Commentaar van art. 378, WIB 92

Art. 378, WIB 92

I. Wettekst

378/0

II. Commentaar

378/1-26

A. Vorm en motivering van het verzoekschrift

378/1

B. Gebruik der talen

378/2

C. Wie mag de voorziening indienen?

378/3-16

D. De betekening

378/17-22

E. Nieuwe grieven

378/23-26

I. WETTEKST

Nummer 378/0

Art. 378. - De voorziening wordt ingesteld bij een in persoon of door een advokaat opgemaakt verzoekschrift dat ter griffie van het Hof van beroep wordt afgegeven en bij gerechtsdeurwaardersexploot wordt betekend aan de directeur der belastingen bedoeld in artikel 366.

De in artikel 377 bedoelde nieuwe bezwaren mogen worden geformuleerd of wel in de voorziening, of wel in een geschrift dat aan de griffie van het Hof van beroep wordt afgegeven en dit op straf van verval binnen de termijn gesteld in artikel 381.

II. COMMENTAAR

A. VORM EN MOTIVERING VAN HET VERZOEKSCHRIFT

Nummer 378/1

De voorziening wordt ingesteld bij eenvoudig verzoekschrift dat ter griffie van het Hof van beroep moet worden afgegeven. Dit verzoekschrift moet enkel de wil van rekwirant te kennen geven de beslissing van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar bij het Hof van beroep aanhangig te maken.

Het moet niet noodzakelijk gemotiveerd zijn. Immers, noch art. 378, WIB 92, noch enig andere wetsbepaling vereist dat de voorziening gemotiveerd zou zijn of de middelen zou aanwijzen waarop het steunt (Cass., 11.01.1955, Hupperts, Pas. 1955, I, 482).

B. GEBRUIK DER TALEN

Nummer 378/2

Wanneer het Hof van beroep kennis neemt van de voorzieningen gericht tegen de beslissingen van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar wordt voor de rechtspleging de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld, zulks overeenkomstig art. 24bis, ingelast in de W 15.06.1935, V 404, op het gebruik der talen in gerechtszaken, door de W 10.10.1967, Ger.W (zie art. 170 van de bepalingen tot wijziging vermeld in art. 3 van die W 10.10.1967).

Bijgevolg, dient de niet-ontvankelijkheid te worden verdedigd van de voorzieningen die in een andere taal dan die van de bestreden beslissing zijn gesteld. Het gaat hier om een nietigheid die de rechter in elk geval moet verklaren, of zij nu al dan niet de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt (art. 861 en 862, Ger.W).

Maar de akten die, wegens miskenning van de wet op het gebruik van de talen in gerechtszaken, nietig werden verklaard, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straffe van verval (art. 40, van voormelde W 15.6.1935).

Als ingediend binnen de wettelijke termijn moet dus worden beschouwd, de tweede voorziening in beroep, geldig van uit taaloogpunt, die werd ingediend vóór het arrest waarbij een eerste voorziening wegens overtreding van de taalregeling in gerechtszaken wordt vernietigd (Brussel, 15.01.1973, De Decker, Bull. 516, blz. 470).

C. WIE MAG DE VOORZIENING INDIENEN ?

Nummer 378/3

Behoudens de uitzonderingen waarvan sprake in de volgende nummers, moet de voorziening bij het Hof van beroep, om ontvankelijk te zijn, worden ondertekend door de belastingplichtige in persoon of door een advocaat.

Gevonnist werd dat geen enkele wetsbepaling op straffe van nietigheid van de voorziening voorschrijft dat de eiser zou vermelden in welke hoedanigheid hij optreedt. Het kan volstaan dat die hoedanigheid bestaat en dat de administratie ze kan vaststellen (Brussel, 7.7.1954, Tarasovici - zie nochtans 378/9).

Het feit alleen dat het verzoekschrift door een advocaat werd ondertekend, houdt in dat deze laatste met de zaak werd belast; hij treedt aldus op als gevolmachtigde zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken; hier geldt een vermoeden dat door de staat, de aard en de tucht van de advocaat wordt gerechtvaardigd.

1. Voorziening door een fiscaal deskundige

Nummer 378/4

Is niet ontvankelijk de voorziening die in naam van de belastingplichtige door een fiscaal deskundige werd ingesteld, daar deze laatste geen gevolmachtigd advocaat is (Brussel, 09.12.1964, Verschueren).

2. Voorziening op naam van een overleden persoon

Nummer 378/5

Geen rechtsgeding kan worden ingesteld of aangevangen op naam van een persoon die niet meer bestaat, al had die persoon aan een andere volmacht gegeven in zijn naam op te treden. Inderdaad, de lastgeving heeft een einde genomen met het overlijden van de volmachtgever. Daar het geding niet geldig werd ingeleid, kan het niet worden voortgezet door de erfgenamen van de belastingplichtige (Cass., 29.09.1953, De Vriendt, Pas. 1954, I, 60). De erfgenamen moeten dus zelf het beroep instellen.

Nummer 378/6

De door meerdere rechtverkrijgenden van een overleden belastingplichtige voor het Hof van beroep gebrachte betwisting die betrekking heeft op de belastingaanslag ingekohierd ten laste van hun rechtsvoorganger, dient ten opzichte van alle partijen op dezelfde wijze te worden beslecht, hetgeen inhoudt dat de betwisting onsplitsbaar is (Cass., 18.09.1956, Depotter, Pas. 1957, I, 19).

Die rechtspraak, welke dateert van vóór het Ger.W, blijft gelden in het kader van dit wetboek.

Nummer 378/7

De materie betreffende de onsplitsbaarheid wordt evenwel thans geregeld door art. 1053, van dat wetboek :

Art. 1053 - Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

Deze moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken.

Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt het hoger beroep niet toegelaten.

De beslissing kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

Nummer 378/8

Voor de toepassing van die beschikking, kunnen drie gevallen worden aangehaald :

- het bezwaarschrift werd reeds ingediend door de rechthebbenden van een overleden belastingplichtige en de beslissing werd op hun naam getroffen;

- de belastingplichtige is overleden na het indienen van het bezwaarschrift doch vóór de beslissing werd getroffen : deze laatste wordt dan getroffen in zijn naam, doch aan zijn rechthebbenden ter kennis gebracht (zie 375/31);

- de belastingplichtige is overleden gedurende de termijn die bepaald is om een voorziening bij het Hof van beroep in te stellen : dit heeft de schorsing van het verloop van de termijn en een nieuwe kennisgeving tot gevolg (zie 375/32 en 379/11).

In die drie gevallen dient de voorziening bij het Hof van beroep niet noodzakelijk door al de rechthebbenden van de overleden belastingplichtige te worden ingesteld, maar de gebeurlijke appellant(en) moet(en), overeenkomstig art. 1053, lid 2, Ger.W, de overige rechthebbenden voor het sluiten van de debatten en op straf van niet-ontvankelijkheid van het beroep, in het geding betrekken.

3. Voorziening ingesteld door een wettelijk onbekwaam verklaarde persoon

Nummer 378/9

Wie door het feit van de wettelijke onbekwaamverklaring van de bekwaamheid is beroofd zijn goederen te beheren en er over te beschikken, tenzij bij testament, mag niet persoonlijk in rechte optreden om zijn vermogensrechten te verdedigen (Cass., 16.10.1951, Samyn, Pas. 1952, I, 84).

De voorziening van een onbekwame kan worden beschouwd als een daad van enkel behoud, vatbaar voor nadere regeling, maar het optreden van een voogd of een voorlopige bewindvoerder is onontbeerlijk om het geding te kunnen hervatten (Luik, 30.05.1951, Van Mol; Gent, 31.10.1951; Samyn).

4. Voorziening ingesteld door een gefailleerde

Nummer 378/10

Hoewel, in principe, het recht om een voorziening in beroep tegen de beslissing van de directeur of van de door hem gedelegeerde ambtenaar in te dienen aan de curator van het faillissement toekomt, kan dit recht, wegens het bewarend karakter van de voorziening, eveneens door de gefailleerde worden uitgeoefend.

5. Voorziening ingesteld door een persoon die onder het toezicht van een gerechtelijk raadsman werd geplaatst

Nummer 378/11

De verkwister blijft bekwaam om alleen te beslissen of hij een voorziening tegen de beslissing van de directeur of van de door hem gedelegeerde ambtenaar zal indienen, maar het instellen van de voorziening moet geschieden met de bijstand van zijn gerechtelijk raadsman.

6. Voorziening ingesteld door een persoon wiens goederen onder sekwester zijn gesteld

Nummer 378/12

Wat de personen betreft wier goederen onder sekwester werden gesteld, behoort het recht om een voorziening in beroep in te dienen tegen de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar aan de belastingplichtige zelf, behoudens wanneer het om een vijandelijk sekwester gaat, in welk geval dit recht door de mandataris van de Dienst van het Sekwester wordt uitgeoefend.

7. Voorziening ingesteld door een vennootschap

Nummer 378/13

Deze materie wordt geregeld door art. 378, WIB 92 en art. 703, Ger.W, dat luidt als volgt :

Art. 703 - Rechtspersonen treden in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen.

Om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding en in elke akte van rechtspleging is het voldoende hun benaming, hun rechtskarakter en hun maatschappelijke zetel op te geven.

De partij tegen wie zodanige akte van rechtspleging wordt ingeroepen, heeft evenwel het recht om in elke stand van het geding te eisen dat de rechtspersoon haar de identiteit meedeelt van de natuurlijke personen die zijn organen zijn.

Het vonnis over de zaak kan worden uitgesteld zolang aan deze vordering niet is voldaan.

In zover het evenwel bepaalt dat de voorziening in beroep wordt gedaan bij verzoekschrift, in persoon of door een advocaat, heeft art. 378, WIB 92, voorrang op de bepalingen van het Ger.W (art. 2 van dit laatste wetboek).

Doch die voorrang betreft enkel de handtekening van de voorziening in beroep vermits de identiteit van het rechtswezen wordt geregeld door art. 703, lid 3 en 4, Ger.W.

Nummer 378/14

Om te oordelen of een voorziening ingesteld door een vennootschap ontvankelijk is, dient dus te worden onderzocht, eensdeels, op welke wijze die vennootschap van haar identiteit in de voorziening heeft laten blijken en, anderdeels, wie dit stuk heeft ondertekend.

Met betrekking tot de identiteit van de vennootschap, kan het volstaan dat er in de voorziening melding wordt gemaakt van haar benaming, haar rechtskarakter en haar maatschappelijke zetel.

Daarentegen, dient de voorziening ondertekend te zijn door de natuurlijke persoon (of personen) die gerechtigd is (zijn) om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen of door een advocaat die daartoe vooraf door de voormelde personen werd gemachtigd.

In dit verband werd gevonnist dat :

- de bestuurders alle handelingen in naam van een naamloze vennootschap moeten uitvoeren, hetzij als eiser, hetzij als verweerder; bijgevolg, is de inleiding van een fiscale voorziening een daad die aan de raad van bestuur is voorbehouden (Cass., 20.10.1960, NV "La Centrale de la Récupération", Bull. 376, blz. 1013);

- voor een naamloze vennootschap, de voorziening evenwel mag worden ingesteld door een persoon (bv. de voorzitter van de raad van bestuur, een bestuurder, een directeur, een advocaat) die door de statuten of door de raad van beheer werd gemachtigd om voor de vennootschap in rechte op te treden (Cass., 20.10.1960, NV "La Centrale de la Récupération", Bull. 376, blz. 1013);

- uit de bepalingen van art. 378, WIB 92 niet voortvloeit dat de nietigheid van de voorziening door een stilzwijgende toestemming of door een bevestiging vanwege de raad van bestuur zou gedekt zijn (Cass., 25.06.1968, SA Bosco, Bull. 464, blz. 900).

Wanneer een voorziening in beroep door een vennootschap werd ingesteld, dient te worden onderzocht, hetzij door de statuten van de vennootschap te raadplegen, hetzij door aan de vennootschap zelf opheldering te vragen, of de persoon die de voorziening heeft ondertekend, wel het hiertoe gemachtigd bevoegd orgaan was in de zin van art. 703, lid 1, Ger.W of een tot dit doel door genoemd bevoegd orgaan geldig gevolmachtigde advocaat. Het is de vennootschap zelf die hiervan de bewijslast draagt.

8. Voorziening ingediend door een vennootschap in vereffening of door een vereffende vennootschap

Nummer 378/15

Nadat een vennootschap werd ontbonden en in vereffening gesteld, beschikken de vroegere bestuurders of vennoten-zaakvoerders niet meer over de macht om, in die hoedanigheid, in rechte op te treden. Die macht behoort voortaan uitsluitend aan de vereffenaars die als dusdanig werden aangesteld, hetzij door de statuten, hetzij door de algemene vergadering van de deelgenoten, hetzij nog door het gerecht. Het is slechts bij gebrek aan dergelijke aanstelling dat de vroegere bestuurders of vennoten-zaakvoerders als vereffenaars worden beschouwd (art. 179 en 180 van de SWHV).

9. Ontvankelijkheid van een voorziening door een vennootschap ingediend na het sluiten van haar vereffening

Nummer 378/16

Uit het arrest dd. 12.6.1974 van het Hof van beroep te Luik inzake de NV "Compagnie des Eaux d'Utrecht", in vereffening, blijkt dat de fictie van het voortbestaan van de rechtspersoonlijkheid van een vennootschap, na de sluiting van de vereffening (art. 178 en 194 van titel IX, Wkh.) niet enkel aan de schuldeisers van de vennootschap de mogelijkheid biedt hun rechten tegenover de vereffenaars te laten gelden, maar dat dit "passief voortbestaan" ook de vennootschap in staat stelt zich te verdedigen tegen alle acties en vervolgingen waarvan ze het voorwerp is en, te dien einde, een beroep te doen op alle nuttige rechtsmiddelen; dat de voorziening in beroep, waarin de belastingwet voorziet, op wettelijke wijze een recht van verdediging in werking stelt; dat de vereffenaars niet enkel het recht maar ook de plicht hebben gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarin de wet ten voordele van de belastingplichtige voorziet en dat, door een voorziening in beroep in te dienen, tegen de beslissing van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar), die werd gewezen na de sluiting van de vereffening van de vennootschap, zij terecht beoogd hebben de belangen die hun werden toevertrouwd, te behartigen (zie ook Cass., 08.11.1960, Maes en Legein, Bull. 374, blz. 599).

In zijn arrest d.d. 17.12.1965 inzake de SV Luxor en consoorten tegen Borkon (Pas. 1966, II, 344) heeft het Hof van beroep te Brussel, verder aangenomen dat het voortbestaan van een handelsvennootschap, boven de termijn van 5 jaar na de publicatie van de sluiting van de vereffening kan worden verlengd, om te antwoorden op een actie die tegen haar werd ingeleid vóór het verstrijken van de termijn van 5 jaar, tot zolang een niet meer voor voorziening vatbare definitieve beslissing op die actie werd gewezen.

D. DE BETEKENING

1. Betekening van de voorziening aan de Gew.dir. bij ter post aangetekende brief

Nummer 378/17

Art. 32, Ger.W verduidelijkt wat dient te worden verstaan onder "betekening" en "kennisgeving".

In de zin van dit wetboek verstaat men :

- onder betekening : de afgifte van een afschrift van de akte; zij geschiedt bij deurwaardersexploot;

- onder kennisgeving : de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift; zij geschiedt langs de post.

Houdt men zich aan de art. 32 e.v., Ger.W, dan kan de bij art. 378, WIB 92 voorgeschreven betekening slechts bestaan in de daadwerkelijke afgifte, door de gerechtsdeurwaarder, van een afschrift van het exploot aan de Gew.dir. in persoon of aan zijn aangestelde.

Art. 392, WIB 92, wijkt evenwel af van het Ger.W, doordat het in zijn eerste paragraaf bepaalt dat de gerechtsdeurwaarders de te betekenen exploten bij ter post aangetekende brief mogen toezenden en dat de afgifte van de brief aan de post geldt als betekening aan de betekende partij.

Nummer 378/18

Overigens, vermits het verzenden en de afgifte aan de betekende tot de bevoegdheid van de postdienst behoren, en de geest van de wet evenmin als de tekst ervan, een onderscheid maken wat de woonplaats betreft van de personen aan wie de te betekenen exploten in belastingzaken langs de post kunnen worden toegestuurd, kan men niet begrijpen dat de door het hierboven vermeld art. 392, WIB 92, toegestane wijze van betekening beperkt zou worden tot het rechterlijk arrondissement van de instrumenterende deurwaarder (Brussel, 20.2.1950 De Vrée; Gent, 14.11.1950, Rowie; Luik, 15.12.1950, Schouterden).

Ten slotte is het zonder belang, voor zover het betekeningsexploot binnen de wettelijke termijn ter post wordt afgegeven, dat het door de Gew.dir. wordt ontvangen na het verstrijken van die termijn (art. 392, § 1, lid 2, WIB 92).

Opgemerkt wordt dat, na de afgifte ter post van het te betekenen exploot, het origineel van het betekeningsexploot ofwel nog binnen de termijn van 40 dagen, bepaald bij art. 379, WIB 92, ter griffie van het Hof van beroep dient te worden neergelegd, ofwel indien het met de post wordt toegezonden (art. 384, WIB 92) binnen voormelde termijn ter griffie dient toe te komen. Indien, op het stuk van te betekenen exploten, de afgifte ter post als betekening geldt (art. 392, § 1, lid 2, WIB 92) dan is zulks niet het geval voor de neerleggingen die bij aangetekende brief kunnen geschieden (zie 384/2, lid 2 en 3).

2. De betekening moet worden gedaan aan de Gew.dir. bedoeld in art. 366, WIB 92 en niet aan de gedelegeerde ambtenaar die de beslissing heeft getroffen

Nummer 378/19

De betekening van de voorziening in beroep aan de Gew.dir. bedoeld in art. 366, WIB 92 en niet aan een ander Gew.dir. is een substantiële formaliteit, voorgeschreven niet met het doel de belangen van een partij te beschermen, maar teneinde de wettelijkheid van de aanslagen te verzekeren. Het verval dat de niet-naleving tot gevolg heeft, is van openbare orde en kan niet worden gedekt door de vaststelling dat die niet-naleving de belangen van de tegenpartij niet schaadt (Cass., 10.07.1951, Rowie, Pas. 1951, I, 781).

De voorziening in beroep die werd betekend aan de inspecteur die als gedelegeerde ambtenaar de beslissing had getroffen is niet ontvankelijk. Inderdaad, de delegatie van de beslissingsmacht (W 08.08.1980) houdt slechts in dat de gedelegeerde ambtenaar een beslissing kan treffen, doch geenszins bezwaren of voorzieningen ontvangen, daar deze handelingen niet in de gedelegeerde bevoegdheden zijn begrepen en bovendien, volgens de uitdrukkelijke bepalingen van de art. 375 en 378, WIB 92 aan de directeur werden voorbehouden (Antwerpen, 11.03.1991, Luickx).

3. Afgifte van de omslag met de betekening aan de huisbewaarder van het gebouw der directie

Nummer 378/20

De administratie betwist tevergeefs de geldigheid van een voorziening betekend aan de huisbewaarder van het gebouw waarin de directie der belastingen is ondergebracht. De betekening mag, overeenkomstig de regelen van de rechtsvordering in burgerlijke en handelszaken, persoonlijk of ten huize worden gedaan; de wet vergt niet dat de betekening persoonlijk aan de Gew.dir., noch gedurende de uren van openstelling der kantoren wordt gedaan (Brussel, 05.05.1943, Mertens).

4. Betekening door het achterlaten door de gerechtsdeurwaarder van een afschrift van het exploot in de brievenbus van de gewestelijke directie

Nummer 378/21

De voorschriften van het Ger.W zijn van toepassing inzake de betekening van de voorziening in beroep. Wanneer die betekening niet aan de persoon zelf kan worden gedaan, of evenmin aan de huisbewaarder van het gebouw waarin de gewestelijke directie is gehuisvest, mag de gerechtsdeurwaarder, overeenkomstig art. 38, Ger.W, een afschrift van het exploot onder gesloten omslag achterlaten in de brievenbus van de directie.

In dat geval vermeldt de gerechtsdeurwaarder op het origineel van het exploot en op het betekend afschrift de datum, het uur en de plaats waarop dit afschrift werd achtergelaten.

Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de aanbieding van het exploot, moet de gerechtsdeurwaarder onder een ter post aangetekende omslag een brief verzenden waarin hij ondermeer melding maakt van de mogelijkheid voor de geadresseerde persoonlijk, of voor een schriftelijk gevolmachtigde, een eensluidend afschrift van dit exploot af te halen op zijn kantoor tijdens een termijn van maximum drie maanden te rekenen vanaf de betekening.

5. Plaats, dag en uur van de betekening

Nummer 378/22

Geschiedt de betekening overeenkomstig de bepalingen van het Ger.W, d.w.z. door afgifte van een afschrift van de akte bij deurwaardersexploot, dan mag ze niet worden gedaan in een voor het publiek niet toegankelijke plaats, vóór zes uur 's morgens of na negen uur 's avonds, op zaterdag, op zondag of op een wettelijke feestdag (art. 47, Ger.W).

E. NIEUWE GRIEVEN

1. Onderwerpen van nieuwe grieven aan het Hof van beroep

Nummer 378/23

Krachtens art. 378, lid 2, WIB 92 kan de eiser, die aan het Hof van beroep nieuwe grieven als bedoeld in art. 377, lid 2, van hetzelfde wetboek wenst te onderwerpen (zie nrs. 377/29 tot 31) deze grieven formuleren ofwel in het tot het Hof gericht verzoekschrift, ofwel in een achteraf ter griffie neergelegd geschrift.

2. Termijn voor het onderwerpen van nieuwe grieven

Nummer 378/24

Overeenkomstig art. 381, WIB 92 is de eiser die, in het stadium van de voorziening in beroep, gebruik wil maken van nieuwe stukken, ertoe gehouden deze ter griffie van het Hof neer te leggen binnen 60 dagen nadat de Gew.dir. het dossier betreffende de betwisting heeft neergelegd.

Voor het indienen van nieuwe grieven, die niet in het beroepsschrift zelf worden geformuleerd, wordt dezelfde termijn opgelegd; hoewel dergelijke grieven, waarbij een overtreding van de wet of een schending van procedurevormen wordt ingeroepen, slechts zelden het neerleggen van nieuwe stukken zullen meebrengen, komt het logisch voor, gelet op de mogelijke samenhang tussen de grieven en de stukken, de termijn voor het neerleggen van nieuwe stukken te doen samenvallen met die voor het inroepen van nieuwe grieven.

Er wordt op gewezen dat de in art. 378, WIB 92 gestelde termijn wordt opgelegd op straf van verval, wat niet het geval is met de in art. 381, WIB 92 bepaalde termijn. Men dient zich dus strenger te betonen wat het naleven van de eerste van deze termijnen betreft.

3. Administratieve pleegvormen in verband met het onderwerpen van nieuwe grieven

Nummer 378/25

Vermits bij art. 382, WIB 92 aan de Gew.dir. slechts een enkele termijn van dertig dagen wordt toegekend om, eensdeels, kennis te nemen van de nieuwe grieven en de nieuwe stukken die uiterlijk 60 dagen na het neerleggen van het dossier betreffende de betwisting ter griffie werden ingediend en, anderdeels, om aan de griffie de memories, stukken en bescheiden af te geven die hij als antwoord meent te moeten voordragen, komt het er op aan vlug te handelen en volgende richtlijnen in acht te nemen :

- wanneer een nieuwe grief in het beroepsschrift wordt aangevoerd, dient daarop te worden geantwoord in de samenvattende nota van het geschil en de nieuwe stukken of bescheiden van de administratie met betrekking tot dit antwoord, worden gevoegd bij het dossier dat krachtens art. 380, WIB 92 ter griffie wordt neergelegd.

In de samenvattende nota worden, onder de titel "Argumenten ingeroepen voor het Hof van beroep" twee rubrieken onderscheiden met respectievelijk volgende hoofding :

1. In het bezwaarschrift ingeroepen grieven;

2. Nieuwe grieven.

De weerlegging van laatstbedoelde grieven vergt uiteraard een uitvoeriger ontwikkeling dan die van het antwoord op eerstbedoelde grieven.

In geval nieuwe grieven in het beroepsschrift worden ingeroepen, wordt het vak "bestemd voor het Hoofdbestuur" van de mappen 246 met een brede rode lijn doorgestreept;

- voor ieder beroepsdossier zal de directeur, zelfs in de hoger bedoelde eventualiteit, bij het toezenden van de map 246 aan de departementsadvocaat deze verzoeken na te gaan of nieuwe stukken en/of nieuwe grieven ter griffie van het Hof werden voorgebracht (zie model van brief onder nr. 380/17). De advocaat moet onverwijld aan de Gew.dir. ofwel fotocopieën van die stukken bezorgen ofwel een nihilattest toezenden.

Onmiddellijk na ontvangst van die fotocopieën onderzoekt de Gew.dir., binnen de kortst mogelijke tijd, de ontvankelijkheid van de nieuwe grieven en stukken alsmede de grond van bedoelde grieven.

Indien, ter beantwoording van nieuwe grieven stukken of een memorie ter griffie moeten worden neergelegd, dienen zij aldaar te worden afgegeven voor het verstrijken van de termijn van dertig dagen bepaald bij art. 382, WIB 92 Zo het neerleggen van dergelijke bescheiden niet nodig is, volstaat het aan de departementsadvocaat -met copie voor het hoofdbestuur- de gegevens van het antwoord te bezorgen zodat hij deze in een besluitschrift kan uiteenzetten.

Nummer 378/26

Het hoofdbestuur dringt er speciaal op aan dat deze verschillende taken zeer vlug zouden worden uitgevoerd, gelet op de zeer korte termijn die bij art. 382, WIB 92 wordt toegestaan.