Commentaar van art. 385, WIB 92

I. Wettekst

385/0

II. Commentaar

385/1-19

A. Algemeen

385/1

B. Hervatting van het geding

385/2-7

C. Diversen

385/8-19

I. WETTEKST

Nummer 385/0

Art. 385. - Indien, bij het oproepen van de zaak, een van de partijen verstek laat gaan niettegenstaande de griffie bij een ter post aangetekende brief een oproeping heeft gezonden aan de in het beroep opgegeven woonplaats, wordt er uitspraak gedaan op de conclusies van de andere partij.

Het arrest wordt in elk geval geacht op tegenspraak gewezen te zijn.

II. COMMENTAAR

A. ALGEMEEN

Nummer 385/1

De oproeping, voor het Hof van beroep, van de partijen op de dag waarop de zaak voorkomt, is dus aan de griffie van het Hof van beroep toevertrouwd.

Zelfs indien één van de partijen geen gevolg geeft aan de oproeping die haar wordt toegezonden en ongeacht de redenen die zij inroept om het niet-verschijnen te verantwoorden, zal het arrest daarom niet bij verstek worden gewezen en zal de procedure tot verzet in geen geval kunnen worden ingeleid (Cass., 13.1.1984, A. Werkers, Bull. 639, blz. 1050).

Er werd gevonnist dat, wanneer de aanlegger geen verstek heeft laten gaan bij het oproepen van de zaak maar niet concludeert betreffende de grieven over de grond die in het verzoekschrift werden opgeworpen, art. 385, 2e lid, WIB 92, het Hof van beroep toelaat door een contradictoir arrest uitspraak te doen over de conclusies van de andere partij, zelfs wanneer de griffie nagelaten heeft bij een ter post aangetekende brief een oproeping aan de woonplaats van aanlegger te verzenden (Cass., 31.1.1961, NV "Ciné Equipement", Bull. 379, blz. 1663).

B. HERVATTING VAN HET GEDING

1. Hervatting van het geding door de erfgenamen

Nummer 385/2

Het kan voorkomen dat de appellant overlijdt na het indienen van de voorziening in beroep, doch voor het sluiten van de debatten. Deze toestand wordt door de art. 815 tot 819, Ger.W geregeld.

Art. 815 van dit Wetboek luidt als volgt :

In de zaken waarin de debatten nog niet gesloten verklaard zijn, blijft het overlijden van een partij, haar verandering van staat of de wijziging van de hoedanigheid waarin zij is opgetreden, zonder gevolg zolang daarvan geen kennis is gegeven.

Hieruit blijkt dat het overlijden van de appellant geen invloed heeft op het verloop van de procedure zolang daarvan geen kennis is gegeven.

Indien die kennisgeving gebeurt, dan wordt het verloop van de procedure onderbroken. De procedure dient slechts op vraag van een partij te worden hervat.

Nummer 385/3

De rechthebbenden kunnen, overeenkomstig de regels bepaald in art. 816, 1e lid, Ger.W het geding vrijwillig hervatten. Alsdan wordt de akte waarin dit inzicht tot uiting komt, ter griffie neergelegd en geeft de griffier kennis van die akte aan de overige partijen (in fiscale geschillen dus aan de administratie).

Indien er een kennisgeving van het overlijden heeft plaatsgehad, zonder vrijwillige hervatting van het geding door de rechthebbenden, moet de administratie zelf het initiatief nemen de rechtverkrijgenden van de overleden appellant te dagvaarden tot hervatting van het geding (art. 816, 2e lid, Ger.W). Zij heeft er, inderdaad, belang bij dat de geschillen met betrekking tot de directoriale beslissingen niet te lang aanslepen.

2. Opsporen van de erfgenamen

Nummer 385/4

In het geval bedoeld in 385/3, 2e lid, moeten eerst en vooral inlichtingen worden ingewonnen bij de bevoegde Ontv. der successierechten om de identiteit en het adres van de erfgenamen te kennen, hun eventuele houding ten opzichte van de nalatenschap (verwerping, aanvaarding, aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving), evenals de datum van het openvallen van de nalatenschap, welke het vertrekpunt is van de bij art. 795, BW, aan de erfgenamen toegestane termijn van drie maanden en veertig dagen om de boedelbeschrijving op te maken en zich te beraden. Gedurende die termijn kan de erfgenaam, inderdaad, niet worden genoodzaakt die hoedanigheid aan te nemen (art. 797, BW) en kan hij "exceptie van uitstel" tegen elke tegen hem in zijn hoedanigheid van erfgenaam gerichte actie tegenwerpen.

Wanneer die inlichtingen bekomen zijn, zullen de aldus ontdekte erfgenamen - tenzij men tegelijkertijd heeft vernomen dat ze allen de nalatenschap hebben verzaakt, en alsdan bevindt men zich in de toestand uiteengezet in 385/6 - na het verstrijken van de termijn van drie maanden en veertig dagen, bij deurwaardersexploot worden gedagvaard om de vordering te hervatten.

3. Dagvaarding tot hervatting van het geding

Nummer 385/5

Alsdan moet de departementsadvocaat, belast met de zaak, het nodige doen.

De door hem gekozen deurwaarder dient zijn staat van onkosten toe te sturen aan de Gew.dir. der belastingen die, na verificatie en eventuele rechtzetting, de Ontv. machtigt de kosten bij wijze van voorschot te betalen. Daar de deurwaarderskosten in de kosten van het geding begrepen zijn, moet de regularisatie worden gedaan wanneer het arrest zal gewezen zijn.

Het is wel verstaan, dat indien één of meer erfgenamen de nalatenschap verzaken, het volstaat de andere te dagvaarden om de vordering te hervatten, hetzij dat zij de nalatenschap hebben aanvaard, hetzij dat zij te haren opzichte nog geen stelling hebben genomen (zie nochtans wat in 385/4 gezegd is in verband met de termijnen om inventaris op te maken en zich te beraden).

Indien de erfgenamen aldus gedagvaard om de vordering te hervatten, niet verschijnen, zal het Hof geldig zijn arrest wijzen bij afwezigheid van één der partijen, zoals bepaald in art. 385, 1e lid, WIB 92 (zie ook art. 818, Ger.W).

4. Onbeheerde nalatenschap

Nummer 385/6

Wanneer na het verstrijken van de termijnen voor boedelbeschrijving en beraad (art. 795, BW) alle erfgenamen de nalatenschap hebben verzaakt, of zich niemand aanmeldt om de nalatenschap op te vorderen of geen erfgenaam bekend is, bevindt men zich voor een onbeheerde nalatenschap, in de zin van art. 811, BW (zie commentaar op art. 300, WIB 92).

Art. 1228, Ger.W bepaalt dat, in dit geval, de rechtbank van eerste aanleg een curator aanwijst op verzoek van ieder belanghebbende of op vordering van de procureur des Konings en dat de beschikking van aanwijzing van de curator, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Wanneer men in een fiscaal geschil, dat voor het Hof van beroep hangend is, voor een onbeheerde nalatenschap komt te staan, dient de Gew.dir. der belastingen - tenzij hij via het Staatsblad of via de met de invordering belaste Ontv. de aanwijzing van een curator heeft vernomen - zich bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg ervan te vergewissen of niet reeds eerder een aanwijzing plaatsvond.

Zo neen, verzoekt de Gew.dir. de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de nalatenschap is opengevallen, de aanwijzing van een curator van de onbeheerde nalatenschap van de overleden belastingplichtige te vorderen; die curator moet het geding hervatten en aldus het Hof in de mogelijkheid stellen geldig uitspraak te doen.

In de aan de procureur des Konings te richten brief worden de omstandigheden van de zaak uiteengezet en wordt zijn aandacht erop gevestigd dat de administratie de benoeming van een curator moet vorderen uitsluitend omdat het Hof van beroep, om fiscale geschillen te beslechten, eist dat de overleden eiser regelmatig voor het Hof zou vertegenwoordigd zijn.

Indien uit de door de administratie ingewonnen inlichtingen blijkt dat de nalatenschap geen voldoende activa omvat om de kosten betreffende de curatele te vereffenen, moet bovendien aan de procureur des Konings worden gevraagd dat, overeenkomstig de suggestie gedaan door het Ministerie van Justitie (brief van 21.1.1965, nr. 2943 P, Administratie van de wetgeving), de curator onder de plaatsvervangende rechters zou worden aangewezen.

Om te voorkomen dat verschillende verzoekschriften tot aanwijzing van een curator zouden worden ingediend met betrekking tot eenzelfde onbeheerde nalatenschap, dienen de Gew.dir. de betrokken Ontvangers op de hoogte te brengen van de aanwijzing van curatoren die, ingevolge een als hierboven bedoeld verzoekschrift, werd bekomen.

5. Bankroet van de rekwirant - Het oproepen van de curator in de zaak

Nummer 385/7

Er werd gevonnist dat, zo de Belgische Staat ertoe gemachtigd is het proces te doen beëindigen - de vordering, eenmaal ingesteld, komt toe aan de twee partijen - hij daartoe slechts kan overgaan tegen een partij die in staat is regelmatig haar belangen te verdedigen : dit brengt, in geval van een na de neerlegging van de voorziening aangegeven faillissement van de rekwirant en bij gebrek aan interventie van de curator, de oproeping van deze laatste in de zaak mede (Brussel, 17.11.1954, Noefnet et Lavendhomme).

Ter zake hadden de curators nochtans aan het Hof geschreven : "dat zij zich naar de wijsheid van het Hof gedroegen, daar de gefailleerde het niet nodig had gevonden hun oproep te beantwoorden en het minste gegeven te verschaffen om te kunnen besluiten". Het Hof heeft beslist dat die officieuze mededeling niet als regelmatige interventie van de curators kan gelden, zodat zij niet in de zaak waren betrokken, noch door vrijwillige, noch door gedwongen interventie.

C. DIVERSEN

1. Wie mag pleiten voor het Hof van beroep ?

Nummer 385/8

Zoals dat voor ieder ander gerecht, dat tot de rechterlijke macht behoort, het geval is (art. 440, 1e lid, Ger.W), mag alleen een advocaat pleiten voor het Hof van beroep zetelend in fiscale zaken; hij verschijnt als gevolmachtigde van de partij, zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, daar de belastingwet geen bijzondere lastgeving vereist (art. 440, 2e lid, Ger.W). De verzoekende partij mag eveneens in persoon verschijnen en het woord nemen om de zaak uiteen te zetten en erover te debatteren.

2. Rechtspleging betreffende de tussenkomsten

Nummer 385/9

Die tussenkomsten worden geregeld door de art. 15 en 16, Ger.W :

Art. 15. - Tussenkomst is een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding.

Zij strekt ertoe, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen.

Art. 16. - De tussenkomst is vrijwillig wanneer de derde opkomt om zijn belangen te verdedigen.

Zij is gedwongen wanneer de derde in de loop van de rechtspleging gedagvaard wordt door een of meer partijen.

a) Vrijwillige tussenkomst

Nummer 385/10

Er werd gevonnist dat :

- de bepalingen van het WIB, met betrekking tot de voorziening voor het Hof van beroep in belastingzaken, slechts aan de personen die gerechtigd zijn een bezwaarschrift tegen het bedrag van de aanslag in te dienen, en, in sommige gevallen, aan de administratie het recht toekennen een eis voor het Hof te stellen; de vrijwillige tussenkomst van een schuldeiser van de belastingschuldige, zelfs zo zij een bewarend karakter heeft, is niet ontvankelijk (Cass., 17.1.1956, "Fabrique Nationale d'armes de guerre", Bull. 328, blz. 349, Pas. 1956, I, 479 en nota; 8.1.1957, NV "Le Colisée", Pas. 1957, I, 513);

- eveneens niet ontvankelijk is de vrijwillige bemoeiing van de echtgenote van de belastingschuldige, gehuwd onder het stelsel van de gemeenschap van goederen (Brussel, 9.6.1964, Père).

b) Gedwongen tussenkomst

Nummer 385/11

Overeenkomstig het algemene beginsel uiteengezet in de in 385/10 vermelde arresten van het Hof van cassatie, is eveneens niet ontvankelijk, het verzoek tot tussenkomst en tot gemeenschappelijk verklaren van arrest, dat door de eiser aan een derde wordt betekend (Brussel, 9.5.1967, NV "Banque Commerciale d'Escompte"). Inderdaad, de procedure eigen aan de inkomstenbelastingen zou het niet mogelijk maken haar normale uitwerksels aan dergelijke tussenkomst te geven, daar de tot bemoeiing opgeroepen derde slechts zijn eigen middelen tot verdediging zou kunnen inroepen, welke als een niet ontvankelijke nieuwe vraag zouden moeten worden beschouwd, vermits ze niet aan de Gew.dir. werden voorgelegd (Brussel, 4.6.1964, PVBA, Wijs Muller).

3. Procedure van afstand

Nummer 385/12

De afstand van de voorziening in beroep kan, in beginsel, enkel met de toestemming van de in de zaak betrokken partijen gebeuren; de afstand is, inderdaad, een overeenkomst die slechts tot stand kan komen mits de aanvaarding van al de betrokken partijen.

De administratie kan weigeren de afstand aan te nemen, wanneer ze daartoe een wettige reden heeft. Is o.m. een dergelijke reden, het feit dat een verzoekschrift tot bekrachtiging van subsidiaire aanslagen werd ingediend.

Wanneer de administratie, door het beroep van de belastingplichtige tegen de beslissing van de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) het recht verkrijgt een subsidiaire aanslag aan de beoordeling van het Hof van beroep te onderwerpen, kan de latere afstand van het beroep door de belastingplichtige, wanneer de administratie weigert de afstand te aanvaarden, het door haar verworven en reeds uitgeoefende recht niet doen vervallen om de geldigverklaring van een subsidiaire aanslag te vorderen en het Hof van beroep aldus niet van de kennisneming van die zaak beroven (Cass., 7.3.1967, SV Noord-natie, Bull. 452, blz. 937).

4. Aanvullende onderzoeken

Nummer 385/13

De geschillen voor de Hoven van beroep kunnen, om verschillende redenen aan een aanvullend onderzoek worden onderworpen (draagwijdte van de ter griffie neergelegde nieuwe stukken, argumenten of grieven ontwikkeld in een binnen de termijn gesteld in art. 378, 2e lid, WIB 92 ter griffie neergelegd geschrift).

Het Hoofdbestuur zendt bovendien aan de betrokken Gew.dir. een lijst van de zaken die voor het Hof van beroep te Brussel worden opgeroepen.

Voor de zaken die hangend zijn voor de Hoven van beroep te Luik en te Gent, moeten de gewestelijke directeurs te Luik en te Gent ter griffie navraag doen van de zaken welke voor die hoven worden opgeroepen en hun betrokken collega's inlichten nopens de vaststelling van de zaken die hun aanbelangen.

Wat de zaken ingeleid bij de Hoven van beroep te Antwerpen en te Bergen betreft, wordt de datum van de eerste oproeping door de griffie bij aangetekende brief bekendgemaakt aan de betrokken Gew.dir. en aan de raadsman van de administratie.

De Gew.dir. stelt op zijn beurt het Hoofdbestuur in kennis van de hem aldus medegedeelde datum.

Wanneer de zaken op het punt staan door het Hof van beroep te worden opgeroepen, moeten ze aan een laatste en vlug onderzoek worden onderworpen. Die herziening wordt uitsluitend door de diensten van de gewestelijke directie verzekerd.

Bij deze herziening moet er worden nagegaan :

1° of de wetgeving of de rechtspraak, zowel de administratieve als de gerechtelijke, niet zodanig is veranderd dat het door de administratie ingenomen standpunt moet worden gewijzigd;

2° of geen nieuwe rechtspraak de stelling van de administratie is komen versterken en het niet wenselijk voorkomt er voor het Hof van beroep gewag van te maken.

a) Het aanvullend onderzoek brengt geen wijziging aan de door de administratie verdedigde stelling

Nummer 385/14

De uitslag van het aanvullend onderzoek wordt door de Gew.dir. in een in vijfvoud opgestelde nota ter kennis van de departementsadvocaat gebracht. Een afschrift van de nota wordt aan het Hoofdbestuur toegezonden.

b) De stelling van appellant lijkt de gewestelijke directeur geheel of ten dele gegrond

Nummer 385/15

In dergelijk geval mag de administratie nochtans aan de belanghebbenden de ontheffingen niet toekennen waarop zij aanspraak zouden kunnen maken, tegen afstand van hun voorziening in beroep en aanbod de kosten te dragen.

Inderdaad, in sommige gevallen, waarin die oplossing werd voorgesteld, heeft het Hof van beroep de door de administratie aanvaarde afstand niet bekrachtigd, maar heeft het de voorziening ongegrond verklaard, na de door de verzoekende partij ingeroepen argumenten naar de grond te hebben onderzocht (Brussel, 27.6.1956, Chevalier voor Despatures, Bull. 327, blz. 309; id. 19.2.1957, Petit).

Die houding is overigens in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van cassatie, dat beslist heeft dat "inzake inkomstenbelastingen het Hof van beroep, gevat door een regelmatige voorziening van een belastingplichtige tegen de beslissing van de directeur der directe belastingen (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) geen teruggave kan bevelen van de op de aanslag geïnde sommen om de enige reden dat de administratie verklaart de ontheffing van de aanslag toe te staan. Het Hof is ertoe gehouden na te gaan of de belasting op grond van de van kracht zijnde wetten al dan niet verschuldigd is" (Cass., 28.2.1939, Lixon, Pas. 1939, I, 104 en nota).

Derhalve wanneer de Gew.dir. van oordeel is dat de door de appellant verdedigde stelling geheel of ten dele gegrond is, brengt hij bij het Hoofdbestuur verslag uit.

Nadat het Hoofdbestuur zijn standpunt heeft bepaald dient de uitslag ervan in de vorm van een in vijfvoud opgestelde nota ter kennis van de departementsadvocaat te worden gebracht. Indien men nog binnen de termijn is gesteld in art. 382, WIB 92, zal deze worden uitgenodigd het nieuwe standpunt van de administratie door middel van een memorie van antwoord aan het Hof kenbaar te maken. Indien deze termijn verstreken is, zal hij dit nieuwe standpunt door middel van besluiten mededelen en het Hof verzoeken de ontlastingen te bevelen die uit het nieuwe onderzoek voortvloeien.

Een afschrift van de aan de departementsadvocaat gerichte brief en van de nota wordt aan het Hoofdbestuur bezorgd.

5. Administratieve voorschriften na het arrest

Nummer 385/16

Onmiddellijk na ontvangst van het gewezen arrest, stuurt de Gew.dir. er een afschrift van aan de advocaat van het Ministerie, met verzoek het dossier van de zaak terug te zenden.

Wanneer het arrest van het Hof van beroep voor de Staat geheel of gedeeltelijk ongunstig is, vraagt de Gew.dir. daarenboven aan de departementsadvocaat of hij het geschikt acht een voorziening in cassatie in te dienen.

Dit advies hoeft niet te worden gevraagd in de gevallen waarin het Hof van beroep zich ertoe beperkt de door de administratie voorgestelde ontheffing te bevelen, noch in de gevallen waarin het Hof zich uitsluitend en zonder twijfel in feite heeft uitgesproken.

Een afschrift van elk door de Hoven van beroep of door het Hof van cassatie gewezen arrest, wordt door de Gew.dir. aan het Hoofdbestuur toegezonden.

De afschriften van de voor de Staat volledig gunstige arresten van de Hoven van beroep en van de arresten waarbij de voorziening in beroep nietig of onontvankelijk wordt verklaard of waarbij de afstand van de voorziening wordt gedecreteerd worden samen, éénmaal per maand, zonder verslag, opgestuurd.

Dit moet gebeuren vóór de 15e van elke maand wat de arresten betreft genotificeerd in de loop van de vorige maand.

Nummer 385/17

Wanneer het arrest van het Hof van beroep, met inbegrip van het "gemengd" arrest bedoeld in de commentaar op art. 387, WIB 92, geheel of gedeeltelijk ongunstig is voor de Staat, moet door de Gew.dir., aan de hand van het volledig dossier en van het door de departementsadvocaat uitgebracht advies, worden nagegaan of het al dan niet wenselijk is een voorziening in cassatie in te dienen.

In de vorenbedoelde gevallen, doch eveneens telkens er twijfel kan bestaan nopens de vraag of het arrest uitgesproken is "alvorens recht te doen" of, integendeel, een "gemengd" arrest is, en - in deze laatste veronderstelling - wanneer het gedeelte dat definitief gewezen schijnt te zijn ongunstig is voor de Staat, moet een afschrift van het arrest binnen de twintig dagen na de kennisgeving ervan, aan het Hoofdbestuur worden toegezonden met een afzonderlijk verslag, waarbij tevens het volledige dossier van het geschil, de besluiten van de advocaten der beide partijen en het advies van de departementsadvocaat (voor zover dit vereist is - zie 385/16, 2e lid) dienen te worden gevoegd.

De termijn van twintig dagen moet steeds worden nageleefd, zelfs als sommige stukken nog niet mochten toegekomen zijn (o.m. voormelde besluiten en bedoeld advies of het advies van het Openbaar Ministerie). De ontbrekende stukken worden onmiddellijk na de ontvangst ervan nagezonden.

Indien de Gew.dir. van mening is dat het niet wenselijk is een voorziening in cassatie in te stellen, moet hij zijn zienswijze in bewust verslag motiveren.

Ingeval de Gew.dir. van oordeel is dat er zich een voorziening in cassatie opdringt en indien blijkt dat het Openbaar Ministerie schriftelijk advies heeft gegeven (cf. art. 764, Ger.W), dient er aan de griffie van het Hof van beroep te worden geschreven om, overeenkomstig art. 725, Ger.W, een eensluidend verklaard afschrift van dit advies te vragen. Het afschrift van dit advies dient eveneens aan het Hoofdbestuur te worden toegezonden; het kan inderdaad nuttig zijn om te beslissen of al dan niet een voorziening in cassatie moet worden ingesteld.

De betaling van het expeditierecht voor het afschrift van dit advies dient te geschieden overeenkomstig de onderrichtingen opgenomen in de Handleiding Periodieke Werkzaamheden, Deel III, Titel V.

De Gew.dir. hoeft geen ontwerp van voorziening in cassatie voor te leggen : het Hoofdbestuur zal zelf het verzoekschrift tot cassatie opstellen. Maar in het hierboven bedoelde verslag worden bondig en klaar de middelen van cassatie opgesomd evenals alle argumenten welke tot de ontwikkeling van die middelen kunnen dienen. Daarenboven, wordt in een afzonderlijke nota, in planvorm, de historiek van gans de taxatie- en bezwaarprocedure uiteengezet met verwijzing naar de bijlagen van het volledige dossier.

6. Interpretatie van de arresten

Nummer 385/18

Overeenkomstig art. 793, Ger.W, kan de rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft getroffen, die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.

Er werd eveneens gevonnist dat een onenigheid tussen partijen nopens de maatregelen die zij dienen te nemen om zich naar een arrest te gedragen, slechts haar oplossing kan vinden door een verzoekschrift ingediend bij de rechtsmacht die het arrest gewezen heeft, ten einde haar in staat te stellen de betekenis van dit arrest nader te bepalen (Brussel, 9.11.1956, NV "Taecke et fils").

Tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, kan de vordering tot uitlegging niet worden ingesteld voordat de termijnen van voorziening in beroep of in cassatie zijn verstreken. Zij kan niet worden ingesteld wanneer tegen de beslissing hoger beroep of voorziening in cassatie is ingesteld. De uitlegging van het bevestigde vonnis staat aan de rechter die de bevestiging uitspreekt (Art. 798, Ger.W).

Voor het overige zal de procedure van uitlegging van het arrest door bemiddeling van de departementsadvocaat worden voortgezet, overeenkomstig de bepalingen van de art. 793 tot 801, Ger.W.

7. Verbetering van de arresten

Nummer 385/19

Overeenkomstig art. 794, Ger.W, kan de rechter de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.

Wanneer de administratie dus staat voor een arrest van het Hof van beroep, dat een gewone verschrijving of misrekening inhoudt, dient ze haar toevlucht te nemen tot de procedure bedoeld in het vorige lid, en niet tot voorziening in cassatie.

In strijd met wat gebeurt voor de procedure betreffende de uitlegging, kan de procedure van verbetering samengaan met het indienen van een voorziening in cassatie gericht tegen een ander punt van het arrest van het Hof van beroep en kan die procedure zowel voor, als na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de voorziening in cassatie worden ingesteld.

De procedure tot verbetering moet door bemiddeling van de departementsadvocaat worden voortgezet overeenkomstig de bepalingen van de art. 793 tot 801 van het Ger.W.