Commentaar van art. 381, WIB 92

I. Wettekst

381/0

II. Commentaar

381/1-10

A. Neerlegging

381/1-7

B. Termijn

381/8-10

I. WETTEKST

Nummer 381/0

Art. 381. - De eiser die gebruik wil maken van nieuwe stukken, is gehouden deze neer te leggen ter griffie van het Hof, binnen zestig dagen na neerlegging van de uitgifte en van de stukken, bedoeld in artikel 380, door de directeur der belastingen.

II. COMMENTAAR

A. NEERLEGGING

1. Aard van de nieuwe stukken

Nummer 381/1

Bij gebrek aan een wettelijke definitie, dienen de termen "nieuwe stukken" in hun gebruikelijke betekenis te worden begrepen. Is niet nieuw een stuk waarvan de inhoud niet onderscheiden is van die der andere stukken, waaraan het enkel een verduidelijking brengt (Cass., 10.7.1951, Dofny, Pas. 1951, I, 782; zie tevens nota onder Cass., 10.1.1956, Gausset, Pas. 1956, I, 449).

2. Neerlegging van een deskundig verslag

Nummer 381/2

Een verslag van een deskundige opgemaakt verschillende maanden na het indienen van de voorziening in beroep, doch zonder dat er objectieve documenten en gegevens worden aangewend die verschillen van die welke aan de administratie werden onderworpen, en dat zich dus slechts heeft kunnen beperken tot een kritiek of tot een interpretatie van de gemeenschappelijke stukken, is geen nieuw stuk volgens de betekenis welke de wetgever aan die uitdrukking heeft willen hechten en moet dus niet uit het debat worden geweerd, omdat het niet ter griffie werd ingediend binnen de bij de wet bepaalde termijn (Brussel, 5.6.1950, Gnieslow).

Zelfs indien het deskundig onderzoek door het Hof van beroep wordt bevolen, mogen de experten geen gewag maken van nieuwe stukken die niet werden voorgebracht binnen de wettelijke termijnen (Cass., 1.2.1926, Deswaef, Pas. 1926, I, 212).

3. Neerlegging van gemeenschappelijke stukken

Nummer 381/3

Als nieuwe stukken mogen niet worden verworpen, de bescheiden die aan de betrokken partijen gemeen zijn, zoals een briefwisseling gevoerd met de administratie na de voorziening, een overeenkomst, enz., alsmede stukken die het karakter hebben van openbare akten, zoals een vonnis, enz. (Répertoire pratique de droit belge, V° Impôts, nr. 757; Brussel, 26.6.1952, De Laet; Luik, 24.6.1954, NV Imprimeries du Limbourg).

4. Nieuwe stukken waarover de belastingplichtige reeds vroeger beschikte

Nummer 381/4

Er werd gevonnist dat :

- de belastingplichtige voor het Hof van beroep stukken mag neerleggen, die niet werden ingeroepen gedurende de afhandeling van zijn bezwaarschrift, wanneer de neerlegging van die documentatie niet tot gevolg heeft de aard van de betwisting, waarin het Hof van beroep gemachtigd is uitspraak te doen, te verdraaien en wanneer ze overeenkomstig art. 381, WIB 92, worden neergelegd (Cass., 14.3.1957, CVA "De Spa et fils", Pas. 1957, I, 837);

- het gebrek aan antwoord op de vragen om inlichtingen van de Insp. na het indienen van het bezwaarschrift wordt niet getroffen door enigerlei wettelijk verval; ongetwijfeld mag het bezwaarschrift, bij ontstentenis van een rechtvaardiging, bij de beslissing van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) worden afgewezen, doch de belastingplichtige is uit dien hoofde niet vervallen van zijn recht om eventueel bewijsstukken te verschaffen (door middel van binnen de termijn neergelegde stukken) bij het onderzoek van het beroep tegen de beslissing (Brussel, 3.7.1952, Lenaerts).

5. In hoever zijn de nieuwe stukken ontvankelijk ?

Nummer 381/5

Zelfs indien de nieuwe stukken binnen de wettelijke termijn werden neergelegd, is het nog niet zeker dat ze ontvankelijk zijn.

De belastingplichtige mag immers slechts voor de eerste maal nieuwe stukken voor het Hof van beroep neerleggen, als die documentatie de aard van zijn bezwaarschrift niet wijzigt, noch verdraait, en aldus voor het Hof van beroep geen eis wordt ingesteld, verschillend van die welke aan de Gew.dir. der belastingen werd voorgelegd (Cass., 25.4.1950, Mary, Pas. 1950, I, blz. 587, met advies van M. de Advocaat-generaal Ganshof van der Meersch; 14.3.1957, CVA "De Spa et Fils", Pas. 1957, I, 837).

6. Stukken met betrekking tot nieuwe grieven voorgebracht voor het Hof van beroep

Nummer 381/6

Zoals in de commentaar op art. 377, WIB 92 werd aangestipt, blijft de niet-ontvankelijkheid van nieuwe grieven voor het Hof van beroep de algemene regel, zodat de rechtspraak en de onderrichtingen waarvan sprake in 381/4 en 381/5 in beginsel van toepassing blijven.

Vermits thans voor het Hof van beroep nieuwe bezwaren mogen worden ingeroepen voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van op straf van nietigheid voorgeschreven procedurevormen inroepen is het logisch de neerlegging van de nieuwe stukken, die door dergelijke grieven noodzakelijk worden gemaakt, als ontvankelijk te beschouwen.

7. Neerlegging van nieuwe stukken bij ter post aangetekende brief

Nummer 381/7

Overeenkomstig art. 384, WIB 92, mag de neerlegging van nieuwe stukken ter griffie van het Hof van beroep bij ter post aangetekende brief geschieden.

B. TERMIJN

1. Berekening van de termijn voor het neerleggen van de nieuwe stukken

Nummer 381/8

Om vast te stellen of de door de rekwirant ingeroepen nieuwe stukken al dan niet door het Hof van beroep ontvankelijk zijn, behoort het eerst na te gaan of die stukken binnen de wettelijke termijn werden neergelegd.

Die termijn, welke zestig dagen bedraagt, moet worden berekend op dezelfde wijze als de termijn van veertig dagen, welke aan de belastingplichtige wordt toegekend om zijn voorziening in te stellen (zie 379/7).

2. De regels betreffende de neerlegging van de stukken zijn van openbare orde

Nummer 381/9

De bij de art. 380, 381 en 382, WIB 92, voorgeschreven formaliteit voor het neerleggen ter griffie van het Hof van beroep, met het oog op hun voorbrenging voor dit Hof, respectievelijk van procedurestukken door de Gew.dir. der belastingen, van nieuwe stukken door de rekwirant en van memories, stukken of bescheiden die de Gew.dir., in antwoord op bewuste nieuwe stukken, oordeelt te moeten voorbrengen, is gebiedend en van openbare orde; bijgevolg, is het uitgesloten dat de rechter een stuk dat niet overeenkomstig de wet is neergelegd, in beschouwing zou nemen (Cass., 18.11.1969, De Lovinfosse, Bull. 480, blz. 1986).

3. Uitzonderingen op de niet-ontvankelijkheid van nieuwe stukken

Nummer 381/10

Ter zake werd gevonnist dat :

- de art. 380 tot 382, WIB 92, die het recht van de partijen om nieuwe stukken voor het Hof van beroep neer te leggen regelen en beperken, geen enkele afwijking bevatten van de regelen van het gemeen recht, betreffende het vermogen voor de rechter om van ambtswege aan een partij het overleggen van bescheiden, die zij bezit, te bevelen, indien hij zulks tot het beslechten van het geding nuttig acht (Cass., 19.11.1963, Timmermans, Bull. 411, blz. 1855);

- de art. 380 tot 382, WIB 92, zich tegen de neerlegging van nieuwe stukken door de partijen voor het Hof van beroep niet verzetten, wanneer die stukken worden voorgebracht om op nieuwe middelen en argumenten, welke door de tegenpartij in besluiten werden neergelegd, te antwoorden en de rechten van de verdediging werden geëerbiedigd (Cass., 10.1.1956, Gausset, Pas. 1956, I, 449 en nota; 21.5.1963, Verworst-Lauwers, Pas. 1963, I, 1011).

Het past het algemeen karakter te onderlijnen van de beginselen gehuldigd door het Hof van cassatie, beginselen die dus zowel gelden voor de neerlegging van nieuwe stukken door de administratie, als door de belastingschuldige (zie eveneens 383/3).