Commentaar van art. 387, WIB 92
| 387/0 | |
| 387/1-24 | |
| 387/1-5 | |
| 387/6-9 | |
| 387/10-17 | |
| 387/18-22 | |
| 387/23-24 |
Nummer 387/0
Art. 387. - Voorziening in cassatie tegen het arrest van het Hof van beroep staat open voor de in de zaak betrokken partijen.
A. ARREST VAN HET HOF VAN BEROEP DAT VOOR HET HOF VAN CASSATIE KAN WORDEN GEBRACHT
1. Het moet gaan om een eindarrest
Nummer 387/1
Art. 19, Ger.W bepaalt desaangaande :
Het vonnis is een eindvonnis in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.
Alvorens recht te doen, kan de rechter een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voorlopig te regelen.
Overeenkomstig deze wetsbepaling, kan het Hof van beroep dus volgende arresten vellen :
- hetzij eindarresten die de rechtsmacht van het Hof volledig uitputten en de gehele betwisting beslechten;
- hetzij arresten "alvorens recht te doen" d.w.z. arresten die aanvullende inlichtingen aan de partijen vragen, een onderzoek of een expertise bevelen, enz.;
- hetzij "gemengde" arresten, die tegelijkertijd op één of meerdere punten een eindarrest uitmaken en voor het overige "arresten alvorens recht te doen" zijn. Dient in deze categorie te worden gerangschikt, het arrest dat er zich toe beperkt te beslissen dat het bezwaarschrift niet laattijdig is, zoals de beslissing voorhield, maar dat de grond van de zaak nog niet beslecht of het arrest dat er zich toe beperkt te beslissen dat de belastingplichtige terecht van ambtswege werd belast, zonder zich uit te spreken over het bedrag van de aanslag, enz.;
Nummer 387/2
Verder, bepaalt art. 1077, Ger.W, het volgende :
Voorziening in cassatie tegen vonnissen alvorens krecht te doen staat slechts open na het eindvonnis; de tenuitvoerlegging van dergelijk vonnis kan zelfs als zij vrijwillig is, niet als middel van niet-ontvankelijkheid worden opgeworpen.
Nummer 387/3
Uit de combinatie van die twee voormelde wetsbepalingen volgt dat :
- wanneer men zich tegenover een gewoon arrest "alvorens recht te doen" bevindt, een voorziening in cassatie slechts mogelijk zal zijn na het vellen van een eindarrest;
- daarentegen, een voorziening in cassatie wel mogelijk is wanneer een arrest een eindarrest is, zelfs ten dele, hetgeen het geval is voor de gemengde arresten. Wanneer dus een arrest de rechtsmacht van het Hof met betrekking tot een van de twistpunten waarover het zich dient uit te spreken (zie de hogervermelde voordelen) uitput, dient de eventuele voorziening onmiddellijk te worden ingediend zonder te wachten op de beslechting van het geheel der betwisting.
Nummer 387/4
Het is dus mogelijk dat het Hof van beroep een tweede arrest velt, dat de betwisting volledig beslecht, zonder de uitslag af te wachten van de voorziening in cassatie tegen het eerste arrest, of zelfs voor het indienen van die voorziening.
In dit verband dient te worden opgemerkt dat :
- de voorziening in cassatie ingesteld tegen het eerste arrest ontvankelijk blijft, zelfs indien de eiser geen voorziening in cassatie instelt tegen het tweede arrest dat de betwisting volledig ten gronde beslecht;
- de verbreking van het eerste arrest van het Hof van beroep vanzelf de vernietiging zou medebrengen van iedere nieuwe beslissing geveld ter uitvoering van het eerste arrest, zonder dat de nieuwe beslissing het voorwerp moet zijn van een voorziening in beroep (Cass., 22.2.1906, Pas. 1906, I, 141).
Die twee opmerkingen werden geput uit de voorbereidende werkzaamheden van de W 10.10.1967, houdende het Ger.W (zie Parl.st., Senaat, 1963-1964, nr. 60, 254).
2. "Pourvoi sur pourvoi ne vaut"
Nummer 387/5
Volgens art. 1082, lid 2 en 3, Ger.W, staat, na de uitspraak op een vordering tot cassatie tegen dezelfde beslissing, geen voorziening meer open voor de partij die haar heeft ingesteld, ook al beweert zij nieuwe middelen te kunnen aanvoeren. Dit geldt zelfs ten aanzien van de punten die in de eerste voorziening niet zijn bestreden.
Indien de voorziening tegen de beslissing alvorens recht te doen, als voorbarig is afgewezen, kan zij evenwel na het eindvonnis worden herhaald.
Deze regel van openbare orde is toepasselijk op de fiscale stof. Zij is evenwel niet van toepassing in geval van regelmatige afstand of in geval van toepassing W 8.3.1948 (gebruik der talen) (Cass., 3.1.1961, Meier, Pas. 1961, I, 481), noch in het geval bedoeld in lid 3 van voormeld art. 1082 Ger.W.
B. BEVOEGDHEID VAN HET HOF VAN CASSATIE
1. Algemeen
Nummer 387/6
De bevoegdheid van het Hof van cassatie wordt geregeld door de volgende bepalingen :
- Art. 95, GW : Er bestaat voor geheel België één Hof van verbreking. Dit Hof neemt geen kennis van de feitelijke toedracht der zaken, behalve bij het berechten van de Ministers.
- Art. 608, Ger.W : Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het Hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.
2. Feitelijke kwesties
Nummer 387/7
Om de bevoegdheid van het Hof van cassatie te bepalen dient eerst onderscheid te worden gemaakt tussen de feitelijke kwesties en de kwesties omtrent het recht.
De feitelijke kwesties en beoordelingen behoren tot de uitsluitende en soevereine bevoegdheid van de rechter over de grond en het Hof van cassatie heeft er geen kennis van te nemen (Cass., 7.2.1950, NV "Etablissements Levy", Pas. 1950, I, 394; 9.1.1962, Leys, Bull. 389, blz. 1431, Pas. 1962, I, 552).
In die zin werd eveneens gevonnist dat het Hof van beroep op soevereine wijze beslist dat de door de administratie ingeroepen vergelijkingspunten op oordeelkundige wijze werden bepaald en dat het er niet toe gehouden is alle argumenten van eiser in dit verband te beantwoorden (Cass., 14.2.1956, Deschamps, Bull. 324, blz. 171, Pas. 1956, 618).
Om te bepalen of een middel van cassatie zich in feite of in rechte voordoet, moet worden nagegaan of het Opperste Hof ertoe verplicht zou zijn feitelijke elementen te onderzoeken en te beoordelen. Een middel dat het Hof er zou toe verplichten aldus te handelen, dient, zelfs indien het zich als een middel in rechte voordoet, te worden beschouwd als het recht en de feiten vermengend en is derhalve niet-ontvankelijk (Cass., 14.5.1957, Texas-Veesaert, Pas. 1957, I, 1100 en nota; 14.2.1961, Preud'homme, Bull. 379, blz. 1678, Pas. 1961, I, 639).
3. Binnen welke grenzen spreekt de rechter over de grond zich in feite uit ?
Nummer 387/8
Het Hof van cassatie is bevoegd om na te gaan of de door de rechter over de grond gedane feitelijke vaststellingen niet strijdig zijn met de gevolgtrekkingen die hij er uit afleidt en of ze die gevolgtrekkingen wettelijk kunnen rechtvaardigen (Cass., 19.10.1948, VZW "Maison Saint-Joseph", Pas. 1948, I, 576; 11.3.1952, NV "Société immobilière Knocke Balnéaire", Pas. 1952, I, 428).
Er werd eveneens gevonnist dat het toezicht dat het Hof van cassatie mag uitoefenen op de wettelijkheid van het besluit van de rechter over de grond, het toezicht op de logica van zijn redenering omvat (Cass., 18.9.1962, Baert, Bull. 397, blz. 1137, Pas. 1963, I, 80).
Nummer 387/9
Evenzo heeft het Hof van cassatie de macht om het wettelijk karakter te controleren dat door de rechter over de grond werd toegekend aan de soeverein vastgestelde feiten, d.w.z. na te gaan of de rechter over de grond zich in zijn gevolgtrekking niet heeft laten leiden door een verkeerd begrip van de wetsbepaling die hij beweert toe te passen.
In die zin werd gevonnist dat :
- het arrest, dat beslist dat de in de oprichtingsakte van een NV bedongen toekenning van effecten aan één van de vennoten, geenszins de aard van een bedrijfsinkomen heeft, niet in feite oordeelt en dat dergelijke beslissing onder het toezicht valt van het Hof van cassatie (Cass., 13.6.1950, Lerner, Bull. 264, blz. 25, Pas. 1950, I, 726);
- zo de rechter over de grond soeverein vaststelt dat een belastingplichtige gedurende het belastbaar tijdperk uitgaven heeft gedaan of verliezen heeft gedragen, het aan het Hof van cassatie behoort te controleren of die verliezen of die uitgaven een bedrijfskarakter hebben, d.w.z. of ze in verband staan met het doel van het bedrijf dat erin bestaat de inkomsten van dit bedrijf te verwerven of te behouden (Cass., 23.5.1950, Kamps, Pas. 1950, I, 679 en nota);
- zo de feitenrechter op soevereine wijze de feitelijke gegevens beoordeelt die hem toelaten te bepalen of er een toestand aanwezig is volgens welke de belastingplichtige een rijksinwoner is in de zin van art. 3, WIB, valt de juridische omschrijving van die gegevens daarentegen onder de toetsing van het Hof van cassatie (Cass. 7.2.1979, Prade, Pas. 1979, I, 673).
1. Controle van de bewijselementen
Nummer 387/10
Zo het Hof van beroep zich soeverein uitspreekt over de feitenkwesties en zo de beoordeling van de gegrondheid der bij de debatten overgelegde bewijselementen van feitelijke aard is en buiten de controle van het Opperste Hof valt (Cass., 18.5.1954, NV "S.I.F.E.I.", Pas. 1954, I, 807), is dit Hof nochtans bevoegd om na te gaan of het Hof van beroep zijn toevlucht niet heeft genomen tot door de wet verboden bewijsmiddelen, of indien het wel zijn toevlucht heeft genomen tot bewijsmiddelen, die, in zekere gevallen, uitdrukkelijk door de wet worden geëist.
Nummer 387/11
In die zin werd gevonnist dat :
- het Hof van beroep de bestanddelen van zijn beslissing niet mag putten uit bij de wet niet toegelaten bewijzen, inzonderheid uit feiten vreemd aan de procedure, uit stukken die niet werden voorgelegd in de bij de art. 380 tot 383, WIB 92, voorgeschreven vormen (Cass., 1.5.1923, Detaille, Pas. 1923, I, 284);
- wanneer de administratie een onjuist erkende aangifte heeft verbeterd met behulp van tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, het tegenbewijs, dat ten laste van de belastingplichtige valt, moet worden geleverd op grond van positieve en controleerbare elementen (Cass., 10.4.1951, Lecolier, Bull. 274, blz. 487, Pas. 1951, I, 532; ibid, 22.1.1952, Hoyaux, Pas. 1952, I, 283 en nota; 29.11.1960, Hanne, Bull. 377, blz. 1200, Pas. 1961, I, 347).
2. Schending van het geloof te hechten aan de stukken
Nummer 387/12
Evenzo, kan een arrest van het Hof van beroep, dat in feite beslist, nochtans het voorwerp van een voorziening in cassatie zijn, als de beslissing van het Hof het geloof schendt dat aan een in het dossier voorkomend stuk moet worden gehecht.
Schendt het geloof te hechten aan een akte, het arrest dat hiervan een interpretatie geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan (Cass., 7.9.1966, Vandekerckhoven, Bull. 437, blz. 170, Pas. 1967, I, 17).
In dit verband werd het volgende gevonnist :
- schendt het geloof dat aan een beslissing van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar moet worden gehecht, het arrest dat die beslissing derwijze interpreteert, dat een bepaalde som gelijk zou zijn aan de aangegeven bedrijfswinst, wanneer het bedrag in werkelijkheid het geheel van de in de aangifte vermelde inkomsten - bedrijfs- en andere inkomsten - vertegenwoordigt (Cass., 18.3.1952, Lodewijck, Pas. 1952, I, 450);
- schendt het geloof te hechten aan de stukken, het arrest dat aan de besluiten van één der partijen een andere betekenis geeft dan hun werkelijke draagwijdte (Cass., 20.3.1956, Herbe, Pas., 1956, I, 771);
- de interpretatie die de rechter over de grond aan de hem voorgelegde getuigschriften geeft, is, daarentegen, soeverein en ontsnapt aan het toezicht van het Hof van cassatie, wanneer ze overeen te brengen is met de bewoordingen van die getuigschriften (Cass., 22.1.1952, Hoyaux, Pas. 1952, I, 283);
- schendt evenmin het geloof te hechten aan de stukken, de rechter over de grond die, in de uitoefening van zijn soeverein beoordelingsrecht, in feite, aan een stuk van het administratief dossier een grotere bewijskracht hecht dan aan een ander (Cass., 2.12.1955, Maerel, Pas. 1956, I, 315).
a) Wanneer mag schending van het geloof te hechten aan de stukken worden ingeroepen ?
Nummer 387/13
Opdat schending van het geloof te hechten aan een stuk van het dossier voor het Hof van cassatie zou kunnen worden ingeroepen, moet dit stuk aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een noch gedateerd, noch ondertekend stuk, waarvan de oorsprong niet wordt gepreciseerd, heeft de waarde niet van een geschrift waarvan de wet de gevolgen van een schriftelijk bewijs toekent (Cass., 21.12.1953, Marchant, Pas. 1954, I, 322).
Nummer 387/14
Om ontvankelijk te zijn, als middel getrokken uit de schending van het geloof te hechten aan de stukken, moeten de stukken voor de rechter over de grond ingeroepen zijn geweest en moet het bewijs, dat ze aan de rechter over de grond werden voorgelegd, blijken uit het bestreden arrest of uit de tot staving van de voorziening neergelegde stukken (Cass., 11.7.1932, Cornesse, Pas. 1932, I, 227).
Nummer 387/15
Wanneer een voorziening in cassatie wordt ingesteld op grond van de schending van het geloof te hechten aan de stukken, moet het cassatiemiddel nauwkeurig het geschrift aanwijzen, waarvan het bestreden arrest de bewijskracht zou miskend hebben.
Verder moet een middel dat berust op de schending van het geloof te hechten aan de stukken, de schending inroepen van de art. 1319, 1320 en 1322, BW (Cass., 25.9.1962, Deketele, Bull. 397, blz. 1158, Pas. 1963, I, 120).
b) Schending van de wet of van substantiële vormen
Nummer 387/16
Daar de beoordeling van de feitenkwesties buiten de bevoegdheid van het Hof van cassatie valt, in de hierboven opgegeven mate, bestaat de eigenlijke taak van het Hof erin na te gaan of het Hof van beroep in zijn beslissing de wettelijke bepaling niet heeft geschonden, die het heeft toegepast op de feiten eigen aan de zaak en of het de substantiële vormen of deze voorgeschreven op straffe van nietigheid heeft geëerbiedigd.
Zo geen bijzondere commentaarnoodzakelijk blijkt wat de schending van de wet betreft, is het anders gesteld met betrekking tot de schending van de substantiële vormen of die voorgeschreven op straffe van nietigheid.
Nummer 387/17
Algemeen wordt aanvaard om, in beginsel, als substantieel te erkennen, de vormen die betrekking hebben op het wezen zelf van de gerechtelijke beslissingen, op de verplichting ze te motiveren, op de samenstelling van de rechtsmachten, op de openbaarheid van de zittingen en de uitspraken, kortom op alles waarvan de naleving rechtstreeks de openbare orde aanbelangt (Pandectes belges, V° Cassation en général, nr. 255 - Répertoire pratique de droit belge, V° Pourvoi en cassation, n° 502).
Aldus werd beslist dat de formaliteit van het ondertekenen van het arrest van beroep door de voorzitter van de Kamer, of, bij zijn afwezigheid, door de oudste der rechters die de terechtzitting hebben bijgewoond, formaliteit vereist om aan de minuut van het arrest een authentiek karakter te geven, substantieel is en dat het arrest dat die formaliteit niet naleeft, moet worden verbroken (Cass., 22.3.1954, Pardon, Pas. 1954, I, 652).
1. Draagwijdte van de verplichting te motiveren
Nummer 387/18
De motivering van de arresten is een belangrijke formaliteit, vereist door art. 97, GW.
Die verplichting is een louter voorschrift nopens de vorm, waaraan wordt voldaan zodra de rechter ondubbelzinnig de reden aangeeft welke hem, al was het ten onrechte, ertoe bewogen heeft te beslissen zoals hij het heeft gedaan (Cass., 1.7.1947, NV Orlay's Spinnerijen, Pas. 1947, I, 315).
Nummer 387/19
Maar dubbelzinnige of tegenstrijdige motivering staat gelijk met een gebrek aan motivering (Cass., 9.1.1961, Myny et Rammant, Pas. 1961, I, 494; 5.12.1961, NV "Tissage Van Leynseele et de Brabandere", Bull. 388, blz. 1266, Pas. 1962, I, 432).
Is eveneens niet regelmatig gemotiveerd, het arrest dat, hoewel het op een eerste eis een passend antwoord geeft, een tweede eis verwerpt, er zich toe beperkend "alle andere eisen" voor verworpen te verklaren (Cass., 26.5.1959, Liniger, Pas. 1959, I, 981).
Nummer 387/20
Om te voldoen aan de vormverplichting, hun bij art. 97, GW opgelegd, zijn de hoven en de rechtbanken ertoe gehouden over iedere eis of exceptie die bij hen regelmatig aanhangig wordt gemaakt, uitspraak te doen en hun beslissing op ieder van die punten te motiveren; zij zijn echter niet verplicht de eenvoudige argumenten te weerleggen die de partijen tot staving van hun feitelijke of rechtsmiddelen inroepen (Cass., 2.10.1956, Palais des Sports).
Het Hof van beroep is ook niet verplicht de opmerkingen te weerleggen die als eenvoudige feitelijke beschouwingen voorkomen en waaruit geen enkel middel werd afgeleid (Cass., 10.6.1958, Blairon, Pas. 1958, I, 1136). Het mag zijn arrest steunen op de gronden van de beslissing van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) waarnaar het uitdrukkelijk verwijst (Cass., 17.9.1959, Schwarz, Pas. 1960, I, 63; 10.1.1961, NV Manufacture belge de couleurs d'outre-mer, Bull. 378, blz. 1405, Pas. 1961, I, 503).
2. De rechter moet niet de motieven van zijn motieven opgeven
Nummer 387/21
Zo de rechter tot plicht heeft zijn beslissing te motiveren, is hij niet gehouden de motieven van zijn motieven op te geven (Cass., 29.5.1951, Harvengt, Pas. 1951, I, 657), noch de feitelijke of juridische aard van zijn motieven nader te bepalen (Cass., 26.5.1959, Dacos, Bull. 360, Pas. 1959, I, 979). Desaangaande wordt aangestipt dat niet enkel moet gemotiveerd worden het beschikkend gedeelte van het arrest, dat de bestreden beslissing van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar bevestigt of wijzigt; daar het Hof zich moet uitspreken omtrent elke aanspraak, moet de princiepsbeslissing die het in het arrest zelf neemt nopens elke aanspraak afzonderlijk, op een gepaste en ondubbelzinnige motivering steunen.
3. Overvloedige beweegreden
Nummer 387/22
Een overvloedige beweegreden, d.w.z. een beweegreden zonder welke de beslissing wettelijk gemotiveerd blijft, kan geen aanleiding geven tot verbreking (Cass., 14.1.1952, De Schepper, Pas. 1952, I, 262).
1. Nieuwe middelen voor het Hof van cassatie
Nummer 387/23
Daar de wetten, die de belastingen invoeren, van openbare orde zijn, is de aanlegger in cassatie gerechtigd, voor de eerste maal voor het Hof van cassatie een rechtsmiddel in te roepen dat ertoe strekt de doeleinden te rechtvaardigen, zonder ze te wijzigen, noch te verdraaien, tot welke hij voor de rechter over de grond heeft geconcludeerd (Cass. 22.6.1954, Bruyns, Pas. 1954, I, 919 en nota).
Maar dit middel moet door de aanlegger worden voorgesteld en mag niet van ambtswege door het Hof van cassatie zelf worden opgeworpen (Cass., 21.2.1950, NV "Société métallurgique d'Enghien Saint-Eloi", Pas. 1950, I, 443, nota 1).
2. Inroepen van nieuwe motieven door het Hof van cassatie
Nummer 387/24
Ofschoon het Hof van cassatie ambtshalve geen enkel nieuw middel mag inroepen, mag het, binnen het kader van de middelen die haar rechtmatig werden voorgelegd, in de plaats van de in de voorziening aangevochten redenen van het arrest van het Hof van beroep, een rechtsgrond stellen die het beschikkend gedeelte van dit arrest wettelijk rechtvaardigt (Cass., 12.4.1973, Debray, Bull. 519, blz. 1225, Pas. 1973, I, 781; Cass., 21.3.1974, vennootschap naar Engels recht Imperial Continental Gas Association, Pas. 1974, I, 751).
Opdat het Hof in de plaats van de door de voorziening aangevochten redenen een reden zou mogen stellen die het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest wettelijk rechtvaardigt, is vereist dat die reden niet het onderzoek en de beoordeling door het Hof van de feitelijke elementen van de zaak laat veronderstellen (Cass., 21.1.1958, NV Etablissements Cristel et Haurens, Pas. 1958, I, 529).
