Commentaar van art. 371, WIB 92

Onderafdeling II - Vormen en termijnen van bezwaar

Art. 371, WIB

I. WETTEKST

371/0

II. ALGEMEENHEDEN

371/1-31

A. Motivering van de bezwaarschriften

371/2-7

B. Termijn waarin het bezwaarschrift, op straffe van verval, moet worden ingediend

371/8-19

1. Vertrekpunt van de termijn

371/8-16

2. Bezwaarschrift inzake belastingverhogingen en administratieve boeten

371/17

3. Overmacht

371/18

4. Voorbarig bezwaarschrift

371/19

C. Verzending en ontvangst van het aanslagbiljet

371/20-25

1. Plaats waarnaar het AB moet worden gezonden en ontvangst van dit biljet

371/20

2. AB geweigerd door de belastingplichtige

371/21

3. Bewijs van de regelmatige ontvangst van het AB door een op de aanslag gedane betaling

371/22

4. Definitie van de woorden "jaar waarin de belasting is gevestigd

371/23

5. Tot belasting aanleiding gevend feit

371/23

6. Definitie van de woorden "kennisgeving van de aanslag"

371/24

7. Definitie van het woord "inning"

371/25

D. Berekening van de bezwaartermijn

371/26-28

1. Wijze van berekening van de termijn van zes maanden

371/26

2. Verlenging van de termijn wanneer 30 april een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is

371/27

3. Gevolgen van het kohier en van de verzending van het AB

371/28

E. Ontvangst van het bezwaarschrift door de directeur

371/29-30

1. Bewijs van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Gew.dir

371/29

2. Het bezwaarschrift moet binnen de wettelijke termijn bij de Gew.dir toekomen

371/30

F. Geen bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn

371/31

I. WETTEKST

Nummer 371/0

Art. 371. - De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval ingediend uiterlijk op 30 april van het jaar na dat waarin de belasting is gevestigd, zonder dat de termijn evenwel minder dan zes maanden mag bedragen vanaf de datum van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.

II. ALGEMEENHEDEN

Nummer 371/1

Dit artikel legt aan de belastingplichtige, die gebruik wil maken van het door art. 366, WIB 92, verleende recht tot het indienen van een schriftelijk bezwaar, de dubbele verplichting op :

- zijn bezwaarschrift te motiveren;

- het in te dienen binnen een bepaalde termijn.

A. MOTIVERING VAN DE BEZWAARSCHRIFTEN

Verplichting de bezwaarschriften te motiveren

Nummer 371/2

Om geldig te zijn moet het bezwaarschrift met redenen omkleed zijn, d.w.z. de rechterlijke en feitelijke argumenten bevatten, die door de belastingplichtige tot staving van zijn beweringen worden aangevoerd (Cass., 21.4.1953, Moulin, Pas. 1953, I, 642, zie noot; 26.1.1954, Labenne, Pas. 1954, I, 549; 9.4.1957, Demeulemeester en Anrijs, Pas. 1957, I, 976; 8.4.1991, Van Borm, FJF 136/91).

Krachtens art. 375, WIB 92, zijn het de grieven die door de belastingplichtige worden ontwikkeld in het bezwaarschrift die de jurisdictionele bevoegdheid van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar afbakenen; om deze in staat te stellen bij gemotiveerde beslissing uitspraak te doen, moeten, bijgevolg precieze grieven tegen de aanslag worden aangevoerd.

De Gew.dir. die een niet-gemotiveerde brief ontvangt dient zich te houden aan de richtlijnen gegeven in art. 375 (zie ook art. 366).

Nummer 371/3

Wordt terecht als niet-gemotiveerd aangezien de brief :

- waarin de belastingplichtige zijn voornemen te kennen geeft te reclameren, maar waarin hij hoegenaamd niet doet kennen om welke redenen hij de aanslag betwist of later zal betwisten (Gent, 15.3.1938, Duthoit, S.V.R. VII, blz. 504);

- die uitgaat van een belastingplichtige die er zich van onthoudt, niettegenstaande tal van herinneringsbrieven, de rechterlijke en feitelijke gronden van zijn vordering te preciseren (Brussel, 21.12.1938, Van Rymenant);

- waarin de belastingplichtige er zich toe beperkt aan te kondigen dat hij zijn opmerkingen zal laten geworden. Het feit dat, bij het indienen van de voorziening in beroep, een nota met toelichtende bescheiden ter griffie van het Hof werd neergelegd, kan het verzuim der motivering van het aanvankelijk bezwaarschrift niet goedmaken (Brussel, 5.3.1951, Daume);

- waarbij de belastingplichtige zich vergenoegt de herziening van zijn belastingdossier te vragen, zijn beklag te doen over de uitwerking van zijn aanslagen op zijn begroting en het arbitrair karakter van de te zijnen laste gelegde aanslagen aan te klagen, zonder zijn grieven nader te preciseren (Brussel, 4.2.1953, Labenne, en 31.3.1953, Godeau; Cass., 21.4.1953, Moulin, Pas. 1953, I, 642);

- die niet in verband kan worden gebracht met een of ander der betwiste aj. (Cass., 10.1.1961, SA Manufactures belges de couleurs d'Outremer, S.V.R. XIV, 524);

- die vaag en onduidelijk is (Cass., 9.4.1957, Demeulemeester en Anrijs, Pas. 1957, I, 976; 1.12.1959, Van Werts, S.V.R. XIII, blz. 566).

Nummer 371/4

In dezelfde gedachtengang werd gevonnist dat een bezwaarschrift gesteund op een duidelijke grief en een onduidelijke grief moet worden beschouwd als vermeldende slechts de eerste grief (Cass., 22.10.1957, Buelens, Pas. 1958, I, 164).

Nummer 371/5

Uit de omstandigheid dat een bezwaarschrift in onderzoek werd gesteld, mag niet worden afgeleid dat de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) verzaakt zou hebben het gebrek aan motivering op te werpen; de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) is niet door dit onderzoek gebonden (Luik, 27.3.1953, Cluckers; Brussel, 31.3.1953, Godeau).

Nummer 371/6

De woorden "onder meer" die in een in de meest algemene termen opgesteld bezwaarschrift voorkomen, laten verzoeker niet toe hieruit af te leiden dat zulks hem zou toelaten alle mogelijke grieven op te werpen (Gent, 28.2.1956, Stael). Zie evenwel art. 372, WIB 92.

Nummer 371/7

Is voldoende gemotiveerd, het bezwaarschrift dat uitdrukkelijk verwijst naar de argumenten aangehaald in een aan de Hfd.cr. als antwoord op een bericht van wijziging gezonden brief (Luik, 3.12.1952, SPRL Spinaux C°).

B. TERMIJN WAARIN HET BEZWAARSCHRIFT, OP STRAFFE VAN VERVAL, MOET WORDEN INGEDIEND

1. Vertrekpunt van de termijn

Nummer 371/8

De termijn waarbinnen de bezwaarschriften op straffe van verval moeten worden ingediend vangt overeenkomstig art. 52, Ger.W aan daags na de datum van het AB, zoals deze datum blijkt uit de vermelding van de toezending ervan op dat biljet of op de kennisgeving van de aanslag, en niet vanaf de dag waarop de belastingplichtige het AB ontvangt (Cass., 6.4.1954, Gerber, Pas. 1954, I, 696; 25.10.1955, Club privé du Casino de Chaudfontaine, Pas. 1956, I, 177; 23.2.1965, Roland, Bull. 422, blz. 1594).

Nummer 371/9

De datum van bestelling van het AB werd niet door de wetgever bepaald als die welke het vertrekpunt van de bezwaartermijn moet zijn (Cass., 10.5.1952, Lefebvre, S.V.R. X, blz. 368; 14.7.1953, Verstraeten, Pas. 1953, I, 942; 16.4.1957, Valissant, S.V.R. XII, blz. 326).

Nummer 371/10

Daaruit vloeit de noodzakelijkheid voort op de AB en op de kennisgevingen van de aanslag zorgvuldig de datum te vermelden van verzending en die data met de meeste nauwkeurigheid ook op de kohieren te vermelden (zie 300/27).

Nummer 371/11

Verder is het ook noodzakelijk de datum van ontvangst van de bezwaarschriften op onbetwistbare wijze aan te tekenen.

Die datum wordt, tot bewijs van het tegendeel, voldoende aangetoond door de datumstempel aangebracht door de directiediensten (Luik, 21.10.1987, Goffart).

Daarom moeten de directeurs, die een bezwaarschrift ontvangen, het onmiddellijk op de lijst nr.178 inschrijven. Op het bezwaarschrift zelf, moeten in de vorm van breuk, het eraan gegeven inschrijvingsnummer en de datum van ontvangst worden vermeld. Achter deze vermelding moeten de hoedanigheid en de naamtekening worden aangebracht van de ambtenaar die het bezwaarschrift heeft ontvangen).

Voorbeeld : R. 178 Nr.

De Directeur,

a) De in art. 371, WIB 92, bepaalde termijn is een vaste termijn

Nummer 371/12

Art. 371, WIB 92, is van openbare orde en, onder voorbehoud van overmacht, van strikte toepassing (Cass., 8.3.1955, Coremans, Pas. 1955, I, 752; 5.11.1957, Constant Wwe Dalimier, Pas. 1958, I, 230).

De aan een belastingplichtige bij art. 371, WIB 92, verleende termijn om een geldig bezwaarschrift in te dienen, kan door de partijen noch verkort, noch verlengd worden; hij is niet vatbaar voor schorsing of onderbreking; hij verstrijkt van rechtswege zelfs tegen de wil in van deze partijen en kan van hunnentwege niet het voorwerp zijn van een verzaking (Cass., 9.2.1954, Verstraete en De Buck, Pas. 1954, I, 513).

Nummer 371/13

De draagwijdte van de bij art. 371, WIB 92, bepaalde termijn kan niet worden uitgebreid; alleen het aanvangspunt van die termijn is vatbaar voor betwisting indien de belastingplichtige door een van zijn wil onafhankelijke en aan de administratie te wijten omstandigheid, niet te gelegener tijd kennis heeft gekregen van het op zijn naam gestelde AB (Gent, 7.3.1939, SA Câblerie de Bratislava, S.V.R. VIII, blz. 306).

Nummer 371/14

De wet kent aan de rechthebbenden van een belastingplichtige geen bezwaartermijn toe die verschilt van die welke zij aan hun rechtsvoorganger verleent. De termijnen van art. 371, WIB 92, zijn niet vatbaar voor verlenging of schorsing (Cass., 9.2.1954, Verstraete en De Buck, Pas. 1954, I, 513).

b) Volstrekte aard van het rechtsverval

Nummer 371/15

Talrijke arresten hebben de volstrekte aard van het rechtsverval vastgesteld; er is meer bepaald gevonnist :

- dat het bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn moet worden ingediend, op straffe van verval (Gent, 28.6.1927, S.V.R. VII, blz. 167; Brussel, 23.3.1938, Hermant, Bull. 132, blz. 366); dat rechtsverval is van openbare orde en moet bijgevolg van ambtswege worden opgeworpen (Brussel, 21.11.1931); het geldt evengoed wanneer de wettelijkheid van de aanslagen kan worden betwist als wanneer zij ten onrechte zijn betaald (Luik, 13.11.1931, Delloye, Bull. 58, blz. 4);

- dat het bij art. 371, WIB 92, voorgeschreven verval van dwingend recht is; de in dat artikel gestelde termijn is een vooraf bepaalde termijn, die niet vatbaar is voor onderbreking, schorsing of afstand (Cass., 8.1.1993, FJF 93/230).

De zegswijze "contra non valentem agere non currit prescriptio" is niet van toepassing op vooraf bepaalde termijnen en beoogt daarenboven slechts de gerechtelijke onmogelijkheden en niet de feitelijke onmogelijkheden (Brussel, 16.12.1936, Mrs. Stuyck en Ceurvorst, Bull. 117, blz. 126; Luik, 24.12.1952, Magnery; Gent, 2.4.1977, Bull. 575, blz. 993);

- dat het verval van openbare orde is en er niet mag van worden afgeweken, zelfs niet wanneer de administratie erkent dat de betwiste aanslag het gevolg is van een door de belastingplichtige in zijn aangifte begane vergissing. Het komt niet aan het Hof toe een voor requirant betreurenswaardige toestand te verhelpen, wanneer de wet daartegen opkomt (Brussel, 31.10.1951, Vanderhaegen; Cass., 19.12.1950, Dienst van het Sekwester en NV Seam, Bull. 266, blz. 104);

- dat uit de bewoordingen zelf van art. 371, WIB 92, blijkt dat bij het verstrijken van de bezwaartermijn de belasting wettelijk verschuldigd wordt geacht, zelfs indien het ten kohiere brengen niet regelmatig is geschied en dat die termijn niet afhankelijk is van de ontstentenis van nietigheid van de betwiste aanslagen (Cass., 18.3.1952, Boinon, Pas. 1952, I, 451 en 20.4.1958, Dumoulin, Pas. 1958, I, 958).

Nummer 371/16

Om de laattijdige indiening van zijn bezwaarschrift te rechtvaardigen, zou een belastingplichtige vergeefs aanvoeren dat hij moest wachten op het definitief worden van een rechterlijke beslissing, die het gebrek aan wettelijke grondslag van zijn belastingen kon aantonen. Dat middel, zelfs indien het bewezen is, belet immers de toepassing van art. 371, WIB 92, niet (Brussel, 23.3.1938, Hermant, Bull. 132, blz. 366; Luik, 9.4.1951, Cavadino; Cass., 18.3.1952, Boinon, Pas. 1952, I, 451; Bergen, 25.9.1992, Pardaens).

2. Bezwaarschrift inzake belastingverhogingen en administratieve boeten

Nummer 371/17

De art. 366 en 371, WIB 92, stellen de belastingen en de verhogingen (en de administratieve boeten) op dezelfde voet, zowel wat de aan de Gew.dir. (of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar) verleende bevoegdheid om van de bezwaarschriften kennis te nemen, als wat de op straffe van verval bepaalde bezwaartermijn betreft (Cass., 22.11.1949, SA Ets. Georges La Barre, Bull. 261, blz. 369).

3. Overmacht

Nummer 371/18

Alleen overmacht kan een verlenging van de bezwaartermijn rechtvaardigen (Cass., 8.3.1955, Coremans, Pas. 1955, I, 752; 5.11.1957, Constant Wwe Dalimier, Pas. 1958, I, 230;18.6.1963, SPRL Ets. Lenne-Bourdon, Bull. 413, blz. 2277).

Overmacht kan slechts voortvloeien uit een gebeurtenis die onafhankelijk is van de menselijke wil en welke die wil niet heeft kunnen voorzien noch afwenden. Zij is onverenigbaar met een nalatigheid of met een gebrek aan voorzorg (Cass., 25.6.1956, Buls, Pas. 1956, I, 1176; Bergen, 25.9.1992, Pardaens; Luik, 27.2.1991, Petry).

Het verwijderd zijn van de belastingplichtige die in het buitenland woont is geen oorzaak van overmacht, want dergelijke omstandigheid ontslaat op zich de belanghebbende er niet van de nodige maatregelen te treffen om de dwingende termijnen van art. 371, WIB 92, in acht te nemen (Luik, 15.6.1988, d'Odement, Bull. 684, blz. 1246; Bergen, 18.9.1992, Galle P.).

De belastingplichtige die overmacht aanvoert, moet, benevens het werkelijk voorkomen van een geval van overmacht waardoor hij niet heeft kunnen optreden, ook het oorzakelijk verband bewijzen tussen deze buitengewone omstandigheid en het laattijdig indienen van zijn bezwaarschrift.

De vreemde oorzaak -waarvan de overmacht een soort is onder vele andere- bestaat slechts wanneer zij eensdeels de volstrekte onmogelijkheid om te handelen met zich meebrengt en anderdeels haar ingrijpen exclusief is, d.w.z elke gedachte aan een tekortkoming uitsluit (De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, II, nr. 599).

De vreemde oorzaak is niet aanwezig wanneer uit de gegevens van de zaak blijkt dat de belastingplichtige, gekomen aan het uiterste einde van een termijn van verscheidene maanden, verkozen heeft de risico's verbonden aan postverzendingen te trotseren, liever dan de hem overblijvende laatste uren, waarover hij beschikte, te gebruiken om zelf de omslag aan de bestemmeling te overhandigen (bezwaarschrift ten postkantore op de laatste dag van de termijn neergelegd als "aangetekende spoedbestelling", doch door bewust kantoor bij vergissing als eenvoudige aangetekende omslag behandeld en maar 's anderendaags bij de bevoegde Gew.dir. toegekomen, dus buiten de termijn) - (Brussel, 25.4.1955, Xhignesse, S.V.R. XI, blz. 166 - Bull. 313, blz. 194; Bergen, 5.1.1977, SA Verreries de Fauquez en liquidation, Bull. 562, blz. 760; Luik 27.2.1991, Petry).

De omstandigheid dat de belastingplichtige tot staving van zijn bezwaarschrift het bewijs van de gegrondheid ervan niet heeft kunnen leveren, is geen absoluut beletsel om zijn rechten binnen de in art. 371, WIB 92, gestelde termijn te doen gelden (Brussel, 3.3.1966, Erfgenamen Jordens, Bull. 441, blz. 892).

Ook het feit dat een belastingplichtige zijn boekhouder heeft moeten dagvaarden om de boekhouding terug te krijgen en dat deze laatste nagelaten heeft om tijdig een bezwaarschrift in te dienen, is geen geval van overmacht dat de bezwaartermijn verlengt (Brussel, 13.5.1986, NV Agecobel, Bull. 658 - blz. 379; Antwerpen, 9.4.1990, Bull. 705, blz. 1206).

4. Voorbarig bezwaarschrift

Nummer 371/19

Art. 371, WIB 92, bepaalt het tijdstip niet vanaf hetwelk het recht om een bezwaarschrift in te dienen mag worden uitgeoefend, maar alleen de uiterste datum waarin de bezwaarschriften op straffe van verval moeten worden ingediend; zo dit artikel het aanvangspunt van sommige termijnen vermeldt, geschiedt dit enkel met het oog op de vaststelling van deze uiterste datum; waar art. 366, WIB 92, spreekt van het bezwaarschrift "tegen het bedrag van de aanslag", beoogt het enkel het meest voorkomende geval en maakt het de voorafgaande vestiging van een aanslag door de administratie niet tot de voorwaarde voor de ontvankelijkheid van elk bezwaarschrift op het stuk van directe belastingen (Cass., 18.2.1958, SA Anciens Ets. Verschure, S.V.R XII, blz. 445 - Bull. 341, blz. 147; 26.10.1965, Van de Perre, Bull. 435, blz. 1559).

Derhalve mag niet als voorbarig worden aangezien :

- een bezwaarschrift inzake RV, ingediend na de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten, maar vóór de storting van de voorheffing, de inkohiering van de voorheffing of de verzending van een AB of een bericht van aanslag. Het is immers de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten onderworpen aan de RV, die aanleiding geeft tot de belasting en het mogelijk maakt het bedrag ervan te bepalen. Wel te verstaan kan dergelijk bezwaarschrift slechts het voorwerp van een beslissing zijn na de betaling of de inkohiering van de aanslag;

- een bezwaarschrift inzake OV, ingediend na 1 januari van het aj.; de administratie kent immers vanaf die datum het bedrag van de aanslag, vermits dat bedrag gebaseerd is op het KI zoals dit op 1 januari van het aj. is gevestigd en de inkohiering houdt slechts verband met de eisbaarheid en niet met de verschuldigdheid van de belasting (Cass., 18.3.1946, SA Verreries belges, Pas. 1946, I, 110);

- een bezwaarschrift betreffende de BV op bezoldigingen, ingediend na het betalen of toekennen van de belastbare bezoldigingen, maar vóór de storting van de voorheffing of het verzenden van een AB. Krachtens art. 273, WIB 92, brengt het betalen of toekennen van de belastbare bezoldigingen immers de verschuldigdheid van de BV mee.

Wel te verstaan mag over zulk bezwaarschrift geen beslissing worden getroffen zolang de voorheffing niet gestort is of in een kohier werd opgenomen bij gebrek aan storting en dat de loonfiches en opgaven 325 niet werden afgegeven aan de betrokken diensten.

Voor de belastingen die overeenkomstig art. 365, WIB 92, in een kohier moeten worden opgenomen, ontstaat het recht om een bezwaarschrift in te dienen slechts na de uitvoerbaarverklaring van het kohier, aangezien slechts dan, in hoofde van de belastingplichtige, een reeds verkregen en dadelijk belang bestaat om zijn opwerpingen bij wijze van bezwaar te doen gelden en het bedrag van de belastingschuld zeker is (Cass., 26.10.1965, Van de Perre, Bull. 435, blz. 1559).

C. VERZENDING EN ONTVANGST VAN HET AANSLAGBILJET

1. Plaats waarnaar het AB moet worden gezonden en ontvangst van dat biljet

Nummer 371/20

Er wordt verwezen naar nr. 300/25 en volgende.

Verder, wordt de aandacht gevestigd op de hierna vermelde rechtspraak :

- het is zonder belang dat het AB aan de echtgenote, de moeder of aan een huisgenoot van de belastingplichtige ter hand werd gesteld, wanneer de belastingplichtige niet ontkent dat die personen tenminste de stilzwijgende toelating hebben om aangetekende zendingen te ontvangen. Het feit dat die personen het aanslagbiljet zouden achtergehouden hebben, kan niet voor gevolg hebben de bezwaartermijn te verlengen, noch de belangen van de Schatkist te schaden (Luik, 2.4.1952, Jacob; Gent, 2.4.1952, Gerber; Brussel, 26.3.1952, Wed. Jacobs-Oudaert, en 9.6.1954, Masquelier);

- de omstandigheid dat de omslag werd overhandigd aan de dochter van de belastingplichtige is geen geldige reden om de bezwaartermijn te verlengen (Cass., 16.4.1957, Valissant, S.V.R. XII, blz. 326).

2. AB geweigerd door de belastingplichtige

Nummer 371/21

Het feit dat de belastingplichtige geweigerd heeft een AB te aanvaarden, dat aan zijn wettelijke woonplaats werd betekend, kan niet beletten dat de bezwaartermijn aanvangt (Gent, 27.5.1953, Vanderstraeten).

3. Bewijs van de regelmatige ontvangst van het AB door een op de aanslag gedane betaling

Nummer 371/22

De belastingplichtige laat tevergeefs gelden dat het aanslagbiljet hem niet werd uitgereikt, wanneer het bewezen is dat hij een gedeelte van de aanslag heeft betaald meer dan zes maanden voor het indienen van zijn bezwaarschrift, wat ten volle aantoont dat hij het AB had ontvangen (Brussel, 9.1.1932, Meert, S.V.R. V, blz. 192; Luik, 24.6.1946, Wwe Knaepen; Gent, 31.10.1950, De Neve; Brussel, 10.7.1952, Degouy).

4. Definitie van de woorden "jaar waarin de belasting is gevestigd"

Nummer 371/23

Onder "jaar waarin de belasting is gevestigd" dient te worden verstaan :

- voor de belastingen en de onroerende voorheffing die in een kohier moeten worden opgenomen : het jaar waarin het kohier uitvoerbaar wordt verklaard;

- voor de belastingen en voorheffingen die slechts in een kohier worden opgenomen wanneer zij niet binnen de voorgeschreven termijnen worden betaald :

a) ingeval van werkelijke inkohiering : het jaar waarin het kohier uitvoerbaar wordt verklaard;

b) in de andere gevallen :

- het jaar waarin de betaling wordt gedaan;

- het jaar waarin het feit dat tot de belasting aanleiding geeft, zich voordoet, wanneer dat jaar op het jaar van de betaling volgt (zelfs indien de betaling heeft plaatsgehad, kan de belasting immers niet als "gevestigd" worden beschouwd, wanneer de belastingschuld nog niet is ontstaan om reden dat het feit dat tot de belasting aanleiding geeft zich nog niet heeft voorgedaan).

5. Tot belasting aanleiding gevend feit

Onder "tot belasting aanleiding gevend feit" moet worden verstaan :

- voor de RV : de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten (art. 267, WIB 92);

- voor de BV : de betaling of de toekenning van de belastbare bezoldigingen (art. 273, WIB 92);

- voor de VB :

- het gebruik, wat de voertuigen betreft die niet beoogd zijn in art. 36bis, WGB;

- voor de voertuigen beoogd in art. 36bis, WGB wordt verwezen naar art. 36ter, § 8, WGB;

- voor de SW : de inzet van sommen bij spelen en weddenschappen (art. 43, WGB) en, in bepaalde gevallen, de toekenning van prijzen of beloningen (art. 49 en 50, WGB) of de verkoop van een duivenring (art. 46, WGB);

- voor de AO : de opstelling van het toestel in één van de in art. 76, WGB, beoogde plaatsen (zie art. 83, WGB).

6. Definitie van de woorden "kennisgeving van de aanslag"

Nummer 371/24

De "kennisgeving van de aanslag" beoogd in art. 371, WIB 92, kan als volgt worden bepaald : "kennisgeving aan de belastingplichtige welke al de elementen van het AB bevat, voorgeschreven bij art. 40, KB 22.9.1937 (art. 136, KB/WIB 92) en van aard is hem toe te laten een bezwaarschrift in te dienen" (Cass., 11.3.1958, Mendelson, S.V.R. XII, blz. 464).

Bij gebrek aan bewijzen aangaande het uitreiken, van het AB, doet de betekening van een dwangbevel dat als kennisgeving van de aanslag geldt, de bezwaartermijn lopen (Brussel, 5.1.1966, Vandervelde, Bull. 441, blz. 885).

7. Definitie van het woord "inning"

Nummer 371/25

De in art. 371, WIB 92, voorkomende term "inning" betekent de daad van de administratie die bestaat in de ontvangst van de belasting, aanvaard als regelmatige betaling en voor het door haar aangenomen bedrag. Dienaangaande maakt de wet geen enkel onderscheid tussen de belastingen die op een andere wijze dan per kohier worden geïnd en laat de bezwaartermijn voor die verschillende belastingen slechts aanvangen met ingang van de datum waarop de administratie het haar verschuldigde bedrag liet kennen (Cass., 25.1.1949, ASBL Institut Bunge, Pas. 1949, I, 80; 26.2.1963, SA Compagnie d'Assurance Meuse-Escaut-Rhin, Bull. 407, blz. 975).

Die rechtspraak is van toepassing, zowel in hoofde van de schuldenaar als in hoofde van de verkrijger van de inkomsten en zelfs in het geval waar geen latere regularisatie in hoofde van de verkrijger van de inkomsten mogelijk is (Luik, 10.11.1969, Coyette).

Er werd gevonnist dat de boeking door de Ontv. van de door de belastingplichtige overeenkomstig zijn aangifte gedane betaling (in het beoogde geval ging het om een aangifte in de M.B. en N.C.B. op uitgekeerde dividenden) op zichzelf geen als belastinginning gedane aanvaarding is, maar dat die aanvaarding kan voortvloeien uit een mededeling van de Hfd.cr. die de aangifte nazag (voormeld arrest inzake SA Compagnie d'Assurance Meuse-Escaut-Rhin).

Daar de belastingen die binnen het raam van het WIB op een andere wijze dan per kohier worden geïnd, in een bepaalde mate als voorheffing in mindering komen van de PB, de Ven.B of de BNI, zal de aanvaarding als belastinginning in de zin van de voormelde rechtspraak van het Hof van cassatie meestal moeten gebeuren door het toezenden van het AB in de PB, de Ven.B of de BNI.

Een kennisgeving door de schuldenaar van de inkomsten (of een tussenpersoon) aan de verkrijger gezonden, brengt geen inning van de belasting mee, daar de term "inning" noodzakelijkerwijze een handeling van de administratie veronderstelt.

D. BEREKENING VAN DE BEZWAARTERMIJN

1. Wijze van berekening van de termijn van zes maanden

Nummer 371/26

De bij art. 371, WIB 92, bepaalde termijn, die in maanden is gesteld moet, overeenkomstig art. 54, Ger.W, worden gerekend, van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste.

Volgens art. 52, Ger.W, wordt de termijn gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis die hem doet ingaan, en omvat alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de wettelijke feestdagen.

Een akte kan evenwel alleen op geldige wijze ter griffie worden verricht op de dagen en uren waarop die griffie toegankelijk moet zijn voor het publiek.

Volgens art. 53, Ger.W, is de vervaldag in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.

Volgens art. 54, Ger.W, wordt een in maanden of in jaren bepaalde termijn gerekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste.

Verder wordt eraan herinnerd dat de dag van de akte, die het aanvangspunt is van de termijn (datum van het AB), niet in die termijn begrepen is (zie nr. 346/51); de zoveelste is dus de dag daaropvolgend.

Voorbeeld

Indien de datum van het AB de 15e december is, begint de termijn te lopen van 16 december af en, vermits hij, overeenkomstig art. 54, Ger.W, wordt berekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste verstrijkt hij op 15 juni van het volgende jaar.

Indien de eerste dag van de bij art. 371, WIB 92, bepaalde bezwaartermijn van zes maanden de laatste dag van een maand is, verstrijkt die termijn daags voor de laatste dag van de laatste maand, die aan te rekenen is, zowel indien deze laatste maand minder dagen telt dan de beginmaand van de termijn, als wanneer bewuste laatste maand hetzelfde aantal dagen telt als de beginmaand (Brussel, 28.11.1955, De Decker, Bull. 320, blz. 63).

Voorbeeld

A

B

Datum van het AB

30 december

30 november

Zoveelste van de 1e maand

31 december

1 december

Zoveelste van de 6e maand

30 juni daarop

1 juni daarop

Daags voor deze zoveelste of laatste dag van de termijn

29 juni

31 mei

Indien de laatste dag van de termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt die termijn, overeenkomstig art. 53, Ger.W (zie nr. 346/51), verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

2. Verlenging van de termijn wanneer 30 april een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is

Nummer 371/27

Wanneer 30 april van het jaar dat volgt op datgene waarin de belasting is gevestigd, een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de termijn, eveneens tot de eerstvolgende werkdag verlengd. Er bestaat immers geen reden om de art. 52 tot 54, Ger.W, toe te passen wanneer de termijn bepaald is in maanden en in dagen of wanneer de datum waarop hij eindigt afhangt van die waarop hij aanvangt, en die toepassing te negeren wanneer de termijn op een door de wet zelf vastgestelde datum verstrijkt (Gent, 1.12.1954, Christiaens).

3. Gevolgen van het kohier en van de verzending van het AB

Nummer 371/28

Van het ogenblik af dat een aanslag opgenomen is in een uitvoerbaar verklaard kohier, bestaat er een authentieke titel van schuldvordering ten voordele van de Staat. Om die titel tegenover de belastingplichtige eisbaar te maken, kan het volstaan hem ter kennis te brengen van deze laatste met vermelding van de datum van de eisbaarheid.

De toezending van het AB heeft, wat het bedrag van de erop vermelde ingekohierde belastingen betreft, tot gevolg :

- de gedwongen tenuitvoerlegging;

- het rechtsverval in geval van laattijdig indienen van een bezwaarschrift;

- het doen lopen van de NI van een bepaalde datum af.

E. ONTVANGST VAN HET BEZWAARSCHRIFT DOOR DE DIRECTEUR

1. Bewijs van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Gew.dir.

Nummer 371/29

Bij gebrek aan tegenbewijs, is de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Gew.dir. ten genoege van rechte bewezen door de datumstempel van binnenkomen, die door de diensten van de directie op dit bezwaarschrift wordt aangebracht (Gent, 7.1.1953, Thevelein; Luik, 12.6.1954, Grailet).

De bewijslast van de regelmatigheid van het bezwaarschrift, inzonderheid wat de datum betreft waarop de Gew.dir. het heeft ontvangen, rust op de belastingplichtige. Hij mag dat bewijs door middel van vermoedens leveren (Cass., 14.4.1959, Van Ryckegem; Pas. 1959, I, 820).

2. Het bezwaarschrift moet binnen de wettelijke termijn bij de Gew.dir. toekomen

Nummer 371/30

De uitdrukking "ingediend worden" die voorkomt in art. 371, WIB 92, moet worden uitgelegd in die zin, dat het niet volstaat dat het bezwaarschrift binnen de vereiste termijn zou opgestuurd worden, maar dat de wetgever daardoor heeft willen bedoelen dat het binnen de wettelijke termijn aan de bevoegde Gew.dir. ter hand moet worden gesteld (Cass., 31.1.1950, De Beir, S.V.R. X, blz 69; 28.6.1955, Lannoy, Pas 1955, I, 1179).

Het bezwaarschrift is maar werkelijk ingediend op het ogenblik dat de Gew.dir. ervan kan kennis nemen. Dienvolgens mag een bezwaarschrift dat, volgens de bewering van de belastingplichtige, op de laatste nuttige dag van de bezwaartermijn in de brievenbus werd gestoken van het gebouw waarin de kantoren van de Gew.dir. zijn gevestigd, op een uur waarop die kantoren onbetwistbaar gesloten zijn, en door de diensten van de directie slechts de volgende dag als binnengekomen werd afgestempeld, niet als tijdig ingediend worden beschouwd (Brussel, 8.4.1957, SPRL Laboratoires de recherches biologiques Triosol).

F. GEEN BEZWAARSCHRIFT BINNEN DE WETTELIJKE TERMIJN

Gevolgen

Nummer 371/31

Bij gebreke van een regelmatig bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn, wordt de aanslag definitief ten aanzien van de belastingplichtige, in die zin dat de belasting wettelijk ondersteld wordt verschuldigd te zijn en voor de belastingplichtige forclusie is ingetreden van het recht bezwaar in te dienen. Deze omstandigheid onderstelt nochtans niet dat de onderscheiden bestanddelen, welke samen tot het bepalen van de belastbare grondslag hebben gediend, hierdoor een onherroepelijk karakter van juistheid hebben verworven.

Bijgevolg heeft de administratie, onafhankelijk van het recht om, wegens onvoldoende taxatie, een aanvullende aanslag na te vorderen in de bij art. 354, WIB 92, bepaalde termijnen, bij vaststelling van de voor het aj. verschuldigde belasting, de mogelijkheid om de werkelijkheid te betwisten van de gegevens die hebben bijgedragen tot de vaststelling van het bedrag van de aanslag betreffende een vorig aj., voor zover die aanslag niet het voorwerp was van een administratieve of rechterlijke beslissing die het gezag van het gewijsde verkreeg. Geen enkele wetsbepaling ontneemt de belastingplichtige die zelfde mogelijkheid (Ter zake ging het voor de belastingplichtige erom het bestaan van vorige verliezen aan te tonen) (Cass., 18.6.1963, SPRL Ets. Lenne-Bourdon, Bull. 413, blz. 2277).