Commentaar van art. 388, WIB 92
| 388/0 | |
| 388/1-54 | |
| 388/1-18 | |
| 388/19-26 | |
| 388/27-32 | |
| D. Neerlegging ter griffie van het verzoekschrift en van de bijhorende stukken | 388/33-40 |
| 388/41-44 | |
| F. Neerlegging van de door de administratie ingestelde voorziening | 388/45-50 |
| 388/51-53 | |
| H. Toezending van het verzoekschrift en van het dossier aan de griffie van het hof van cassatie | 388/54 |
Nummer 388/0
Art. 388. - De voorziening geschiedt bij een tot het Hof van cassatie gericht verzoekschrift dat, op straffe van nietigheid, een bondige uiteenzetting van de middelen en de aanduiding van de geschonden wetten bevat. Wanneer het verzoekschrift voor de eiser werd ondertekend en neergelegd door een advocaat, dan moet deze laatste zijn volmacht niet bewijzen.
Het verzoekschrift, dat vooraf aan de verweerder werd betekend, en het exploot van de betekening worden ter griffie van het Hof van beroep afgegeven binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de kennisgeving van het arrest, bij een ter post aangetekende brief door de griffie aan de in bedoeld arrest opgegeven woonplaats gedaan, een en ander op straffe van verval.
Het verzoekschrift, het exploot van betekening, alsmede de stukken die de eiser er eventueel zou aan toegevoegd hebben, het proceduredossier alsmede alle andere met de betwisting verband houdende stukken die ter griffie liggen van het Hof van beroep, worden onmiddellijk aan de griffie van het Hof van cassatie toegezonden met een eensluidend verklaard afschrift van de ter zake genomen beslissingen.
A. WIE MAG DE VOORZIENING INSTELLEN ?
1. Bijzonder mandaat
Nummer 388/1
De voorziening in cassatie inzake directe belastingen mag worden ingesteld door de betrokken partijen of door hun mandataris, maar de mandataris moet een bijzondere volmacht bezitten om de akte van de procedure in cassatie te ondertekenen. Bij gebrek van dit bijzonder mandaat, is de voorziening niet ontvankelijk (Cass., 9.1.1962, Bakkovens, Bull. 389, blz. 1429).
Daarenboven, moet dit bijzonder mandaat blijken uit een regelmatig geschrift en ondertekend zijn (Cass., 19.2.1987, Philippart, Bull. 666, blz. 2309).
Nummer 388/2
Op deze regel van mandaat bestaat er één enkele uitzondering : wanneer het verzoekschrift voor de eiser is ondertekend en neergelegd door een advocaat, moet deze zijn volmacht niet bewijzen. Het loutere feit dat een advocaat het verzoekschrift heeft ondertekend en het ter griffie heeft neergelegd, houdt in dat hij met de zaak is belast; hij dient zich dus aan als gevolmachtigde.
2. Voorziening door de administratie
Nummer 388/3
De Belgische Staat doet voor het gerecht zijn rechten gelden door optreden van zijn organen, de hoofden van de ministeriële departementen; in de procedures betreffende de ten behoeve van de Staat geheven belastingen handelt de Minister van Financiën "ex officio" op vervolging en ten verzoeke van de hoofden der onderscheiden takken van bestuur wie het aangaat. Inzake directe belastingen, wordt de voorziening dus regelmatig ingesteld door de Gew.dir. der belastingen (Cass., 9.10.1962, VZW Klooster der Zwartzusters, Bull. 400, blz. 1813, Pas. 1962, I, 172).
Nummer 388/4
Daar de Gew.dir. niet voor zich persoonlijk handelt, is het voldoende dat in de voorziening zijn hoedanigheid is vermeld; de voorziening moet niet van zijn identiteit laten blijken (Cass., 6.5.1942, Brouwerij van Haacht, Bull. 175, blz. 349, Pas. 1942, I, 105).
Nummer 388/5
Wanneer de Gew.dir. der belastingen namens de Minister van Financiën een voorziening tekent en indient, moet hij niet bewijzen dat hij daartoe een bijzondere macht heeft (Cass., 23.6.1959, Quentin, Bull. 362, blz. 380, Pas. 1959, I, 1095).
Nummer 388/6
Ontvankelijk is de voorziening die is ondertekend "voor de Gewestelijke directeur met verlof" door "de gedelegeerde inspecteur". Soortgelijke delegatie, die blijkt uit de vermeldingen van de voorziening, wordt vermoed regelmatig te zijn (Cass., 10.1.1950, NV "Le Central électrique du Nord", Pas. 1950, I, 303 en nota 1).
Nummer 388/7
De door een gedelegeerde inspecteur namens de Gew.dir. ingediende voorziening is ontvankelijk, zelfs indien de delegatie niet is voorgelegd, vermits de verklaring van die ambtenaar, dat hij handelt als gedelegeerde van de Gew.dir., tot bewijs van het tegendeel, laat vermoeden dat zij juist is (Cass., 18.10.1948, NV "Banque d'Anvers", Pas. 1948, I, 567).
3. Voorziening door een vennootschap
Nummer 388/8
Is inzake directe belastingen niet ontvankelijk :
- de voorziening, namens een handelsvennootschap, ingesteld door een persoon die verklaart te handelen krachtens een volmacht en niet laat blijken het wettelijk of statutair orgaan van de vennootschap te zijn met hoedanigheid om in haar naam op te treden, of van dit orgaan het bijzondere mandaat te hebben gekregen om een voorziening in te dienen (Cass., 6.6.1961, NV "Etablissements Motte", Bull. 383, blz. 223, Pas. 1961, I, 1091);
- de voorziening ondertekend, namens een vennootschap, door een diensthoofd en door de handelsdirecteur, en niet door de leden van de raad van beheer, wanneer uit geen enkel tot staving van de voorziening voorgelegd bescheid blijkt dat die personen de macht hebben om de vennootschap voor het gerecht te vertegenwoordigen (Cass., 20.1.1947, NV "Piétoco", Pas. 1947, 21);
- de voorziening uitgaande van een naamloze vennootschap, vertegenwoordigd door haar raad van beheer, bestaande uit slechts twee personen, wanneer luidens art. 55, SWHV, de beheerders van de naamloze vennootschappen ten minste ten getale van drie moeten zijn, en dat de twee beheerders, die ondertekend hebben, niet van hun bevoegdheid doen blijken om de vennootschap voor het gerecht te vertegenwoordigen (Cass., 14.7.1941, NV "Etablissements Victor Cateau et Cie", Pas. 1941, I, 303).
Is nochtans ontvankelijk, de voorziening ingediend door een naamloze vennootschap handelend door één enkele van haar beheerders, indien het reeds dezelfde beheerder was die de vennootschap vertegenwoordigde voor het Hof van beroep (Cass., 14.7.1941, NV "Le Caoutchouc Defauw frères", Pas. 1941, I, 301).
4. Voorziening door een vennootschap in vereffening
Nummer 388/9
De richtlijnen gegeven onder de commentaar op art. 378, WIB 92, zijn mutatis mutandis van toepassing.
5. Voorziening door een vennootschap na het sluiten van de vereffening
Nummer 388/10
De richtlijnen gegeven onder de commentaar op art. 378, WIB 92, zijn mutatis mutandis van toepassing.
6. Voorziening door een VZW
Nummer 388/11
Is niet ontvankelijk, de voorziening in cassatie van een VZW wanneer het mandaat van de ondertekenaar van de voorziening uitgaat van twee beheerders van de vereniging, die niet laten blijken van een delegatie van de raad van beheer, zelfs wanneer de statuten beschikken dat "voor al de andere daden dan die afhangende van het dagelijks beheer of van een bijzondere delegatie, de gezamenlijke handtekeningen van twee beheerders volstaan opdat de vereniging wettelijk vertegenwoordigd zij tegenover derden" (Cass., 21.6.1949, VZW "Missionnaires Oblats de Marie-Immaculée", Pas. 1949, I, 460 en nota 1).
7. Voorziening door een wettelijk onbekwaam verklaarde persoon
Nummer 388/12
Zie de commentaar op art. 378, WIB 92, die mutatis mutandis van toepassing is.
8. Voorziening namens een overleden persoon
Nummer 388/13
Wanneer het Hof van beroep uitspraak heeft gedaan over een voorziening in beroep inzake directe belastingen, door verscheidene rechthebbenden van een overleden belastingplichtige ingesteld tegen een aanslag ingekohierd of ten laste van hun rechtsvoorganger, is het geschil onsplitsbaar en moet de voorziening in cassatie, om ontvankelijk te zijn, worden ingesteld, hetzij door alle rechthebbenden, hetzij door een van hen die de anderen in het geding voor het Hof dient te betrekken om het te vellen arrest gemeenschappelijk te horen verklaren (Cass., 8.10.1957, Beck, Pas. 1958, I, 117; 9.2.1965, Olyff, Bull. 424, blz. 1954, Pas. 1965, I, 580).
Hetzelfde doet zich voor wanneer een belastingplichtige overlijdt tijdens het verloop van de termijn om een voorziening in cassatie in te stellen (zie 388/44).
Nummer 388/14
De stof in verband met de onsplitsbaarheid van de geschillen wordt thans geregeld door het Ger.W en meer bepaald door het volgend artikel :
Art. 1084. - Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet de voorziening gericht worden tegen alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen wier belang strijdig is met dat van de eiser.
Deze moet bovendien de andere partijen die nog geen verweerder zijn of nog niet opgeroepen zijn, binnen de gewone termijnen in de zaak betrekken.
Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt de voorziening niet toegelaten.
Het arrest kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.
Nummer 388/15
De rechthebbende van een overleden belastingplichtige, die een voorziening in cassatie in fiscale zaken instelt, moet dus, overeenkomstig het 2e lid, van art. 1084, Ger.W, de overige rechthebbenden, die samen met hem voor het Hof van beroep partij waren, in het geschil betrekken en dit op straf van onontvankelijkheid van de voorziening; volgens dezelfde wetsbepaling dient dit te geschieden gedurende de gewone termijn om een voorziening in te dienen.
9. Voorziening door een gefailleerde
Nummer 388/16
Zie de commentaar op art. 378, WIB 92, die mutatis mutandis van toepassing is.
10. Voorziening door een persoon die onder toezicht van een gerechtelijk raadsman werd geplaatst
Nummer 388/17
Zie de commentaar op art. 378, WIB 92, die mutatis mutandis van toepassing is.
11. Voorziening door een persoon wiens goederen onder sekwester zijn gesteld
Nummer 388/18
Zie de commentaar op art. 378, WIB 92, die mutatis mutandis van toepassing is.
1. Bondige uiteenzetting van de middelen
Nummer 388/19
Zijn niet ontvankelijk de middelen van cassatie :
- die niet aangeven waarin het bestreden arrest de in het middel aangeduide artikelen zou geschonden hebben; aldus, wanneer men de schending van art. 97 GW inroept, moet worden aangegeven waarom het arrest niet gemotiveerd, tegenstrijdig of dubbelzinnig is (Cass., 21.6.1943, Banque d'Anvers, Pas. 1943, I, 248);
- die op een wetsartikel steunen dat vreemd is aan de opgeworpen grief (Cass., 20.5.1958, Piron, Bull. 344, blz. 345, Pas. 1958, I, 1044).
2. Splitsing van de cassatiemiddelen in meerdere onderdelen
Nummer 388/20
Wanneer verscheidene grieven gericht tegen het arrest van beroep allen steunen op de schending van dezelfde wetsbepaling, past het één enkel cassatiemiddel te wijden aan die schending, maar het middel in zoveel onderdelen te splitsen als er onderscheiden grieven zijn.
Ten deze werd gevonnist dat :
- een enig middel vormt, gesplitst in twee onderdelen en geen twee onderscheiden middelen, de grief waarbij het bestreden arrest wordt verweten te hebben geweigerd de gedurende vorige aj. geleden verliezen van de belastbare grondslag af te trekken omdat, eensdeels te dien einde heeft gesteund op een stuk dat uit de debatten had moeten worden geweerd en, anderdeels, geen rekening heeft gehouden met de aangiften van de belastingschuldige betreffende die vorige aj., aangiften waarin die verliezen werden vermeld en die door de administratie werden aangenomen. De aanlegger was derhalve niet gehouden voor elk van die grieven afzonderlijk de geschonden wetsbepalingen aan te wijzen (Cass., 19.11.1963, Timmermans, Bull. 411, blz. 1855, Pas. 1964, I, 302);
- niet ontvankelijk is, het middel waarin de verzoeker, terwijl hij globaal de schending van meer wetsbepalingen inroept, verschillende grieven aanvoert waarvan de opgave alleen reeds doet blijken dat ieder van hen, daar ze onderscheiden zijn en zonder juridisch verband tussen elkaar, een afzonderlijk middel vormt (Cass., 8.1.1963, Vandenbulcke, Bull. 397, blz. 1173, Pas. 1963, I, 543).
3. Vermelding van de geschonden wetten
Nummer 388/21
Is niet ontvankelijk, de voorziening gericht tegen een inzake directe belastingen gewezen arrest, die slechts de wet vermeldt die zou geschonden zijn geworden, zonder nauwkeurig en juist het geschonden artikel van die wet aan te wijzen (Cass., 5.6.1962, De Decker, Pas. 1962, I, 1139).
Nummer 388/22
Inzake directe belastingen moet het middel ten minste één van de wettelijke bepalingen opgeven die zouden geschonden zijn en de verbreking zou wettigen van de bestreden beslissing, indien de grief gegrond was. Het moet ze niet alle aangeven (Cass., 17.10.1950, NV "Mercantile Marine", Bull. 264, blz. 31, Pas. 1951, I, 72 en nota).
Nummer 388/23
De voorziening die verscheidene middelen bevat, moet nauwkeurig en juist aangeven op welke van de ingeroepen wettelijke bepalingen ieder middel betrekking heeft, zonder dat de navorsingen van het Hof zulks moeten aanvullen op een ogenblik overigens waarop de verwerende partij, slecht ingelicht door de ontoereikendheid van het verzoekschrift, geen dienstig gebruik meer zou kunnen maken van de rechten die haar bij de wet worden verleend (Cass., 14.2.1961, Serste, Bull. 379, blz. 1685, Pas. 1961, I, 642).
Nummer 388/24
Zo inzake directe belastingen, de voorziening in cassatie de geschonden wetten moet aanwijzen, mag die aanwijzing op gelijk welke plaats van de voorziening voorkomen, want de wet maakt geen onderscheid tussen het opstellen en het ontwikkelen van het middel (Cass., 29.5.1951, Harvengt, Pas. 1951, I, 657 en nota).
4. Gebruik der talen
Nummer 388/25
Luidens art. 9, W 20.6.1953, tot wijziging van de rechtspleging in cassatie, dat art. 27, W 15.6.1935, vervangt, moet de rechtspleging voor het Hof van cassatie in de taal van de bestreden beslissing worden gevoerd. Is derhalve niet ontvankelijk, de voorziening waarvan het verzoekschrift in de Franse taal werd opgesteld, terwijl het bestreden arrest in de Nederlandse taal werd gewezen (Cass., 26.9.1961, NV "Produits Gallic", Bull. 385, blz. 613, Pas. 1962, I, 114).
Art. 40, 4e en 5e lid, W 15.6.1935, ingelast bij art. 1, W 8.3.1948, bepaalt evenwel dat, ingeval een eerste voorziening in cassatie werd verworpen, omdat het verzoekschrift in een andere taal dan het bestreden arrest werd gesteld, de belastingplichtige, binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van het cassatie- arrest, een nieuwe voorziening kan indienen (voor de berekening van de termijn zie commentaar op art. 371, WIB 92).
De nieuwe voorziening in cassatie is slechts ontvankelijk voor zover de eerste voorziening door geen andere nietigheid was aangetast dan die welke voortvloeit uit een miskenning van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Het KB 18.7.1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (V 1146) is ter zake niet van toepassing.
Nummer 388/26
Wanneer de procedure in de Franse (resp. Nederlandse) taal dient te worden gevoerd, is de in deze taal gestelde voorziening in cassatie niet nietig omdat zij bij een in dezelfde taal opgesteld deurwaardersexploot werd betekend in een Vlaamse (resp. Waalse) gemeente, zonder dat deze bescheiden vergezeld waren van een Nederlandse (resp. Franse) vertaling (Cass., 6.5.1942, Brouwerij van Haacht, Pas. 1942, I, 105, zie eveneens het 5e lid van art. 38, W 15.6.1935, ingevoegd door het enige artikel, W 14.8.1947).
C. BETEKENING VAN HET VERZOEKSCHRIFT
1. Betekening aan de verweerder
Nummer 388/27
Art. 388, 2e lid, WIB 92, bepaalt dat het verzoekschrift voor zijn nederlegging ter griffie van het Hof van beroep, aan de verweerder moet worden betekend; is niet ontvankelijk, de voorziening neergelegd ter griffie van het Hof van beroep voor haar betekening aan de verweerder (Cass., 22.1.1959, Savelkoul, Pas. 1959, I, 519).
Die betekening moet bij deurwaardersexploot geschieden.
De betekening van de voorziening in cassatie wordt gedaan door afgifte aan de betekende van een afschrift van het verzoekschrift en van een afschrift van het exploot. De wet schrijft niet voor dat, inzake directe belastingen, het aan de betekende afgegeven afschrift van het verzoekschrift door de deurwaarder dient te worden ondertekend, noch dat het door hem gelijkvormig aan het origineel dient te worden verklaard (Cass., 11.12.1944, Humblet, Pas. 1944, I, 63).
2. Betekening bij ter post aangetekende brief
Nummer 388/28
Overeenkomstig art. 392, § 1, 2e lid, WIB 92, geldt de afgifte aan de post van de aangetekende brief, die een afschrift van het verzoekschrift en van het exploot van betekening bevat, als betekening aan de betrokken partij. Het feit dat het origineel van het exploot van betekening, waaraan het ontvangstbewijs van de post gehecht is, ter griffie werd neergelegd terzelfder tijd als de voorziening, bewijst voldoende dat de voorziening aan de verweerder werd betekend voor haar nederlegging ter griffie van het Hof van beroep, overeenkomstig art. 388, WIB 92 (Cass., 29.4.1953, Plennevaux, Bull. 299, blz. 94, Pas. 1953, I, 663).
3. Betekening aan een overleden persoon
Nummer 388/29
De partij, die het geding in cassatie instelt, moet zich vergewissen van de toestand van de partijen, waartegen de actie is gericht. De betekening aan een overleden persoon gedaan, is nietig (Cass., 23.9.1942, De Brems, Pas. 1942, I, 206). De aandacht van de deurwaarder, belast met de betekening van een voorziening, moet op dit punt worden gevestigd.
Anderdeels, wanneer het arrest van het Hof van beroep gewezen is in hoofde van een bepaalde belastingplichtige, die nadien overlijdt, zodat de voorziening moet worden ingediend tegen de erfgenamen, dient een uittreksel uit de overlijdensakte van gezegde persoon tot staving van de voorziening in cassatie te worden toegevoegd.
Inderdaad, het overlijden van de appellant moet wettelijk voor het Hof van cassatie worden vastgesteld (Cass., 15.10.1957, Vaissier-Labis en consoorten, Pas. 1958, I, 143).
Gaat het om een onbeheerde nalatenschap (zie commentaar op art. 300, WIB 92), dan dient de voorziening aan de curator te worden betekend.
4. Betekening aan al de betrokken partijen
Nummer 388/30
Wanneer verschillende rechtverkrijgenden van een overleden belastingplichtige een voorziening in beroep hebben ingediend in verband met de aanslag gevestigd op de inkomsten van hun rechtsvoorganger en de voorziening in cassatie door de Staat ingediend tegen het arrest dat werd geveld ingevolge hun beroep slechts betekend werd aan één van hen, heeft het gebrek van betekening aan de anderen, wegens de onsplitsbaarheid van het geschil, de verwerping van de voorziening tot gevolg (Cass., 21.9.1954, Delcuve, Pas. 1955, I, 27).
Hetzelfde geldt wanneer de belastingplichtige en de Dienst van het Sekwester beiden in de zaak voor het Hof van beroep betrokken waren; de door de administratie ingediende voorziening moet om dezelfde reden, aan beide partijen worden betekend (Cass., 20.10.1953, Clabeck, Pas. 1954, I, 128).
Nummer 388/31
Die rechtspraak welke dateert van voor het Ger.W, blijft in het raam van dit wetboek nog geldig.
Vermits evenwel de stof betreffende de onsplitsbaarheid thans geregeld wordt door het Ger.W, past het in de hogervermelde gevallen te verwijzen naar art. 1084, 1e lid, van dit wetboek, lid dat als volgt luidt : "wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet de voorziening worden gericht tegen alle bij de beslissing betrokken partijen wier belang strijdig is met dat van de eiser" (zie 388/14).
5. Betekening aan een andere Gew.dir. dan die welke de beslissing heeft getroffen waartegen de voorziening wordt ingediend
Nummer 388/32
Is niet ontvankelijk, de voorziening betekend aan de Gew.dir. der belastingen van een bepaalde provincie terwijl de beslissing waartegen de voorziening werd ingesteld getroffen werd door de Gew.dir. der belastingen van een andere provincie (Cass., 2.1.1962, Wathelet, Bull. 389, blz. 1414, Pas. 1962, I, 509).
D. NEERLEGGING TER GRIFFIE VAN HET VERZOEKSCHRIFT EN VAN DE BIJHORENDE STUKKEN
Nummer 388/33
Art. 388, 2e lid, WIB 92, bepaalt dat het verzoekschrift dat vooraf aan de verweerder is betekend en het exploot van betekening, ter griffie van het Hof van beroep moeten worden afgegeven binnen de termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van het arrest, bij een ter post aangetekende brief door de griffie aan de in bedoeld arrest opgegeven woonplaats gedaan, een en ander op straffe van verval.
1. Stukken tot staving van de voorziening
Nummer 388/34
Inzake directe belastingen is het aan het Hof van cassatie niet toegestaan rekening te houden met andere elementen dan die welke blijken uit regelmatige aan het Hof voorgelegde stukken (Cass., 6.12.1949, VZW "Eglise Chrétienne Missionnaire belge", Pas. 1950, I, 228 en nota 4).
2. Inventaris van de toegevoegde stukken
Nummer 388/35
Bij de procedure in cassatie inzake directe belastingen is niet vereist dat een inventaris van de bijgaande stukken aan de voorziening wordt toegevoegd (Cass., 9.11.1948, "Alliance internationale du Tourisme", Bull. 241, blz. 89, Pas. 1948, I, 623). Een gepubliceerde nota erkent evenwel dat het opmaken van zulke inventaris zeker een nuttige maatregel is die tot de klaarheid van de procedure bijdraagt.
Een model van die inventaris komt voor onder 388/47.
3. Neerlegging van het verzoekschrift
Nummer 388/36
De hoedanigheid van de persoon, die het verzoekschrift ter griffie van het Hof van beroep neerlegt, heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van de voorziening (Cass. 1.2.1990, Mank).
De voorziening is dus ontvankelijk zelfs indien ze ter griffie wordt neergelegd door een persoon die het verzoekschrift niet heeft ondertekend en dus geen bijzonder mandaat bewijst.
Bijgevolg moet duidelijk een onderscheid worden gemaakt tussen de wettelijke vereisten op het stuk van de neerlegging van het verzoekschrift tot cassatie en die met betrekking tot de ondertekening van de voorziening die slechts kan geschieden door de belastingplichtige zelf, door een advocaat of door een van een bijzondere volmacht voorziene mandataris (zie 388/1 en 2).
4. De neerlegging van het verzoekschrift mag niet bij aangetekende brief geschieden
Nummer 388/37
Niettegenstaande de betekening van de voorziening aan de verweerder bij ter post aangetekende brief mag gebeuren (zie 388/28), is zulks niet het geval met de neerlegging van de voorziening ter griffie van het Hof van beroep.
Inderdaad, het is slechts door de afgifte van de voorziening op die griffie dat de verzoeker op authentieke wijze zijn inzicht te kennen geeft om zich in cassatie te voorzien tegen een arrest dat van het Hof van beroep inzake directe belastingen is gewezen. De afgifte van het verzoekschrift aan de griffie door middel van een bij ter post aangetekende brief, voldoet niet aan de vereisten van art. 388, WIB 92 (Cass., 20.12.1960, Maes, Pas. 1961, I, 450; id. 2.6.1970, NV Utrecht, Bull. 487, blz. 1377, Pas. 1970, I, 866).
5. Neerlegging van de administratieve voorzieningen
Nummer 388/38
De Gew.dir. der belastingen heeft het recht een ander persoon te mandateren, met macht van indeplaatsstelling, om ter griffie van het Hof van beroep een voorziening in cassatie evenals de er bijgevoegde stukken, neer te leggen (Cass., 21.5.1959, Varlez, Pas. 1959, I, 950).
Niettegenstaande de hoedanigheid van de persoon die het verzoekschrift ter griffie van het Hof van beroep neerlegt zonder invloed blijft op de ontvankelijkheid van de voorziening, wordt aanbevolen de ambtenaar die belast is met de neerlegging van de voorziening in het bezit te stellen van een te dien einde opgestelde volmacht (zie ook 388/45).
6. Wijze waarop het neerleggen van de stukken wordt vastgesteld
Nummer 388/39
Beslist dat niet ontvankelijk is :
- de inzake directe belastingen ingestelde voorziening, wanneer niet uit een door de griffier van het Hof van beroep ondertekende vermelding blijkt dat het verzoekschrift binnen de wettelijke termijn op de griffie is neergelegd (Cass., 1.3.1949, Cloots, Pas. 1949, I, 174);
- de door de administratie ingediende voorziening, bij gebrek aan handtekening van de griffier onder de vermelding betreffende de neerlegging van de delegatie die is gegeven aan een beambte der belastingen, die met de neerlegging van de voorziening en de desbetreffende bijlagen is belast (Cass., 8.7.1952, Mahieu, Pas. 1952, I, 734).
Nummer 388/40
Voorts bepaalt art. 1099, Ger.W :
De griffier stelt de indiening van het verzoekschrift en van de memories vast door middel van kanttekeningen die hij ondertekent met vermelding van de datum van ontvangst.
Hij nummert en parafeert de erbij gevoegde stukken, stelt het aantal ervan vast door middel van een ondertekende noot op de kant van de lijst en geeft desgevraagd aan de indiener een ontvangstbewijs af.
Het inleidende verzoekschrift, de memories en de exploten waaruit de betekening ervan blijkt, worden bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
Bijgevolg dient de beambte, die belast is met de neerlegging van de voorziening, de griffier van het Hof van beroep te verzoeken in zijn tegenwoordigheid zijn handtekening te plaatsen op elk aan de voorziening toegevoegd stuk. Wat het zorgvuldig geïnventariseerde administratieve dossier zelf betreft, kan één handtekening onderaan die inventaris volstaan. Doch op alle andere stukken moet de griffier, in tegenwoordigheid van de beambte die belast is met de neerlegging van de voorziening, de datum van de neerlegging aanbrengen en die vermelding ondertekenen.
E. TERMIJN VOOR DE NEERLEGGING VAN DE VOORZIENING
Nummer 388/41
De voorziening en de desbetreffende bijlagen moeten ter griffie van het Hof van beroep worden afgegeven binnen de termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van het arrest, bij een ter post aangetekende brief, door de griffie aan de in bedoeld arrest opgegeven woonplaats gedaan, een en ander op straffe van verval (art. 388, 2de lid, WIB 92) .
De akten van afstand of van hervatting van rechtsgeding, de machtiging tot pleiten en de stukken om de ontvankelijkheid van de voorziening te staven, mogen evenwel worden neergelegd na het verstrijken van de termijnen bepaald bij art. 388, WIB 92, en in voorkomend geval na het verstrijken van de termijn van neerlegging van een memorie van antwoord, maar ten laatste op de dag van de terechtzitting waarop de zaak wordt onderzocht en voordat het openbaar ministerie zijn conclusies geeft (Cass., 16.11.1960, Boelens, Wwe Moureau en consoorten, Bull. 377, blz. 1174, Pas. 1961, I, 281).
1. Aanvang van de termijn
Nummer 388/42
De termijn begint op de datum van kennisgeving door de griffie van het arrest bij een ter post aangetekende brief. Daar die kennisgeving aan de in het arrest opgegeven woonplaats moet gebeuren, moet hieruit worden afgeleid dat ze geldig zal gedaan zijn door de aanbieding, door de post, van de brief aan de woonplaats van de belastingplichtige, zelfs indien de belanghebbende zou weigeren hem in ontvangst te nemen (Cass., 15.5.1962, Dopagne, Bull. 394, blz. 540, Pas. 1962, I, 1045).
Nummer 388/43
Om laattijdige voorzieningen in cassatie vanwege de administratie te vermijden, is het niettemin aangewezen het verzoekschrift en het exploot van betekening ter griffie van het Hof van beroep neer te leggen binnen drie maanden vanaf de datum van het arrest van het Hof van beroep (en niet vanaf de datum van de kennisgeving ervan).
2. Berekening van de termijn
Nummer 388/44
De in art. 388, WIB 92, bepaalde termijn, die in maanden is gesteld, dient krachtens art. 54, Ger.W, te worden berekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste.
Ook in dit geval zijn de bepalingen van de art. 52 en 53, Ger.W van toepassing (Verslag van de Koninklijke Commissaris voor de Gerechtelijke Hervorming, blz. 39).
Gesteld dat een arrest van beroep door de griffie op 28 november wordt toegezonden en op 29 november wordt ontvangen. De termijn, gerekend vanaf de daaropvolgende dag, neemt een aanvang op 30 november, welke dag de zoveelste wordt genoemd.
De zoveelste van de derde maand is 28 februari (indien het een schrikkeljaar betreft); de dag voor de zoveelste, tevens laatste dag van de termijn, is dus 27 februari, behoudens wanneer deze dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, in welk geval (zie art. 53, Ger.W) de vervaldag naar de eerstvolgende werkdag wordt verschoven.
Indien de belastingschuldige overleden is tijdens de duur van de termijn om een voorziening in cassatie in te stellen, moet dezelfde werkwijze worden gevolgd als vermeld in 388/13, met betrekking tot de toepassing van art. 56, Ger.W.
F. NEERLEGGING VAN DE DOOR DE ADMINISTRATIE INGESTELDE VOORZIENING
Nummer 388/45
De Gewestelijke directeurs der belastingen, uitgenomen die te Brussel, Luik, Antwerpen, Bergen en Gent, moeten aan deze laatsten de verzoekschriften en de bescheiden betreffende de voorzieningen in cassatie overzenden om ze te doen neerleggen ter griffie van het bevoegde Hof van beroep. De brieven, waarbij de stukken aan de ambtgenoten worden overgezonden evenals de delegatie, moeten voor iedere zaak de uitdrukkelijke volmacht bevatten om de neerlegging te doen en moeten ter griffie worden voorgelegd om bij het dossier te worden gevoegd.
Nummer 388/46
Wanneer de administratie een voorziening instelt, zendt de Gew.dir. dadelijk na afgifte van het verzoekschrift en de andere stukken ter griffie van het Hof van beroep, aan het hoofdbestuur een fiche C 63.2 rode kleur (zie circ. van 12.7.1955, nr. Ci.CJ.6/172.427, van 21.2.1958, nr. Ci.CJ.7/190.762 en van 28.3.1961, nr. Ci.CJ.7/208.604).
1. Inventaris van het bij de voorziening gevoegde dossier
Nummer 388/47
Gewoonlijk worden de volgende stukken bij de door de administratie ingestelde voorzieningen gevoegd :
- exploot van betekening van de voorziening in cassatie;
- machtiging tot neerlegging van de voorziening in cassatie en van de toegevoegde stukken.
Nummer 388/48
Bovendien moet een afschrift worden toegevoegd van de in de voorziening aangehaalde niet gepubliceerde arresten.
2. Dossier voor de departementsadvocaat
Nummer 388/49
Het voor de departementsadvocaat bestemde dossier moet aan de betrokkene de dag zelf van de neerlegging van de voorziening ter griffie van het Hof van beroep worden toegezonden.
Dit dossier dient te bevatten:
- een afschrift van de voorziening;
- het afschrift van het bestreden arrest;
- de conclusies van de partijen;
-het volledige dossier van het geschil.
Voormeld dossier moet worden toegezonden aan :
- Mr. DE BRUYN, wat de voorzieningen betreft in de Franse taal;
- Mr. CLAEYS-BOUUAERT, wat de voorzieningen betreft in de Nederlandse taal.
3. Dossier voor het hoofdbestuur
Nummer 388/50
Het voor het hoofdbestuur bestemde dossier wordt eveneens verzonden de dag zelf van de neerlegging van de voorziening ter griffie van het Hof van beroep.
De map 246 bevat een afschrift van de voorziening, alsmede van het bestreden arrest.
G. VOORZIENING DOOR DE BELASTINGPLICHTIGE
Nummer 388/51
Wanneer de belastingplichtige een voorziening in cassatie instelt tegen een arrest van het Hof van beroep, geeft de Gew. dir. van de belastingen hiervan kennis aan het hoofdbestuur door middel van een fiche C 63.2 rode kleur.
1. Dossier voor de departementsadvocaat
Nummer 388/52
Gelet op de korte tijdspanne (art. 389, WIB 92) waarover de departementsadvocaat beschikt om een memorie van antwoord op te stellen in een zaak die hij meestal nog niet kent, wordt er op aangedrongen hem het administratief dossier toe te zenden van zodra het exploot van de betekening wordt ontvangen.
Buiten de in 388/49 bedoelde stukken, dient dit dossier het ontvangen exploot van de betekening te bevatten.
2. Dossier voor het hoofdbestuur
Nummer 388/53
Het voor het hoofdbestuur bestemde dossier wordt toegezonden zodra het exploot van betekening wordt ontvangen.
De map 246 bevat, buiten de in 388/50 bedoelde stukken, een afschrift van het exploot van betekening.
H. TOEZENDING VAN HET VERZOEKSCHRIFT EN VAN HET DOSSIER AAN DE GRIFFIE VAN HET HOF VAN CASSATIE
Nummer 388/54
Art. 388, 3e lid, WIB 92, voorziet dat het verzoekschrift, het exploot van betekening, alsmede de stukken die de eiser er eventueel zou aan toegevoegd hebben, het proceduredossier alsmede alle andere met de betwisting verband houdende stukken die ter griffie liggen van het Hof van beroep, onmiddellijk aan de griffie van het Hof van cassatie worden toegezonden met een eensluidend verklaard afschrift van de terzake genomen beslissingen.
De uitvoering van art. 388, 3e lid, WIB 92, valt dus uitsluitend onder de bevoegdheid van de griffier van het Hof van beroep.
Het dossier waarover het Hof van cassatie beschikt bevat : het volledig dossier van de betwisting, de voorziening in beroep, de betekening ervan, de conclusies van de partijen, de processen verbaal van onderzoek, de verslagen van de deskundigen, het advies van het Openbaar Ministerie, een voor eensluidend verklaard afschrift van al de door de rechter getroffen beslissingen, of het nu arresten betreft alvorens recht te doen of eindarresten.
Het dossier maakt het aldus mogelijk het gehele verloop van de procedure, vanaf de aanhangigmaking voor het Hof van beroep tot de eindbeslissing te volgen.
Gelet op het belang van dit dossier, stelt de griffier van dag tot dag een inventaris op van de neergelegde stukken. Deze inventaris is een authentieke akte.
De invoering van een proceduredossier in geval van voorziening, ontslaat de partijen van de vóór 9.12.1976 op hen rustende verplichting, uitgiften, afschriften of uittreksels voor te brengen van de stukken die in de verschillende fasen van het geschil reeds werden neergelegd of voorgebracht en die ter griffie berusten.
