploitatie der Nationale Maatschappij van de Belgische Spoorwegen en van de maatschappijen voor intercommunaal vervoer beheerst door de wetten van 17.6.1953 en 22.2.1961.

Zullen, voor de toepassing van art. 253, WIB 92, worden beschouwd als zijnde gebruikt voor een openbare dienst en op zich zelf niets opbrengend, niet alleen de goederen die rechtstreeks dienstig zijn voor de exploitatie zoals het bodemvlak van de spoorwegen, de stations, de magazijnen, de bergplaatsen, de garages, de bewaarplaatsen voor materieel, de werkplaatsen, de kantoren, enz... maar ook de goederen, zelfs wanneer zij buiten de omheining van de spoorweg gelegen zijn, die, binnen het raam van de activiteit van de uitbaatster van het spoorwegnet, door haar, zelfs tegen vergoeding, ter beschikking van derden worden gesteld om er een bepaald gebruik van te maken dat uitsluitend verband houdt met de exploitatie van het spoorwegnet en, inzonderheid, om aan de gebruikers van de spoorweg de diensten te verstrekken die een uitbater normaal aan zijn klanten bezorgt.

Het is namelijk het geval met de volgende binnen de stations gelegen goederen:

a) de buffetten, drankzalen en kapperssalons;

b) de krantenkiosken;

c) het lokaal dat ter beschikking wordt gesteld van een wisselagent, om er zijn verrichtingen van geldwissel te doen;

d) het lokaal dat ter beschikking wordt gesteld van een openbaar of privaat organisme om aan de reizigers toeristische inlichtingen te verstrekken;

e) het lokaal dat ter beschikking wordt gesteld van het Rode Kruis of van een werk voor hulpverlening aan de reizigers (vluchtelingen, alleenstaande jonge meisjes, enz.);

f) de goederen die uitsluitend dienen voor de voorlopige bewaring van te laden of geloste waren, welke ook de duur van het contract zij. Voorbeelden: depot voor kolen die per wagon toekomen en los of in zakken op vrachtwagens worden geladen; depot voor boomstammen die op wagons moeten worden geladen, zelfs zo zij ter plaatse in stukken worden gezaagd;

g) de terreinen die enkel als bodemvlak voor een verbindingslijn dienen (zelfs zo deze verbinding buiten de omheining van het station gelegen is).

Dienen daarentegen niet te worden beschouwd als zijnde gebruikt voor een openbare dienst en zijn derhalve belastbaar, de goederen, zelfs binnen de omheining van het station gelegen, die in huur worden gegeven aan personen die er een persoonlijke activiteit uitoefenen, onafhankelijk van het spoorwegverkeer, zelfs wanneer het huurcontract het gebied van hun activiteit beperkt (b.v. hun deze of geen bedrijvigheid verbiedt).

Zijn dus belastbaar:

a) de lokalen die met een handelsoogmerk worden verhuurd (winkels of zalen voor tentoonstelling) binnen de stations of op straat (b.v. voor de verkoop van bloemen, souvenirs, enz.);

b) de gebouwde of ongebouwde goederen die worden verhuurd aan een industrieel voor een ander gebruik dan het eenvoudig laden en lossen van waren (voorbeelden: huurder die ter plaatse de geloste of te laden goederen doet bewerken, zoals de fabricatie van betonnen voorwerpen, het hakken of het zagen van boomstammen in balken, planken, enz. . .; huurder die op het terrein een opslagplaats voor goederen opricht, die door de noodwendigheden van het spoorwegverkeer niet wordt gevergd; huurder die op het terrein een verkoopkantoor inricht);

c) de gebouwen die als woning dienen voor personen die niet tot het personeel van de maatschappij behoren.

Wat de woningen betreft (met hun bijhorigheden) die door bedoelde maatschappijen ter beschikking van hun personeel worden gesteld, zoals de wachthuizen en de lokalen welke tot woning van de stationchefs dienen, moet worden aangenomen dat deze voor een openbare dienst worden gebruikt en op zich zelf niets opbrengen en dus niet belastbaar zijn, indien de maatschappij verklaart dat de aanwezigheid van het personeelslid in dit onroerend goed noodzakelijk is voor de dienstaangelegenheden, ongeacht de vergoeding die aan de bewoner wordt gevraagd. Daarentegen is de OV verschuldigd voor de onroerende goederen die zonder nut geworden zijn voor de exploitatie en die in huur worden gegeven aan een personeelslid van die maatschappijen.

Zijn eveneens belastbaar in de OV de overschotten van grondinnemingen die ter beschikking gebleven zijn van voornoemde maatschappijen en die gelegen zijn buiten het eigenlijk spoorwegnet of buiten de omheining der stations behalve wanneer zij te beschouwen zijn als "voor een openbare dienst gebruikt en op zich zelf niets opbrengend" in de zin van de hierboven verstrekte richtlijnen;

15° de goederen -andere dan die bedoeld onder 14° hierboven die onafscheidelijk deel uitmaken van een net in concessie gegeven voor een dienst van openbaar nut aan een maatschappij voor gemeenschappelijk vervoer (buurtspoorweg, tram, trolleybus, autobus) wanneer de volgende voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn:

a) de goederen zijn bestemd voor de exploitatie van het net;

b) luidens de bewoordingen van de verleende concessie moeten de goederen bij het einde der concessie terug het eigendom worden van de openbare machten, zelfs indien zulks onder bezwarende titel geschiedt;

c) de goederen zijn niet in huur gegeven.

Het feit dat ze, door hun aanwending met het oog op de exploitatie, ertoe bijdragen aan de concessiehouder financiële voordelen te verschaffen -andere dan een huurinkomen- is niet van aard de goederen waarvan sprake van het recht op het voordeel van de bedoelde vrijstelling te beroven, wanneer deze goederen noodzakelijk zijn om de werking van het net te verzekeren.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, mogen dus op grond van art. 253, WIB 92, worden vrijgesteld: de maatschappelijke zetel, de burelen, de fabrieken, de bewaarplaatsen, de werkplaatsen, de stations, de magazijnen, de bergplaatsen. de garages, de electrische kabienen, de woningen der stationchefs (zelfs als zij buiten de omheining van de stations gelegen zijn), de wachthuizen, de schuilplaatsen, de luifels (afdaken) of delen van luifels welke tot beschutting dienen van de gebruikers of van het personeel van de exploitatie, enz. . .

Zijn integendeel belastbaar:

- de kiosken of delen van kiosken in huur gegeven voor de verkoop van dagbladen of andere produkten, evenals alle andere goederen door de concessiehoudende maatschappij in huur gegeven;

- de overschotten van grondinnemingen ter beschikking gebleven van de concessiehouders en buiten het eigenlijke net of de omheining der stations gelegen;

- de private spoorwegen waarvan de aanleg werd toegestaan of zal worden toegestaan ten dienste van kolenmijnen of andere nijverheidsexploitaties;

16° de scheepvaartkanalen die tot het openbaar domein behoren of voor algemeen nut in concessie worden gegeven, de gekanaliseerde rivieren evenals de aanhorigheden van deze kanalen en rivieren, zoals bermen en trekwegen: de straten, openbare plaatsen, kruispunten, openbare fonteinen, de openbare pleinen dienend voor kermissen en markten, de bruggen, de grote lanen, de buurtwegen, de openbare wandelwegen, de lanen, de rivieren, de meren (deze goederen worden trouwens niet gekadastreerd);

17° de huizen van sluismeesters, bruggen- en dijkwachters, evenals de aan deze constructies palende tuinen en gronden; de magazijnen en andere gebouwen evenals werktuigen bestemd tot de exploitatie van gekanaliseerde rivieren en van de scheepvaartkanalen toebehorende aan het openbaar domein of in concessie gegeven voor algemeen nut;

18° de onroerende goederen van de gemeenten en provincies, zelfs wanneer ze worden aangewend voor een niet-kosteloze dienst, indien de erin gevestigde diensten van openbaar nut zijn d.w.z. indien zij tot nut van het algemeen werden ingericht en de sociale gemeenschap, met uitsluiting van de afzonderlijke personen, ten goede komen. Het is o.m. het geval met de gasfabrieken en de electriciteitscentrales, de watervoorzieningen, de vismarkten, de overdekte markten, de openbare beurzen, de schouwburgen de lokalen van de liefdadigheidsgestichten, de hospitalen, de slachthuizen, de hallen, de vishallen, de opslagplaatsen, de handelsbeurzen, de badinrichtingen, de openbare pandhuizen, de gemeentezalen welke over het algemeen dienen voor het houden van voordrachten of openbare vergaderingen, van prijsuitdelingen, enz., zelfs wanneer zij bij uitzondering ter beschikking worden gesteld van maatschappijen of gezelschappen die er enigerlei schouwspel vertonen; de dokken die aan de gemeenten toebehoren en door een stroom worden gevoed; de onroerende goederen van de gemeenten aangewend voor het bergen van lijkkoetsen en deze bestemd voor de reinigingsdienst van de straten;

19° de percelen die het voorwerp zijn van een inbezitneming voor algemeen nut waartoe door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten of de openbare besturen wordt overgegaan, wanneer deze percelen op zichzelf niets opbrengen en indien zij definitief worden gebruikt voor de openbare dienst of voor de dienst van algemeen nut waartoe zij bestemd zijn.

Hetzelfde geldt voor de percelen of gedeelten van percelen die het voorwerp van geen enkele akte van afstand hebben uitgemaakt, maar die werkelijk bij de openbare weg zijn ingelijfd, d.w.z. waarvan de gemeente op duidelijke wijze bezit heeft genomen door er werken van bestrating, van aanleg van rioleringen, van verlichting of van onderhoud uit te voeren.

De percelen door een gemeente verkregen tengevolge van een onteigening om reden van algemeen nut, kunnen niet worden vrijgesteld zolang de door art. 253, WIB 92, gestelde voorwaarde niet is vervuld (zie nr. 253/97);

20° de waterlopen, kanalen of grachten die aan een bestuur van de Wateringen of van de Polders toebehoren.

Wateringen zijn openbare besturen, buiten de polderzones ingesteld met het oog op het tot stand brengen en handhaven binnen de grenzen van het territoriaal gebied, van een voor landbouw en hygiëne gunstige bewatering, en met het oog op de beveiliging van de grond tegen watersnood (art. 1, W 5.7.1956).

Polders zijn openbare besturen, ingesteld met het oog op de instandhouding, drooglegging en bevloeiing van de ingedijkte gronden die op de zee en de aan het getij onderhevige waterlopen zijn veroverd (art. I, W 3.6.1957);

21° de onroerende goederen van de Kamers van Ambachten en Neringen die zij voor het vervullen van hun opdracht nodig hebben.

DATUM VAN INWERKINGTREDING VAN DE VRIJSTELLING

Nummer 253/103

Daar de OV is gevestigd wordt op het KI zoals dit werd vastgesteld op 1 januari van het belastingjaar (zie art. 255, WIB 92), is het op deze datum dat de onroerende goederen aan de bij art. 253, 3°, WIB 92, bepaalde voorwaarden moeten voldoen om de vrijstelling te genieten.

Nummer 253/104

Er kan dus voor een onroerend goed, dat in de loop van een jaar aan de gestelde voorwaarde voldoet, slechts aanspraak worden gemaakt op het voordeel van de vrijstelling van de OV vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de datum waarop er gelijktijdig aan de vereisten werd voldaan (zie nr. 253/3).

Nummer 253/105

Het komt nochtans voor dat een onroerend goed, aangekocht door de Staat, een Gemeenschap, een Gewest, een provincie, een gemeente of een openbare instelling, niet onmiddellijk wordt gebruikt voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut waarvoor het bestemd is, b.v. omdat de installatie van de diensten die het moeten betrekken een vertraging onderging of omdat het goed vooraf wijzigingen moet ondergaan. In dit geval mag de vrijstelling worden verleend met terugwerkende klacht vanaf 1 januari van het jaar tijdens hetwelk het voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut in gebruik werd genomen, voor zover op deze datum het onroerend goed reeds aan de Staat, aan de provincie, aan de gemeente of aan de openbare inrichting toebehoorde en tussen dezelfde datum en deze waarop de bedoelde ingebruikneming werkelijk een aanvang nam, het goed niets heeft opgebracht en voor geen andere bestemming werd aangewend. Dit zou eveneens het geval zijn indien, tijdens bedoelde tijdperk, het gebouw gedeeltelijk werd in gebruik genomen door een huisbewaarder of door personeel belast met het toezicht op het onroerend goed (zie 253/4).

G. INSCHRIJVINGEN IN DE KADASTRALE LEGGER

Nummer 253/106

De inschrijving, in de kadastrale legger, van de vrijgestelde percelen gebeurt met inachtneming van het volgende onderscheid :

- de oppervlakte van gezegde percelen wordt met rode inkt ingeschreven;

- hun inkomen wordt vervangen door de vermelding "N.B." aangebracht met dezelfde inkt.

- het totaal van het artikel vermeldt afzonderlijk in rode inkt het totaal van de oppervlakten van de voornoemde percelen.

H. PROCEDURE OM DE VRIJSTELLING TE BEKOMEN

1. Algemeen

Nummer 253/107

De bepalingen van de nrs. 253/61 tot 67 zijn mutatis mutandis van toepassing op de bezwaarschriften in verband met de vrijstelling van OV betreffende de onroerende goederen bedoeld in art. 253, 3°, WIB 92

2. Bijzonderheden

Nummer 253/108

De vrijstelling(en) van de OV, op grond van art. 253, 3°, WIB 92, moet(en) worden gevraagd in de vormen en binnen de termijnen voorgeschreven bij de art. 366 en 371, WIB 92 die van algemene toepassing zijn.

3. Aanvragen welke rechtstreeks bij de diensten van het kadaster werden ingediend

Nummer 253/109

Elke door belastingplichtigen aan de administratie van het Kadaster gerichte aanvraag tot het bekomen van de vrijstelling van de OV, op grond van art. 253,3°, WIB 92 moet het voorwerp uitmaken van een verwerping door het verzenden, per kerende post, van een antwoord; dit vestigt de aandacht van de betrokkene op het feit dat de aanvraag geen bezwaar uitmaakt in de zin van artikel 366, WIB 92 en dat het hem toebehoort, teneinde zijn eventuele rechten dienaangaande te vrijwaren, een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde directeur der directe belastingen, in de vormen en, uiterlijk, binnen de termijnen voorgeschreven bij de artikelen 366 en 371, WIB 92.

4. Bezwaarschriften ingediend bij de directeur der belastingen

Nummer 253/110

Deze bezwaarschriften worden niet in mededeling aan de ontvanger gestuurd. Maar opdat deze over de gegrondheid van de vragen om uitstel van betaling zou kunnen oordelen, wordt hij, door een gewoon bulletin, in kennis gesteld van de datum van het bezwaarschrift, het inschrijvingsnummer van de directie, evenals van de hoofdgegevens van het bezwaarschrift, zoals gemeente, aanslagjaar, kohierartikel, de bedoelde onroerende goederen of delen daarvan.

Terzelfder tijd wordt hij uitgenodigd, per omgaande en aangaande elke in het bezwaarschrift beoogde aanslag mededeling te geven van: het kohierartikel, het artikel van de kadastrale legger, het bedrag van de OV en de data van de uitvoerbaarverklaring van het kohier en van het verzenden van het aanslagbiljet.

Het antwoord wordt bij het bezwaarschrift gevoegd en met dit laatste, voor onderzoek aan de administratie van het kadaster toegezonden.

Eventueel wordt vermeld dat voor een of ander bepaald aanslagjaar het bezwaarschrift ontvangen werd buiten de termijnen beoogd bij art. 371, WIB 92

De Administratie van het kadaster deelt haar conclusies mede in de vorm van een gemotiveerd verslag. De directeur der belastingen beslist op de gewone wijze om de belastingplichtige toe te laten zijn rechten voor het Hof van beroep te laten gelden. Hij stuurt een afschrift van zijn beslissing aan de administratie van het kadaster.

V. BIJZONDERE VRIJSTELLING EIGEN AAN HET VLAAMSE GEWEST

A. INWERKINGTREDING

Nummer 253/111

Het 1°bis en het 1°ter van art. 157, WIB, zoals zij werden ingevoerd door art. 103 van voormeld decreet (z.253/0, B), treden respectievelijk in werking op 1 januari 1991 en op 1 januari 1992 (art. 104 van het decreet).

B. OPHEFFING

Nummer 253/112

Er weze opgemerkt dat met het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 februari 1991 waarvan sprake hiervoor (253/0, B), het gelijknamige besluit van de Vlaamse Executieve van 27 februari 1991 wordt bedoeld. Beide besluiten werden opgeheven en vervangen door het besluit van de Vlaamse Executieve van 25 november 1992 (B.S. 10.2.1993) houdende de regels en bedragen inzake de tegemoetkoming in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor de bouw, aankoop, inrichting en ingebruikname van voorzieningen voor bejaarden.

C. VOORWAARDEN

Nummer 253/113

Overeenkomstig de nieuwe wettelijke bepalingen moeten de in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goederen of delen van onroerende goederen en waarvan het kadastraal inkomen van OV kan worden vrijgesteld aan de volgende voorwaarden voldoen:

- zij moeten worden aangewend tot de doeleinden voorzien door een openbare administratie of door een belastingplichtige die geen enkel winstbejag nastreeft;

- zij moeten worden uitgebaat door de volgende rechtspersonen: de ondergeschikte besturen, de verenigingen zonder winstoogmerk en de instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921 (cf. art. 5, § 1, van het decreet van 5 maart 1985 houdende regeling van de erkenning en subsidiëring van voorzieningen voor bejaarden -BS 30.8.1985- gewijzigd door de decreten van 13 april 1988 - BS 10.5.1988 - en van 20 februari 1991 - BS 6.3.1991);

- zij moeten worden erkend door de Vlaamse Executieve als bejaardenvoorziening zoals voorzien in art. 5 van voormeld decreet van 5 maart 1985.

Daarenboven zal ingeval van financiële leasing waarvan sprake in art. 157, 1°ter, WIB, ( art. 253, WIB 92) het leasingcontract tenminste moeten voldoen aan de voorwaarden bepaald in art. 8 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 25 november 1992 (BS 10.2.1993) houdende de regels en bedragen inzake de tegemoetkoming in de kosten van huurkoop of leasing of prefinanciering voor de bouw, aankoop, inrichting en ingebruikname van voorzieningen voor bejaarden

D. PROCEDURE

Nummer 253/114

Indien hij van deze vrijstelling wil genieten, moet de belastingschuldige een regelmatig bezwaarschrift indienen overeenkomstig de regels van toepassing inzake de inkomstenbelasting. Dit bezwaarschrift moet ieder jaar, zolang als de OV wordt ingekohierd, worden hernieuwd.

Het onderzoek naar de voorwaarden waarvan sprake sub C hiervoor ( z. 253/113) behoort tot de bevoegdheid van de Administratie van de directe belastingen en het moet steeds worden uitgevoerd voor de eventuele verzending van het dossier aan de Administratie van het kadaster.

Het onderzoek naar de voorwaarde van aanwending van het onroerend goed wordt uitgevoerd door tussenkomst van de gewestelijke directeur van het kadaster. Deze ambtenaar zal het resultaat van zijn onderzoek meedelen aan zijn collega der directe belastingen.

VI. VRIJSTELLINGEN KRACHTENS BIJZONDERE WETTEN

A. GRONDBEGINSELEN

Nummer 253/115

Zoals onder 253/85 is gezegd, kunnen sommige organen, maatschappijen, verenigingen of andere instellingen, krachtens bijzondere wetten (o.a. die hun oprichting regelen), op de onvoorwaardelijke vrijstelling van de OV aanspraak maken. In deze gevallen zijn al de goederen die aan deze organismen toebehoren, of tenminste die welke uitdrukkelijk in deze wetten worden vermeld, als niet-belastbaar te beschouwen zonder dat er dient te worden onderzocht of aan de drie voorwaarden, gesteld voor de toepassing van art. 253, 3°, WIB 92, is voldaan.

Nummer 253/116

Er valt op te merken dat de maatschappijen, organismen, enz., die, ingevolge een bijzondere wet, van de grondbelasting waren vrijgesteld, krachtens art. 78, lid 2, van de wet van 20.11.1962, V 1013, automatisch deze vrijstelling behouden wat de OV betreft.

Nummer 253/117

1° De term "bestemd" gebruikt in de wetten die ten voordele van sommige organismen de vrijstelling van de OV verlenen dient in dezelfde zin als bedoeld in de artikelen 12, §1, en 253, WIB 92 te worden geïnterpreteerd;

2° Er dient dus te worden nagegaan of er uitsluitend rechtstreeks of onrechtstreeks is voldaan aan de wettelijke bestemmingsvoorwaarde en het goed noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken, zonder dat er verder dient onderzocht te worden of het effectief gebruikt of aangewend wordt voor het gestelde doel;

3° Er dient nochtans te worden uitgemaakt of, benevens de bestemming die voldoet aan de wettelijke bestemmingsvoorwaarde, aan het goed niet tevens een andere bestemming gegeven werd. In dit laatste geval kan, ten aanzien van het beginsel dat elke belastingvrijstelling beperkend dient te worden geïnterpreteerd, geen vrijstelling worden toegekend;

4° De goederen door middel van aankopen tot algemeen nut verkregen voor de door de wet voorziene doeleinden worden, behoudens tegenbewijs waaruit een andere bestemming blijkt, geacht die bestemming te bezitten en te behouden zolang zij in de onderneming geïntegreerd blijven. Dat tegenbewijs kan in de praktijk blijken uit een door het organisme toegestane:

- verhuring;

- verpachting;

- gratis gebruik;

- uitbating voor andere doeleinden.

B. NIET BEPERKENDE OPSOMMING

Nummer 253/118

1° De Nationale Maatschappij der Waterleidingen (W 26.8.1913, gewijzigd bij de W 18.5.1929 en 16.3.1957) en de verenigingen van gemeenten en van bijzondere personen voor het tot stand brengen van een watervoorzieningsdienst beheerd bij de W 18.8.1907 gewijzigd bij de W 18.5.1929 en 16.3.1957: vrijstelling van iedere belasting ten bate van de Staat, alsmede van alle provinciale en gemeentelijke belastingen uit hoofde van de onroerende goederen aangewend tot de instelling of de exploitatie van de waterleidingdiensten;

2° de Verenigingen van Gemeenten (met eventuele deelname van particulieren) tot algemeen nut (Wet van 1.3.1922): vrijstelling van iedere belasting ten bate van de Staat en van alle provinciale- en gemeentelijke belastingen;

3° de Nationale Kas voor bediendenpensioenen (Wet van 3.3.1933) vrijstelling van de grondbelasting voor de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen voor de noodwendigheden van deze diensten in gebruik genomen

4° het Bibliotheek Fonds Albert I (Wetten van 7.3.1935 en 6.7.1948): vrijstelling van alle om het even welke belastingen;

5° het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet (KB van 30.9.1937): vrijstelling van iedere belasting op het inkomen;

6° de Nationale Kas voor Beroepskrediet (Besluitwet van 26.12.1946): vrijstelling van iedere belasting op het inkomen;

7° het Internationaal Muntfonds en de Internationale Bank voor Wederopbouw en Economische Ontwikkeling (Wet van 26.12.1945): vrijstelling van alle belasting;

8° de Internationale Financieringsmaatschappij (Wet van 18.12.1956): vrijstelling van alle belasting;

9° de Intercommunale Maatschappij van de Linkeroever der Schelde (Imalso) (Wet van 1.3.1922): vrijstelling van alle belastingen ten bate van de Staat van de provincies en van de gemeenten.

Elk ander organisme dat een bijzondere wet inroept om van de OV te worden vrijgesteld, moet daarvan het bewijs leveren.

C. DATUM WAAROP DE VRIJSTELLING EEN AANVANG NEEMT.INSCHRIJVINGEN IN DE KADASTRALE LEGGER

Nummer 253/119

Zie de voorschriften van nrs. 253/103 tot 106.

D. BEZWAARSCHRIFTEN IN VERBAND MET DE VRIJSTELLING

Nummer 253/120

De bepalingen van nrs. 253/61 tot 63 zijn eveneens ter zake van toepassing.

VII. VRIJSTELLINGEN MET ECONOMISCHE DOELEINDEN

A. INLEIDING

Nummer 253/121

Ten einde de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën te bevorderen, de economische en sociale moeilijkheden in sommige gewesten te bestrijden, of nog om de economische reconversie en ontwikkeling van de steenkoolmijngebieden, en van bepaalde gewesten die met ernstige en dringende problemen te kampen hebben, te versnellen, heeft de wetgever verschillende maatregelen getroffen die vervat zijn in de WW17 en 18.7.1959 (V 961-962) en 14.7.1966 (V 1152).

Deze maatregelen bestaan vooral in het toekennen, enerzijds, van leningen of toelagen bestemd om de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden te vergemakkelijken en, anderzijds, van sommige fiscale voordelen, inzonderheid de mogelijke vrijstelling van OV in verband met de goederen geïnvesteerd met behulp van bedoelde leningen of toelagen, voor een tijdperk van ten hoogste 5 of 10 jaar.

De vrijstelling is van toepassing zowel op de hoofdsom (aandeel van de Staat), als op de provincie- en gemeenteopcentiemen, daar deze, bij gebrek aan Staatsbelasting, geen wettelijke basis zouden hebben.

Nummer 253/122

De koninklijke besluiten getroffen ter uitvoering van de voormelde wetten, bepalen dat de executie van de bepalingen van die wetten inzake belastingvrijdom verzekerd wordt door de Minister van Financiën, of door de Administratie der directe belastingen, op grond van de beslissingen van de Minister van Economische Zaken of van de Minister van Middenstand.

De tussenkomst van de Administratie der directe belastingen is bijgevolg beperkt tot de ontheffing van ambtswege van de OV, zonder beperking van termijn, en, in voorkomend geval, tot de intrekking van de vrijstelling.

Een uitgebreide commentaar binnen het bestek van deze onderrichting is dus overbodig, en het zal volstaan een bondige samenvatting van de bepalingen te geven die meer in het bijzonder de Administratie der directe belastingen aanbelangen.

B. WETTEN VAN 17 en 18.7.1959 (V 961-962), GEWIJZIGD BIJ DE W 14.2.1961 (V 983), BIJ ART. 80, W 20.11.1962 (V 1013), BIJ DE ART. 1 EN 2, W 30. 7.1963 (V 1050), BIJ DE ART. 1 TOT 4, KB NR.22 VAN 23.5.1967 (V 1181) EN, WAT DE W 17.7.1959 BETREFT BIJ KB NR. 87 VAN 11.11.1967 (V 1201)

1. Algemeen

Nummer 253/123

Deze wetten regelen de toekenning van de financiële hulp van de Staat tot bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe nijverheden en tot bestrijding van de economische en sociale moeilijkheden in sommige gewesten.

Zij bepalen o.a.:

1° dat de ondernemingen, die van staatswege hulp genieten om een investering in gebouwen te verwezenlijken, onder de bij deze wetten gestelde voorwaarden, vrijgesteld kunnen worden van de OV op deze gebouwen, en dit voor ten hoogste 5 jaar vanaf 1 januari volgend op hun ingebruikneming. Dezelfde vrijstelling wordt eveneens toegekend aan de ondernemingen die, zonder tussenkomst van de Staat, onder dezelfde voorwaarden soortgelijke investeringen hebben verwezenlijkt (art. 8, W 17.7.1959 en art. 12, W 18.7.1959);

2° dat de begunstigden van de Staatshulp, die de bekomen voordelen verliezen, o.a. alle belastingen moeten betalen waarvan zij werden vrijgesteld en dat deze belastingen kunnen gevorderd of nagevorderd worden zelfs buiten de termijnen bepaald bij de art. 353 en 354 WIB 92 zie art. 9 en 10, W 17.7.1959 en art. 14, W 18.7.1959);

3° dat slechts voordelen kunnen worden toegekend voor investeringen die vanaf 1.1.1959 werden uitgevoerd (art. 14, W 17.7.1959 en art. 20, W 1 8. 7 .1 95 9) .

Nummer 253/124

Verder bepalen de art. 18 en 19 van de KB van 17 en 18.8.1959 (Belgisch Staatsblad 29.8.1959) tot uitvoering van de wetten van 17 en 18.7.1959:

1° dat de aanvragen om vrijstelling van OV in tweevoud, bij de Minister van Economische Zaken of bij de Minister van Middenstand moeten worden ingediend, door middel van een bijzonder formulier;

2° dat de beslissingen, getroffen door de voormelde Ministers, in tweevoud worden betekend aan de Administratie der directe belastingen, die de uitvoering ervan verzekert.

Nummer 253/125

Daartoe wordt een exemplaar van de beslissing overgezonden aan het hoofdbestuur van het Kadaster dat, volgens de gewone regelen, het toekennen of het intrekken van de vrijstelling van OV zal uitlokken.

Het ander exemplaar van de beslissing wordt gezonden aan de gewestelijke directeur der belastingen van het gebied waarin de genieter van de vrijstelling zijn domicilie of voornaamste inrichting heeft; de directeur stuurt dit exemplaar aan de bevoegde controleur, die het rangschikt in het fiscaal dossier van de belanghebbende.

2. Onroerende goederen waarvoor vrijstelling kan worden verleend

Nummer 253/126

Onder de sub 253/123 vastgestelde voorwaarden, is de vrijstelling van OV gelijktijdig van toepassing op de gebouwen, de gronden die daarmede eenzelfde kadastraal perceel vormen, alsmede op het in de kadastrale bescheiden opgenomen materieel en de outillage, onroerend van nature of door bestemming, in de mate waarin deze goederen werkelijk het voorwerp van de investering zijn.

Blijkens de memorie van toelichting bij de W 30.7.1963 is deze beperking o.a. onontbeerlijk in het geval waarin een nijveraar, eigenaar van een fabriek van een zekere omvang, een investering doet die beantwoordt aan de voorwaarden van de wet, en slaat op een aanvullende constructie binnen het complete.

Nummer 253/127

In dergelijke gevallen is het, inderdaad, nodig dat de vrijstelling van de G.B. (OV) beperkt blijft tot het bijkomend gebouw dat door de wet als een produktieve investering wordt beschouwd, met uitsluiting, bijgevolg, van de gronden die de belanghebbende voor de investering bezat en van de bestaande gebouwen, materieel en outillage.

Indien, daarentegen, de investering terzelfdertijd slaat op de gebouwen, de gronden (ongeacht de oppervlakte) gelegen in hetzelfde kadastraal perceel, het materieel en de outillage, dan wordt de vrijstelling voor het geheel van deze goederen toegestaan.

In vorenbedoelde memorie van toelichting wordt verder nog onderstreept dat de goederen, die het voorwerp van de investering zijn en alleen uit ongebouwde onroerende goederen en uit materieel en outillage bestaan, van de G.B. (OV) kunnen worden vrijgesteld.

3. Aanvang van de vrijstellingsperiode

Nummer 253/128

Het eventueel door de Minister van Economische Zaken of door de Minister van Middenstand besliste tijdperk van vrijstelling van OV neemt een aanvang op 1 januari volgend op de ingebruikneming van de onroerende goederen (art. 8, W17.1.1959 en art. 12, W 18.7.1959).

Nummer 253/129

Wanneer het om nieuwe constructies gaat, is de aanvangsdatum van de vrijstelling zonder twijfel gekend, nl. 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de onroerende goederen, rekening houdend met de door de belastingplichtige aangegeven datum van ingebruikneming, overeenkomstig de art. 473 en 474, WIB 92, voor het eerst in de OV zouden worden aangeslagen.

Nummer 253/130

Wanneer de investering, integendeel, bestaat in het verwerven van een bestaand onroerend goed, waarvoor reeds een KI werd vastgesteld waarop sedert jaren de OV werd geheven, is er eigenlijk geen datum van ingebruikneming die het aanslagjaar kan bepalen met ingang waarvan de vrijstelling van toepassing is. Tenzij het verkochte goed op het ogenblik van de overdracht tijdelijk ongebruikt is gebleven, zou in dat geval de datum van de latere wederingebruikneming door de nieuwe belastingplichtige als dusdanig in aanmerking kunnen worden genomen.

Nummer 253/131

Daar de bekommernis van de wetgever erin bestond, onder oogpunt van doeltreffendheid, te streven naar een snelle en volledige staatshulp ten voordele van die ondernemingen waarvan de investeringen de economische expansie van het land bevorderen, zal men, met betrekking tot de bestaande gebouwen waarvan het gebruik niet werd onderbroken, de vrijstellingsperiode een aanvang laten nemen op 1 januari volgend op de datum van hun verwerving.

4. Opmerkingen

Nummer 253/132

De voordelen van de WW 17 en 18.7.1959 gelden voor alle investeringen die met ingang van 1.1.1959 werden gedaan (art. 14, W 17.7.1959 en art. 201 W 18.7.1959), d.w.z. ten vroegste, van het aj. 1960 af.

Aanvankelijk voorzagen de voormelde wetten:

1° slechts in de vrijstelling voor de goederen, onroerend uit hun aard, die, behalve de grond (grondvlak van de constructie), en de gebouwen, ook de volgende bestanddelen bevatten:

- de werken die deel uitmaken van of toegevoegd werden aan de grond, zelfs indien ze zich boven of aan de oppervlakte ervan bevinden;

- de voorwerpen die bij een gebouw of een ander werk behoren en zonder welke dit gebouw of werk niet als volledig of voltooid kan worden beschouwd;

2° dat de vrijstelling, op aanvraag van de belanghebbenden, automatisch voor een eenvormig tijdperk van 5 jaar wordt toegestaan zodra de investeringen aan de gestelde voorwaarden voldeden.

Ten einde overeenstemming te brengen tussen de bestanddelen die in aanmerking worden genomen voor het bepalen van het KI en die welke ten overstaan van de doeleinden van de economische heropleving, logischerwijze aanleiding geven tot het verlenen van de vrijstelling, heeft de W 30.7.1963 met ingang van het aj. 1962 de vrijstelling uitgebreid tot de grond die met de gebouwen eenzelfde kadastraal perceel vormt, en tot het materieel en de outillage, onroerend door bestemming, in de mate echter dat de goederen in kwestie, onder de bepaalde wettelijke voorwaarden, werkelijk het voorwerp van een investering waren.

Bovendien hebben de art. 2 en 4, KB nr. 22 van 23.5.1967 (V 1181) het automatisme in de vrijstelling opgeheven. Zowel de toekenning als de duur ervan worden voortaan overgelaten aan het oordeel van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, die o.a. rekening houdt met de aard van de investering (nieuwe vestigingen, investeringen in bestaande ondernemingen), de omvang van de eigen inspanning van de investeerders en het nationaal of regionaal belang van de investeringszone.

C. W 14.7.1966 (V 1152), GEWIJZIGD BIJ DE ART. 5 EN 6, KB NR. 22 VAN 23.5.1967 (V 1181) EN BIJ KB NR. 85 VAN 10.11.1967 (V 1200)

Nummer 253/133

Deze wet organiseert de financiële hulp van de Staat ten einde de economische reconversie en ontwikkeling van de steenkoolmijngebieden en van bepaalde andere gewesten die met ernstige en dringende problemen te kampen hebben, te bevorderen en te versnellen.

Zij bepaalt o.a.:

1° dat de ondernemingen, die aan de voorwaarden voldoen om van staatswege hulp te genieten ten einde onroerende goederen te investeren, vrijstelling van OV op deze onroerende goederen kunnen bekomen, en dit voor ten hoogste 10 jaar, ingaande op 1 januari na de ingebruikneming ervan (art. 11);

2° dat de begunstigden van de Staatshulp, die de bekomen voordelen verliezen, o.a. de belastingen moeten betalen waarvan zij werden vrijgesteld en dat deze belastingen kunnen worden gevorderd of nagevorderd zelfs buiten de termijnen bepaald bij de art. 353 en 354, WIB 92 (zie art. 13);

3° dat slechts voordelen kunnen worden toegekend, binnen de grenzen van de budgettaire kredieten, tot 31.12.1968. Een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit kan echter de duur van deze wet met één jaar verlengen (zie art. 1 en 15).

De toepassingsduur van de wet werd achtereenvolgens verlengd tot en met:

- 30.6.1969, door het KB 15.1.1969, V 1228;

- 31.12.1969, door het KB 27.6.1969, V 1243;

- 30.6.1970, door de W 23.12.1969, V 1265;

- 31.12.1970, door de W 8.7.1970, V 1290

Nummer 253/134

Verder, bepalen de art. 6 en 7, KB 17.2.1967 V 1171 getroffen ter uitvoering van de voormelde W 14.7.1966 dat:

1° de aanvragen tot vrijstelling van de OV in tweevoud bij de Minister van Economische Zaken, of bij de Minister van Middenstand moeten worden ingediend, door middel van een bijzonder formulier;

2° de aanvragen tot het bekomen van de rentevergoeding, de premie in kapitaal of de staatswaarborg, ingediend bij de Minister van Economische Zaken, de Minister van Middenstand of de Minister van Financiën, eveneens gelden als aanvragen tot het bekomen van de vrijstelling van de OV;

3° de door de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand getroffen beslissingen in tweevoud ter kennis worden gebracht van de Minister van Financiën, die de uitvoering ervan verzekert.

Nummer 253/135

Krachtens deze laatste bepalingen blijft de tussenkomst van de Administratie der directe belastingen, net zoals voor de WW van 17 en 18.7.1959, beperkt, tot het verlenen of het intrekken van de vrijstelling van OV, op grond van de beslissingen van het departement van Economische Zaken of van Middenstand.

Voor de uitvoering van de W 14.7.1966 kan er bijgevolg worden verwezen naar de onderrichtingen verstrekt sub 253/123 tot 132 die ter zake, mutatis mutandis, van toepassing zijn.

D. WET 30.12.1970 (V 1315)

Nummer 253/136

Die wet welke op 1 januari 1971 in werking treedt, globaliseert en verduidelijkt de maatregelen die op het stuk van economische expansie voor de toekomst dienen te worden getroffen, met behoud van een groot aantal bepalingen van de hiervoren besproken wetten van 18.7.1959 en 14.7.1966.

Nummer 253/137

Hoewel deze beide wetten door de W 30.12.1970 worden opgeheven, blijven de bepalingen ervan, alsmede de uitvoeringsbesluiten nochtans van toepassing op de zaken die het voorwerp waren van beslissingen genomen voor 1 januari 1971 (art 45).

Nummer 253/138

De W 30.12.1970 stelt o.a. de vrijstelling van OV in ten voordele van ondernemingen die in de gestelde voorwaarden een investering hebben gedaan in onroerende goederen, al dan niet met een in de wet bepaalde tegemoetkoming van de Staat (art. 16).

De vrijstelling van OV:

- geldt voor maximum vijf jaar ingaande op 1 januari na de ingebruikneming van de onroerende goederen;

- wordt beperkt tot de goederen die werkelijk het voorwerp zijn geweest van de investeringen;

- geldt zowel voor de gebouwen en de gronden die daarmede eenzelfde kadastraal perceel vormen, als voor het materieel en de outillage, onroerend van aard of door bestemming, ingeschreven in de kadastrale legger;

- vervalt wanneer de begunstigde van de Staatshulp die bekomen voordelen verliest of gehouden is tot teruggave; de OV kan alsdan worden gevestigd, zelfs buiten de termijn van artikel 354, WIB 92 (art. 39, 1°).

Nummer 253/139

Ter uitvoering van de W 30.12.1970 werden bij KB 6.1.1971 (V 1318) voorlopige uitvoeringsmaatregelen getroffen. Zo worden o.a. het KB 18.8.1959 tot uitvoering W 18.7.1959 (zie 253/124) en het KB 17.2.1967 tot uitvoering W 14.7.1966 (zie 253/134) in stand gehouden.

Nummer 253/140

Voor de uitvoering van de W 30.12.1970 kan er bijgevolg voorlopig verwezen worden naar de onderrichtingen sub 253/124 tot en met 253/132, die ter zake, mutatis mutandis, van toepassing zijn.

E. WET VAN 4.8.1978 (V 1478)

Nummer 253/141

Deze wet, waarvan o.a. de bepalingen van titel 1, hoofdstuk 1, in werking treden op 1.10.1978, regelt de financiële tegemoetkomingen van de Staat ten einde de economische expansie van de kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen.

Nummer 253/142

Zij bepaalt o.m.:

1° dat de ondernemingen, genoemd onder art. 2, letters a), b) en g) die van een rentetoelage of kapitaalpremie genieten ten einde een investering in onroerende goederen te verwezenlijken, van de onroerende voorheffing op deze onroerende goederen kunnen worden vrijgesteld en zulks voor maximum vijf jaar ingaande op 1 januari na de ingebruikname ervan (art. 8);

2° dat een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de regels bepaalt die van toepassing zijn op de begunstigden van de tegemoetkomingen voor de gevallen waarin deze begunstigden het voordeel ervan verliezen of gehouden zijn tot teruggave. Dit besluit stelt alle nuttige modaliteiten ter zake vast, met inbegrip van de vormen waaronder tot onderbreking of tot teruggave van tegemoetkomingen besloten wordt, van de fiscale of andere gevolgen die ermee gepaard gaan en van de toe te passen terugvorderingsregels (art. 28, § 1);

3° de gevallen waarin de begunstigden van leningen en tussenkomsten het voordeel van de tegemoetkomingen verliezen (art. 28, §§ 2 en 3);

4° dat voor de uitvoering van art. 28 (zie sub b en c), de OV zelfs buiten de in art. 354, WIB 92 gestelde termijn kan worden gevestigd (art. 30, § 2, a).

Nummer 253/143

Het KB van 7.6.1979, V 1507, bepaalt anderzijds dat :

- de aanvragen tot vrijstelling van de OV bedoeld bij art. 8, W 4.8.1978, tot economische heroriëntering, in tweevoud moeten worden ingediend bij de Minister van Middenstand, Administratie voor Economische Expansies door middel van een daartoe bestemd formulier:

- de beslissingen in verband met de bedoelde aanvragen worden tegen getekend door de Minister van Financiën, die de uitvoering verzekert van bedoeld art. 8.

Nummer 253/144

Een exemplaar van de beslissing wordt overgezonden aan het hoofdbestuur van het kadaster dat, volgens de gewone regelen, de toekenning of de intrekking van de vrijstelling van OV zal uitlokken.

Het tweede exemplaar van de beslissing wordt gezonden aan de gewestelijke directeur der directe belastingen van het gebied waarin de genieter van de vrijstelling zijn domicilie of voornaamste inrichting heeft; de directeur stuurt dit exemplaar aan de bevoegde hoofdcontroleur die het rangschikt in het fiscaal dossier van de belanghebbende.

F. WET VAN 11.4.1983, ART. 29 (V 1670)

Nummer 253/145

Art. 29, W 11.4.1983, bepaalt onder meer:

Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen:

1° die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;

2° ...

3° ...