Commentaar van art. 394, WIB 92
| 394/0 | |
| 394/1-8 | |
| 394/1 | |
| 394/2-8 | |
| III. PROCEDURE VOOR VERVOLGINGEN TEGEN DE NIET IN HET KOHIER VERMELDE ECHTGENOOT | 394/9-12 |
| 394/13-14 | |
| 394/15-18 | |
| 394/15 | |
| B. Beperking van de algemene regel : onttrekkingsmogelijkheid | 394/16-18 |
| VI. MOGELIJKHEID OM BEPAALDE GOEDEREN AAN DE INVORDERING VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN TE ONTTREKKEN | 394/19-21 |
| VII. MOGELIJKHEID OM ZICH TE ONTTREKKEN AAN DE INVORDERING VAN DE RV EN DE BV | 394/22 |
| VIII. GOEDEREN DIE DOOR ECHTGENOTEN AAN DE VERVOLGINGEN VAN DE ONTVANGER KUNNEN WORDEN ONTTROKKEN | 394/23-32 |
| 394/23-24 | |
| 394/25-27 | |
| 394/28-32 | |
| 394/33 | |
| X. BESCHIKKINGEN VAN ART. 294 (OUD), WIB, VAN TOEPASSING MET BETREKKING TOT DE AJ. 1980 EN VORIGE | 394/34-77 |
| 394/34 | |
| 394/35-37 | |
| 394/38-39 | |
| 394/40-47 | |
| 394/48-49 | |
| 394/50-52 | |
| 394/53-59 | |
| H. Goederen van de echtgenoot of van de kinderen die buiten het bereik van de schatkist vallen | 394/60-77 |
Nummer 394/0
Art. 394. - § 1. Elk gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten alsook de voorheffing ingekohierd op naam van één van hen, mag ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel worden vervolgd op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten.
Het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van één van de echtgenoten, die hem eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel, alsook de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing, ingekohierd op naam van één van hen, mogen evenwel niet worden vervolgd op de eigen goederen van de andere echtgenoot wanneer deze laatste aantoont :
1° dat hij ze bezat vóór het huwelijk;
2° of dat zij voortkomen van een erfenis of van een schenking door een andere persoon dan zijn echtgenoot;
3° of dat hij ze heeft verworven door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;
4° of dat hij ze heeft verkregen met inkomsten die eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de voorheffingen in verband met de periode vóór het huwelijk.
Nummer 394/1
Art. 394, WIB 92 is van toepassing vanaf aj. 1981.
Art. 16, W 08.08.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (BS 15.08.1980, V 1534) heeft art. 126, WIB 92 gewijzigd door te bepalen dat de aanslag met betrekking tot de inkomsten van de echtgenoten die tot dan op naam van het gezinshoofd was gevestigd, voortaan in alle gevallen op naam van beide echtgenoten zou worden ingekohierd (parl. st., Kamer, gewone zitting, 1980-81, 716/1, blz. 7).
Deze wijziging, die van kracht is met ingang van aj. 1981, maakte ook de aanpassing onvermijdelijk van de bepalingen van het WIB betreffende de invordering van de belasting met betrekking tot de inkomsten van echtgenoten.
Nummer 394/2
Art. 394, WIB 92 is ongeacht het door de echtgenoten aangenomen huwelijksvermogensstelsel van toepassing :
- op de belastingen in verband met de inkomsten van gehuwden, dus op de PB (PB/gem.), de BNI en de OV;
- op de RV en de BV met betrekking tot de periode van het huwelijk die zijn ingekohierd op naam van één van de echtgenoten.
Art. 394, WIB 92 is niet van toepassing :
- op de belastingen met betrekking tot inkomsten van vóór of na de periode van huwelijk;
- op de belastingen die geen betrekking hebben op inkomsten (VB, SW, AO).
Nummer 394/3
Indien een aanslag in de PB of in de BNI terzelfdertijd betrekking heeft op inkomsten van tijdens het huwelijk en op inkomsten van voor of na de periode van het huwelijk, of indien een aanslag in de RV of de BV terzelfdertijd betrekking heeft op de periode van het huwelijk en de periode vóór of na het huwelijk, moet een omdeling worden opgemaakt. Art. 394, WIB 92 is immers alleen van toepassing op het gedeelte van de aanslag dat op de periode van het huwelijk betrekking heeft.
De aanslagen in de OV ontstaan op 1 januari van het aj. Bijgevolg moet voor de aanslagen in de OV nooit een omdeling worden opgemaakt.
Nummer 394/4
Indien precieze gegevens ontbreken omtrent de chronologische situering van de belaste inkomsten, gebeurt de omdeling door het te betalen bedrag te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan het aantal maanden begrepen in de periode van het huwelijk en de noemer aan het aantal maanden begrepen in het belastbare tijdperk. Bij de bepaling van het aantal maanden, begrepen in de periode van het huwelijk, wordt de maand waarin het huwelijk is gesloten of waarin het is ontbonden niet meegerekend.
Nummer 394/5
Het tijdstip van ontbinding van het huwelijk is het tijdstip dat ten opzichte van derden geldt als datum van ontbinding van het huwelijk :
- in geval van overlijden, de datum van het overlijden;
- in geval van echtscheiding, de datum van de overschrijving van het vonnis of het arrest dat de echtscheiding toestaat in de registers van de burgerlijke stand (art. 1278, 1e lid en 1304, 1e lid, Ger.W).
Nummer 394/6
De scheiding van tafel en bed (net als de feitelijke scheiding, de gerechtelijke scheiding van goederen en de overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel) maakt geen einde aan het huwelijk (art. 227, BW).
Art. 394, WIB 92 blijft dus na de scheiding van tafel en bed van toepassing, zelfs voor de aanslagen in verband met de inkomsten die de echtgenoten na de scheiding van tafel en bed verwerven. De scheiding van tafel en bed heeft evenwel altijd een scheiding van goederen tot gevolg (art. 311, BW). De scheiding van tafel en bed kan dus wel invloed hebben op de concrete toepassingsregels van art. 394, WIB 92 (zie 394/16).
Nummer 394/7
Art. 394, WIB 92 is van toepassing op belastingen met betrekking tot inkomsten van echtgenoten, ongeacht of die op naam van beide echtgenoten zijn ingekohierd (art. 126, WIB 92), dan wel op naam van slechts één van de echtgenoten (art. 128, WIB 92).
Voor de toepassing van art. 394, WIB 92 s dus niet vereist dat het kohier op naam van beide echtgenoten is opgemaakt.
Art. 394, WIB 92 geldt dus ook voor de aanslagen in de PB die op grond van art. 128, WIB 92 op naam van iedere echtgenoot afzonderlijk zijn gevestigd, althans in zoverre die aanslagen betrekking hebben op inkomsten van tijdens de periode van het huwelijk. Krachtens art. 394, WIB 92 vormt het kohier op naam van de ene echtgenoot de titel voor de invordering op de goederen van de andere niet in het kohier vermelde echtgenoot (zie inzake art. 294 (oud), WIB (van toepassing tot en met aj. 1980) : Cass. 02.09.1971, Bull. 496, blz. 780).
Nummer 394/8
Voor de aanslagen die niet onder het toepassingsgebied van art. 394, WIB 92 vallen, beschikt de Ontv. slechts over de gemeenrechterlijke invorderingsmogelijkheden.
III. PROCEDURE VOOR VERVOLGINGEN TEGEN DE NIET IN HET KOHIER VERMELDE ECHTGENOOT
Nummer 394/9
Alvorens vervolgingen in te spannen tegen de niet in het kohier vermelde echtgenoot, zendt de Ontv. hem een bericht waarin de aard, de belastbare basis en het te betalen bedrag van de op naam van de andere echtgenoot gevestigde belasting worden medegedeeld. De Ontv. stelt een redelijke termijn vast waarbinnen de aanslag moet worden betaald. De Ontv. deelt de betrokken echtgenoot vervolgens mee dat bij ontstentenis van betaling binnen die termijn de aanslag zal worden ingevorderd met alle wettelijke middelen van tenuitvoerlegging.
De Ontv. kan het bericht opstellen op basis van de modelbrief opgenomen als bijlage I.
Nummer 394/10
Het bericht dat aan de niet in het kohier vermelde echtgenoot wordt gezonden is geen AB. De verzending van het bericht heeft dan ook geen invloed op de eisbaarheid van de belasting. De belasting is tegenover de niet in het kohier vermelde echtgenoot eisbaar zodra zij overeenkomstig art. 412 of 413, WIB 92 eisbaar is ten aanzien van de in het kohier vermelde echtgenoot.
De aanvangsdatum van de verjaringstermijn en van de termijn gedurende dewelke NI is verschuldigd, is dus dezelfde voor de in het kohier vermelde echtgenoot als voor de daarin niet vermelde echtgenoot.
Nummer 394/11
Het dwangbevel en de latere akten van tenuitvoerlegging worden hetzij aan de vervolgde echtgenoot hetzij aan beide echtgenoten betekend.
Nummer 394/12
In de aan de niet in het kohier vermelde echtgenoot betekende exploten moet de Ontv. verwijzen naar de fiscaalrechtelijke (inzonderheid art. 394, WIB 92) of de gemeenrechtelijke (zie 394/13) bepalingen die hem in de mogelijkheid stellen om die echtgenoot tot de betaling van de belasting aan te spreken.
IV. VERBAND TUSSEN ART. 394, WIB 92 EN HET GEMEEN RECHT
Nummer 394/13
Art. 394, § 1, WIB 92 verduidelijkt in welke mate de in art. 393, WIB 92 bedoelde gedeelten van belasting ten laste van de echtgenoten kunnen worden ingevorderd, wanneer de uitoefening van de rechten die de Ontv. uit het gemeen recht put, hem niet toelaten het totale bedrag van zijn schuldvordering te innen.
In dit verband moet worden verduidelijkt dat, ondanks het algemene karakter van de bewoordingen, art. 394, WIB 92 niet mag worden aangezien als de enige bepaling die de invordering van de ten laste van de echtgenoten gevestigde belasting regelt. De bepalingen van het burgerlijk recht aangaande de huwelijksvermogensstelsels zullen ter zake van toepassing zijn overeenkomstig het algemene principe krachtens hetwelk het gemeen recht in fiscale zaken van toepassing is, voor zover de fiscale wet er noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend van afwijkt, en voor zover deze toepassing niet uitgesloten is omwille van de eigen principes en noodwendigheden van het fiscaal recht. Het zou trouwens onaanvaardbaar zijn dat de Ontv. van de directe belastingen, die de invordering van een schuld van publiekrechterlijke aard vervolgt, in bepaalde gevallen over minder rechten zou beschikken dan een privaatrechterlijke schuldeiser (parl. st., Kamer, gewone zitting, 1980-1981, 716/1, blz. 7).
Nummer 394/14
Art. 394, WIB 92 wijkt niet volledig af van het gemeen recht. Het wijkt slechts van het gemeen recht af in de mate waarin dat voor de toepassing van het fiscaal recht noodzakelijk wordt geacht, en laat, voor het overige de toepasselijkheid van de gemeenrechtelijke regels die met het bijzonder fiscaal recht verenigbaar zijn ongemoeid.
Het bestaan van een bijzondere fiscale invorderingsbepaling belet dus niet dat de gemeenrechtelijke regels, die de verhaalmogelijkheden van de schuldeisers van echtgenoten aflijnen, op de invordering van belastingen van toepassing zijn. De bijzondere fiscale bepaling van art. 394, WIB 92 heeft tot gevolg dat aan de Schatkist een bijkomend invorderingsrecht wordt toegekend boven de rechten waarover elke schuldeiser op grond van het gemeen recht beschikt.
V. ALGEMENE DRAAGWIJDTE VAN ART. 394, WIB 92
Nummer 394/15
Ingevolge art. 394, § 1, 1e lid, WIB 92, kan elk gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten, zomede de voorheffing ingekohierd op naam van één van hen, ongeacht het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel worden vervolgd op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van de beide echtgenoten.
Art. 394, § 1, 1e lid, WIB 92 verleent aldus de Ontv. de mogelijkheid om met het oog op de invordering van de bedoelde belastingen (zie 394/2), in beginsel alle goederen van de echtgenoten zonder uitzondering aan te spreken, zelfs indien het gemeen recht hem geen dergelijke uitgebreide invorderingsmogelijkheden biedt.
B. BEPERKING VAN DE ALGEMENE REGEL : ONTTREKKINGSMOGELIJKHEID
Nummer 394/16
Art. 394, § 1, 2e lid, WIB 92 omlijnt in welke gevallen de echtgenoten toch bepaalde van hun goederen aan het principieel algemene verhaal van de Ontv. kunnen onttrekken : zij moeten het bewijs leveren dat die goederen een in de wet vermelde onverdachte oorsprong hebben en dat zij dus niet voortkomen van inkomsten van hun echtgenoot.
Nummer 394/17
De onttrekking van onverdachte goederen aan het verhaal van de Ontv. kan slechts in een aantal gevallen :
- inzake inkomstenbelastingen is onttrekking slechts mogelijk voor de belastinggedeelten die verband houden met de inkomsten van de andere echtgenoot die hem eigen zijn op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel. Iedere echtgenoot staat met al zijn goederen in voor het gedeelte van de belasting dat op zijn eigen inkomsten en op de gemeenschappelijke inkomsten betrekking heeft;
- voor aanslagen inzake RV en BV, die zijn ingekohierd op naam van één der echtgenoten en die betrekking hebben op de periode van het huwelijk, is, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel, onttrekking door de niet in het kohier vermelde echtgenoot in de regel mogelijk.
Benevens in deze twee gevallen, en dus in de andere in art. 394, WIB 92 beoogde gevallen, is de onttrekking onmogelijk en kan de Ontv. alle goederen van de echtgenoten zonder uitzondering aanspreken.
Nummer 394/18
Benevens in de in art. 394, WIB 92 bedoelde hypothesen worden de invorderingsmogelijkheden ten aanzien van echtgenoten beheerst door het gemeen recht.
VI. MOGELIJKHEID OM BEPAALDE GOEDEREN AAN DE INVORDERING VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN TE ONTTREKKEN
Nummer 394/19
De wettelijk bepaalde mogelijkheid om zich aan de invordering te onttrekken geldt inzake IB van echtgenoten slechts voor de belastinggedeelten die verband houden met inkomsten die op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel eigen zijn aan de andere echtgenoot. Deze onttrekkingsmogelijkheid staat dus in principe slechts open voor echtgenoten die gehuwd zijn onder een huwelijksvermogensstelsel waarin eigen inkomsten voorkomen.
Niettegenstaande art. 394, WIB 92 van toepassing is ongeacht het door de echtgenoten aangenomen huwelijksvermogensstelsel, bepaalt dat stelsel toch de uiteindelijke omvang van de invorderingsmogelijkheden die de Ontv. uit art. 394, WIB 92 put, doordat, al naar gelang het door hen aangenomen huwelijksvermogensstelsel, de echtgenoten in meerdere of mindere mate kunnen genieten van de wettelijke mogelijkheid om zich aan de invordering te onttrekken.
Nummer 394/20
Deze onttrekkingsmogelijkheid staat principieel open voor echtgenoten die gehuwd zijn onder een huwelijksvermogensstelsel zonder gemeenschap, inzonderheid echtgenoten gehuwd met een contract van scheiding van goederen, echtgenoten die gerechtelijk van goederen zijn gescheiden en echtgenoten die van tafel en bed zijn gescheiden.
Zij moeten evenwel nog het bewijs leveren dat hun eigen goederen die zij willen onttrekken een in art. 394, WIB 92 voorzien onverdachte oorsprong hebben. Indien dat bewijs wordt geleverd, kan de Ontv. de onverdachte goederen van de ene echtgenoot, die het bewijs leverde, niet aanspreken voor de invordering van de belastinggedeelten betreffende eigen inkomsten van de andere echtgenoot.
Nummer 394/21
De wettelijke onttrekkingsmogelijkheid geldt niet voor echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, onder de verlengde wettelijke gemeenschap of onder enig ander stelsel waarbij alle inkomsten die de echtgenoten tijdens het huwelijk verwerven in de gemeenschap vallen.
Vermits in die stelsels alle inkomsten die de echtgenoten tijdens het huwelijk verwerven in de gemeenschap vallen, hebben de belastingen betreffende de periode van het huwelijk betrekking op gemeenschappelijke inkomsten, zodat er geen belastinggedeelte in voorkomt waarvoor de onttrekking van de onverdachte goederen mogelijk is.
VII. MOGELIJKHEID OM ZICH TE ONTTREKKEN AAN DE INVORDERING VAN DE RV EN DE BV
Nummer 394/22
Voor aanslagen in de RV en de BV, gevestigd op naam van één echtgenoot, die betrekking hebben op de periode van het huwelijk, staat de wettelijke onttrekkingsmogelijkheid voor alle echtgenoten open, ongeacht het door hen aangenomen huwelijksvermogensstelsel.
VIII. GOEDEREN DIE DOOR ECHTGENOTEN AAN DE VERVOLGINGEN VAN DE ONTVANGER KUNNEN WORDEN ONTTROKKEN
Nummer 394/23
Een echtgenoot kan slechts voor het belastinggedeelte dat verband houdt met de eigen inkomsten van zijn echtgenoot of voor de aanslagen inzake de RV en de BV, gevestigd op naam van zijn echtgenoot, bepaalde van zijn goederen aan de greep van de fiscus onttrekken.
Nummer 394/24
De goederen die aldus kunnen worden onttrokken moeten aan een dubbele voorwaarde voldoen.
Het moeten eigen goederen zijn ingevolge het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel; ze moeten bovendien op één der in de wet vermelde onverdachte wijzen in het bezit zijn gekomen van de echtgenoot die ze aan de vervolgingen van de Ontv. wil onttrekken. Aan beide voorwaarden moet gelijktijdig zijn voldaan.
Nummer 394/25
Alleen goederen die op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensstelsel eigen zijn aan de echtgenoot die ze wil vrijwaren, kunnen aan de vervolgingen van de Ontv. worden onttrokken.
Het aantal voor onttrekking vatbare goederen varieert in feite volgens het door de echtgenoten aangenomen huwelijksvermogensstelsel. In een stelsel van algehele gemeenschap zijn de eigen goederen uiteraard zeer uitzonderlijk (art. 1401, BW).
In een stelsel van zuivere scheiding van goederen daarentegen zijn alle goederen eigen of onverdeeld (art. 1468, BW).
Nummer 394/26
In het wettelijk stelsel geldt op grond van art. 1405, BW het wettelijk vermoeden, dat alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan één der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling, gemeenschappelijk zijn. Dit vermoeden geldt ook voor de andere conventionele gemeenschapsstelsels beheerst door de W 14.07.1976, betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels (BS 18.09.1976, V 1439), die er niet uitdrukkelijk van afwijken (art. 1451, BW).
Ten aanzien van derden moet het eigendomsrecht in hoofde van elke echtgenoot op een goed dat niet van persoonlijke aard is, bij gebrek aan boedelbeschrijving of tegen een bezit volgens de bepalingen van art. 2229, BW, bewezen worden aan de hand van titels met vaste dagtekening, van bescheiden van een openbare dienst of vermeldingen in regelmatig gehouden of opgemaakte registers, bescheiden of borderellen die door de wet zijn opgelegd of door het gebruik zijn bekrachtigd (art. 1399, 2e lid, BW).
Nummer 394/27
Wat het stelsel van scheiding van goederen betreft, bepaalt art. 1468, BW dat de roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van één der echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten. Wanneer een met scheiding van goederen gehuwde echtgenoot er niet in slaagt te bewijzen dat het goed dat hij wil onttrekken hem eigen is, wordt dat goed geacht in onverdeeldheid aan de beide echtgenoten toe te behoren. De betrokken echtgenoot zal dus slechts zijn aandeel in het goed kunnen onttrekken, en dit voor zover hij bovendien het bewijs levert dat dit aandeel op onverdachte wijze in zijn bezit is gekomen.
C. OP ONVERDACHTE WIJZE IN HET BEZIT ZIJN GEKOMEN
Nummer 394/28
De eigen goederen die een echtgenoot op basis van art. 394, § 1, 2e lid, WIB 92 wil onttrekken moeten op één van de in de wet vermelde wijzen in zijn bezit zijn gekomen.
De echtgenoot die goederen wil onttrekken moet aantonen :
1° dat hij die bezat van vóór het huwelijk;
2° dat zij voorkomen van een erfenis of van een schenking van een andere persoon dan zijn echtgenoot;
3° dat hij ze heeft verworven door middel van fondsen die voortkomen van de realisatie van dergelijke goederen;
4° dat hij ze heeft verkregen met inkomsten die eigen zijn op grond van zijn huwelijksvermogensstelsel.
Nummer 394/29
Art. 394, § 1, 2e lid, 4°, WIB 92 spreekt alleen over goederen die met eigen inkomsten verworven zijn. A fortiori zijn ook die eigen inkomsten zelf onverdacht.
Nummer 394/30
De aankoop van goederen die gefinancierd is met een door één der echtgenoten aangegane lening staat gelijk met een verwerving door eigen middelen wanneer de lening uitsluitend met eigen middelen wordt afbetaald.
Nummer 394/31
De opsomming van de uitzonderingsgevallen in art. 394, § 1,2e lid, WIB 92 is limitatief.
Nummer 394/32
De wet legt de bewijslast van de onverdachte oorsprong van de goederen uitdrukkelijk op de echtgenoot die de goederen wil onttrekken aan het principieel algemeen verhaal van de Ontv.
Een meer volledige beschrijving van de goederen die aan de greep van de Schatkist ontsnappen (onverdachte goederen) is opgenomen onder 394/60 tot 77, in het kader van de commentaar op art. 294 (oud), WIB.
IX. VERSCHILPUNTEN MET ART. 294 (OUD), WIB
Nummer 394/33
Het in art. 394, WIB 92 opgenomen stelsel is geïnspireerd op art. 294 (oud), WIB dat toepasselijk was tot en met aj. 1980. Toch wijkt het er op bepaalde punten grondig van af :
- elk verschil in de behandeling tussen de goederen van de man en die van de vrouw is afgeschaft en in het stelsel is een absolute wederkerigheid ingevoerd, zodat beide echtgenoten op gelijke voet worden geplaatst overeenkomstig de geest van de W 14.07.1976, betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels (BS 18.09.1976, V 1439);
- de nieuwe tekst voorziet niet meer in de mogelijkheid om de belastingen te vervolgen op de goederen van de kinderen van minder dan 18 jaar van wie de inkomsten met die van de ouders worden samengevoegd. De inkomsten van de goederen van de kinderen waarvan de ouders het wettelijk genot hebben vertegenwoordigen een inkomen van de ouders (art. 384 tot 387, BW). Deze inkomsten zijn dus belastbaar ten name van de ouders en ze kunnen in hunnen hoofde in beslag worden genomen. Er is gebleken dat het niet gerechtvaardigd was de desbetreffende belastingen ten laste van de kinderen te vervolgen, aangezien zij de aan de belasting onderworpen inkomsten niet persoonlijk verkrijgen (parl. st., Kamer, gewone zitting, 1980-81, 716/1, blz. 8);
- huidig art. 394, WIB 92 is ook van toepassing op de voorheffingen;
- art. 294 (oud), WIB is alleen toepasselijk in geval van samenvoeging van de inkomsten van de echtgenoten. Het is dus niet van toepassing in de gevallen waarin, op grond van het art. 75 (oud), WIB tot afzonderlijke inkohiering is overgegaan. Art. 394, WIB 92 is daarentegen van toepassing op alle aanslagen met betrekking tot de tijdens het huwelijk verkregen inkomsten, ongeacht of deze ten name van beide echtgenoten (art. 126, WIB 92) of op naam van één van hen (art. 128, WIB 92) worden gevestigd.
X. BESCHIKKINGEN VAN ART. 294 (OUD), WIB, VAN TOEPASSING MET BETREKKING TOT DE AJ. 1980 EN VORIGE
Nummer 394/34
Art. 294 (oud) - § 1. De invordering van de belasting gevestigd ten name van het gezinshoofd mag worden vervolgd op al de roerende of onroerende goederen van de echtgenoten, alsmede op die van de kinderen wier inkomen met dat der ouders werd samengevoegd, tenzij :
1° de echtgenoot laat blijken dat hij die goederen voor zijn huwelijk bezat of dat hij ze nadien heeft verkregen door wederbelegging van de realisatieprijs van dergelijke goederen;
2° die echtgenoot of de kinderen laten blijken dat hun goederen of de gelden waarmede die goederen werden aangeschaft voortkomen van een successie, van een schenking uitgaande van andere personen dan de belastingplichtige, ofwel van hun eigen inkomsten of nog van de realisatie van aldus verkregen goederen.
§ 2. De invordering van de gedeelten van de belasting in verband met de respectieve inkomsten van de echtgenoot of van de kinderen mag, in alle geval, worden vervolgd op al de respectieve goederen der belanghebbenden.
Nummer 394/35
In de mate en onder de voorwaarden die hij bepaalt, maakt die tekst het dus mogelijk de invordering van de overeenkomstig de art. 73 (oud) en 74 (oud), WIB op naam van het gezinshoofd gevestigde belastingen te vervolgen op de goederen (roerende en onroerende) van de echtgenoten en van de kinderen.
Nummer 394/36
Aangezien de hoedanigheid van gezinshoofd geen invloed heeft op de grondslag of het bedrag van de RV en de BV en van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, is de bepaling op deze belastingen en voorheffingen niet van toepassing. Zulks geldt zelfs ingeval de bedoelde rechten, bij ontstentenis van een storting bij de bron binnen de opgelegde termijnen, moesten worden ingekohierd op naam van een belastingschuldige die in feite het gezinshoofd is.
Bijzondere voorschriften regelen bovendien de invordering van de OV ten laste van de man op de persoonlijke inkomsten van de vrouw.
Kortom, art. 294 (oud), WIB kan slechts uitwerking hebben voor de invordering van de PB, de BNI en de PB/gem. (zie art. 469, 2e lid, WIB 92; met betrekking tot de vroegere inkomstenbelastingen (Bedrijfsbelasting, Aanvullende personenbelasting, Nationale crisisbelasting) zie de bepalingen van art. 88, § 4, W 20.11.1962, V 1013, Bull. 392).
Nummer 394/37
Alleen de belastingen of de gedeelten van de aanslagen die betrekking hebben op de inkomsten die door het gezinshoofd zijn verworven vanaf het ogenblik dat hij die hoedanigheid heeft verkregen, komen in aanmerking voor de invordering op de goederen van de echtgenoot. De IB die door het gezinshoofd vóór het huwelijk zijn behaald, kunnen dus nooit bij toepassing van art. 294 (oud), WIB op de goederen van de andere echtgenoot worden ingevorderd.
Daarentegen is art. 294 (oud), WIB van toepassing op de in 394/36, laatste lid vermelde belastingen, die na de ontbinding van het huwelijk (door echtscheiding of door overlijden) zijn gevestigd op de inkomsten die tijdens het huwelijk zijn behaald.
Feitelijke scheiding na 1 januari is evenmin een beletsel voor de toepassing van art. 294 (oud), WIB.
C. BEGRIPPEN "ECHTGENOOT" EN "GEZINSHOOFD"
Nummer 394/38
De ten name van het gezinshoofd gevestigde PB, BNI en PB/gem. zijn -ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel en ongeacht of de inkomsten van de echtgenoten al dan niet zijn samengevoegd- invorderbaar op de goederen van de andere echtgenoot, tenzij deze laatste bewijst dat hij zich in één van de voorziene uitzonderingsgevallen bevindt (zie parl. st., Kamer, gewone zitting, 1961-1962, 264/1, blz. 113).
Het woord "echtgenoot" bedoelt zowel de man als de vrouw (zie parl. st., Kamer, gewone zitting, 1961-1962, 264/42, blz. 224). Al hetgeen ten opzichte van de echtgenoot is bepaald, geldt voor de man wanneer de vrouw als gezinshoofd is belast.
Nummer 394/39
Bijzonderheid ten aanzien van feitelijke gezinnen : wanneer de man en de vrouw, die een feitelijk gezin vormen, voor de vestiging van de PB en van de BNI ten name van het "gezinshoofd" met echtgenoten zijn gelijkgesteld, is de "echtgenoot" -zoals ieder van de kinderen- slechts op zijn goederen gehouden ten belope van het gedeelte der belasting dat betrekking heeft op zijn eigen inkomsten : daar hij niet door een huwelijksband met het "gezinshoofd" verbonden is, zal de "echtgenoot" inderdaad steeds geldig kunnen inroepen dat zijn goederen vóór het huwelijk zijn verworven en dat zij bijgevolg van de aktie van de Ontv. moeten worden uitgesloten voor het gedeelte dat het aandeel der belasting dat betrekking heeft op zijn eigen inkomsten te boven gaat.
Aangezien het "gezinshoofd" en de "echtgenoot" slechts het wettelijk genot hebben van de inkomsten van hun wettige of aangenomen kinderen (enig geval van samenvoeging van de inkomsten), kan art. 294 (oud), WIB geen gevolgen hebben voor de natuurlijke kinderen die uit hun vereniging zijn gesproten.
D. VOORWAARDE VOOR DE TOEPASSING VAN ART. 294 (OUD), WIB
Nummer 394/40
Opdat de op naam van het gezinshoofd gevestigde PB en BNI op de goederen van de echtgenoot kunnen worden ingevorderd, is het niet nodig dat er samenvoeging van inkomsten van beide echtgenoten heeft plaats gehad. Art. 294 (oud), WIB is steeds van toepassing wanneer de eventuele inkomsten van de echtgenoten kunnen worden samengevoegd, dit wil zeggen wanneer zij, al ware het maar in principe, aan dezelfde belasting onderworpen zijn en de aanslag op naam van het gezinshoofd is ingekohierd.
Nummer 394/41
De goederen van de kinderen kunnen voor de invordering van de ten name van het gezinshoofd gevestigde PB, BNI en PB/gem. slechts worden gevat, indien de inkomsten van de kinderen effectief met die van de ouders zijn samengevoegd (zie parl. st., Kamer, gewone zitting, 1961-1962, 264/1, blz. 113 en 114).
De inkomsten van de goederen van de kinderen waarvan de ouders het wettelijk genot hebben zijn eigen inkomsten van de vader en de moeder (art. 384 tot 387, BW).
Het feit dat art. 73, WIB ( art. 126, 2e lid, WIB 92) uitdrukkelijk voorschrijft dat dergelijke inkomsten voor de vestiging van de belasting moeten worden samengevoegd met die van de ouders, impliceert nochtans dat die inkomsten op fiscaal vlak niet worden beschouwd als inkomsten van het gezinshoofd en van de echtgenoot. Op grond van de algemene strekking van de belastingwetten moet immers worden aangenomen dat het minderjarige kind, ondanks het wettelijk genot dat zijn ouders in het algemeen tot de leeftijd van achttien jaar over zijn goederen hebben, de genieter is van die inkomsten en schuldenaar is van de daarop betrekking hebbende belasting; de wetsbepaling die voorschrijft dat de belasting op naam van het gezinshoofd ten kohiere wordt gebracht, impliceert niet dat het kind van de belastingschuld zelf wordt vrijgesteld (Cass., 10.04.1975, Bull. 543, blz. 1639).
Nummer 394/42
Het gedeelte van de PB, van de BNI en van de PB/gem., dat proportioneel overeenstemt met de inkomsten van de echtgenoot of met die van de kinderen, mag in alle gevallen op al de respectieve goederen van de betrokkenen worden ingevorderd, ongeacht de oorsprong of het tijdstip van verwerving van die goederen (zie parl. st., Kamer, gewone zitting, 1961-1962, 264/1, blz. 114).
De opbrengst van een onroerend goed van de gemeenschap is, wel te verstaan, in genendele als een inkomen van de vrouw te beschouwen (Brussel, 04.02.1970, Claes Ed.).
Het gedeelte van de winst of de baten dat mag worden beschouwd als zijnde toegekend aan de echtgenoot die de belastingplichtige in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid helpt (art. 64, 1e lid, WIB, thans opgeheven) is als een eigen inkomen van die echtgenoot te beschouwen.
Nummer 394/43
De bepalingen van art. 294 (oud), WIB zijn algemeen en maken geen onderscheid tussen de verschillende huwelijksvermogensstelsels, noch tussen de gevallen waarin de echtgenoten of de kinderen te goeder of te kwader trouw handelen, of waarin de rechten van de Schatkist al dan niet in gevaar zijn.
Nummer 394/44
Het krachtens art. 294 (oud), WIB aan de Schatkist toegekende recht om de invordering van de ten laste van het gezinshoofd gevestigde belastingen op de goederen van de echtgenoot of van de kinderen te vervolgen, blijft voortbestaan na het overlijden van het gezinshoofd, ongeacht of de aanslag vóór of na het overlijden is gevestigd (aanslag op naam van het gezinshoofd, voorafgegaan door het woord "Nalatenschap"). Het gaat in feite immers steeds om belastingen gevestigd ten laste van het gezinshoofd (Luik, 16.07.1957, Chemanne; Brussel, 23.03.1953, Succ. Van Dyck; Brussel, 23.03.1955, Van de Vuer).
Nummer 394/45
Het overlijden van de echtgenoot of van een kind heeft, wegens hetgeen onder 394/48, 1e lid is gezegd, evenmin het verval van het invorderingsrecht op hun goederen tot gevolg, ongeacht of het overlijden van vóór of na de uitvoerbaarverklaring van het kohier dateert. Dit invorderingsrecht moet dan ten laste van de erfgenamen worden uitgeoefend.
Nummer 394/46
De faillietverklaring van één van de echtgenoten vormt geen hinderpaal voor het instellen van invorderingsmaatregelen die krachtens art. 294 (oud), WIB ten laste van de andere echtgenoot zijn toegestaan.
Het feit dat de goederen van de vrouw overeenkomstig de bepalingen in verband met de rechten van de vrouw in geval van faillissement van de man (art. 553 (oud) en volgende, W 18.04.1851) door de curator uit het actief van de boedel zijn verwijderd, heeft niet ipso facto tot gevolg dat het onmogelijk is de invordering van de op naam van de man gevestigde aanslagen, op die goederen te vervolgen. Het in het kader van het faillissement ten opzichte van de goederen van de vrouw ingenomen standpunt, regelt niet noodzakelijk de toestand met betrekking tot art. 294 (oud), WIB (zie ook Handl. Inv., Deel IV, 4e onderdeel, Titel IV, nrs. 120, 225, 441,442, 444 en 461, 2°).
Nummer 394/47
De regels die voor de op naam van het gezinshoofd gevestigde PB, BNI en PB/gem. het invorderingsrecht krachtens art. 294 (oud), WIB op de goederen van de echtgenoot en van de kinderen beheersen, kunnen als volgt worden samengevat :
1° Goederen van de echtgenoot
a) indien die echtgenoot geen persoonlijke inkomsten heeft genoten : invorderingsrecht op al die goederen, behoudens de in art. 294, § 1, 1° en 2° (oud) WIB, (zie 394/60 tot 77) vermelde uitzonderingen;
b) indien die echtgenoot persoonlijke inkomsten heeft genoten :
- de volledige aanslag kan worden ingevorderd op de goederen van de echtgenoot die niet onder de bij art. 294, § 1, 1° en 2° (oud) WIB, (zie 394/60 tot 77) vermelde uitzonderingen vallen;
- het gedeelte van de belasting in verband met de inkomsten van de echtgenoot kan zonder uitzondering op al zijn goederen worden ingevorderd.
2° Goederen van de kinderen :
a) indien de inkomsten van de kinderen niet met die van de ouders zijn samengevoegd : geen invorderingsrecht op die goederen;
b) indien die inkomsten wel met die van de ouders zijn samengevoegd :
- de volledige aanslag kan op de goederen van de kinderen worden ingevorderd, voor zover deze niet vallen onder de in art. 294, § 1, °2 (oud), WIB vermelde uitzonderingen (zie 394/60 tot 77);
- het belastinggedeelte in verband met de inkomsten van de kinderen kan zonder uitzondering op al hun goederen worden ingevorderd.
Daarenboven kunnen de invorderingsrechten die de beschikkingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de huwelijksvermogensstelsels bieden, steeds worden uitgeoefend.
E. AARD VAN HET INVORDERINGSRECHT
Nummer 394/48
De gezinsleden waarvan de inkomsten kunnen worden samengevoegd zijn persoonlijke schuldenaars van de aanslagen die ten name van het gezinshoofd zijn gevestigd (Cass., 19.01.1968, Lekeux, Pas. 1968, I, 643)
Als persoonlijke schuldenaars van de belasting, zijn de echtgenoot en de kinderen van de belastingschuldige gerechtigd om voor de gewone rechtbanken te betwisten in welke mate de belaste inkomsten door hen persoonlijk zijn behaald (Cass. 02.09.1971, Bull. 496, blz. 780).
Nummer 394/49
Art. 294 (oud), WIB is een uitzonderingsbepaling en het invorderingsrecht dat eruit voortvloeit heeft een subsidiair karakter in die zin dat het voor de Ontv. mogelijk wordt sommige eigen goederen van de echtgenoot (en/of van de kinderen) van de belastingschuldige te vatten, wanneer de rechten die hij krachtens het gemeen recht -namelijk krachtens het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten- kan uitoefenen eerst op de goederen van de belastingschuldige en op de gemeenschappelijke goederen, vervolgens op de goederen van de echtgenoot, ontoereikend zijn om de gehele schuldvordering te innen.
F. UITOEFENING VAN HET INVORDERINGSRECHT
Nummer 394/50
Het is aan te bevelen de eigen goederen van de echtgenoot of van de kinderen slechts aan te spreken bij gebrek aan voldoende voor beslag vatbare goederen van het gezinshoofd (invordering op de goederen van de echtgenoot) of van de ouders (invordering op de goederen van de kinderen).
Daar de Staat de rechtmatige belangen van de bevoorrechte schuldeisers niet mag dwarsbomen, is het bovendien niet gerechtvaardigd de tegeldemaking van de goederen van de echtgenoot of van de kinderen te vervolgen wanneer, bijvoorbeeld tengevolge van het bestaan van hypotheken die deze van de Schatkist voorafgaan, de gedwongen verkoop niets aan de Staat zou opbrengen.
Nummer 394/51
In geval van mogelijke of daadwerkelijke uitoefening van het in art. 294 (oud), WIB omschreven invorderingsrecht, moeten maatregelen worden getroffen om de in art. 194, KB/WIB voorziene verjaring te stuiten, zowel ten aanzien van de echtgenoot of de kinderen, als ten aanzien van het gezinshoofd.
Nummer 394/52
De procedure ten laste van de goederen van de echtgenoot of van de kinderen mag worden ingesteld zonder dat de Ontv. zich er vooraf moet van vergewissen of die goederen al dan niet onder de in art. 294, § 1, 1° en 2° (oud), WIB bepaalde uitzonderingen vallen.
De wetgever heeft willen vermijden dat deze uitzonderingen zouden dienen tot combinaties om de inkomsten aan de belasting te onttrekken. Daarom verplicht hij de echtgenoot en de kinderen het voordeel van deze uitzonderingen op te eisen en te laten bewijzen dat zij er recht op hebben.
De bewijslast kan niet aan de administratie worden opgelegd, want die zou zelf niet altijd in staat zijn te bewijzen dat de ingeroepen toestanden voor de noodwendigheden van de zaak zijn opgezet.
Nummer 394/53
Wanneer de Ontv. vervolgingen ten laste van de echtgenoot of van een kind moet uitoefenen, stuurt hij hen een bericht in de vorm van een brief, waarbij betrokkene wordt ingelicht nopens de aard, de basis en de grootte van zijn verplichtingen tot het betalen van de belasting gevestigd op naam van het gezinshoofd, met vermelding dat, bij gebrek aan betaling van zijn deel binnen een bepaalde termijn -die in alle redelijkheid is vast te stellen- hij of zij zal worden vervolgd door alle middelen van tenuitvoerlegging.
Nummer 394/54
De vordering op de goederen van de echtgenoot of van de kinderen moet geschieden via een dwangschrift krachtens het ten name van het gezinshoofd aangelegde kohier.
De aanslag die regelmatig is gevestigd op naam van de man en die is opgenomen in een uitvoerbaar verklaard kohier, vormt de titel die de administratie toelaat deze aanslag te vervolgen op de goederen van de echtgenoot en van de kinderen (Cass. 29.06.1972, Bull. 513, blz. 2633).
Het dwangbevel en de latere akten worden betekend aan de door de Ontv. vervolgde echtgenoot of kind(eren) (dit belet vanzelfsprekend de Ontv. niet dat hij het dwangbevel ook aan het gezinshoofd laat betekenen, bijvoorbeeld om de verjaring in zijnen hoofde te stuiten).
Nummer 394/55
Voor de regelmatigheid van de vervolgingen moet in de tekst van de exploten worden verwezen naar de wettelijke bepaling die de invordering op de goederen van de echtgenoot of van de kinderen mogelijk maakt (art. 294, § 1 of § 2 (oud), WIB, en eventueel art. 469, 3e lid, WIB 92)
Nummer 394/56
Naar gelang van het geval worden de vervolgingen doorgedreven zolang :
- de belastingen in kwestie niet zijn betaald;
- geen aannemelijk afbetalingsplan wordt voorgelegd;
- de echtgenoot of de kinderen, naargelang het geval, geen verzet hebben aangetekend of niet hebben aangeboden te bewijzen dat hun goederen wettelijk aan de greep van de fiscus ontsnappen.
Ten onrechte gemaakte vervolgingskosten mogen in een aanvraag om ontlasting worden opgenomen.
Nummer 394/57
- Wanneer de kinderen bewijzen dat hun goederen vallen onder de in art. 294 (oud), WIB bepaalde uitzonderingen, worden de verdere vervolgingen op dezelfde goederen beperkt tot het gedeelte van de belasting dat overeenstemt met de inkomsten van de kinderen.
- Als de echtgenoot dit bewijs voor zijn goederen aanbrengt, wordt eventueel op een gelijkaardige wijze te zijnen opzichte gehandeld nadat bij de bevoegde Hfd.cr. inlichtingen zijn ingewonnen betreffende het eventuele bedrag van de belasting dat betrekking heeft op de inkomsten van de echtgenoot.
In dat verband wordt opgemerkt dat de plus-petitio niet de nietigheid van de procedureakte, waarin zij is opgenomen, tot gevolg heeft (Cass., 12.08.1833, Pas. 1833, I, 138; Cass., 11.01.1923, Pas. 1923, I, 150).
Nummer 394/58
Indien een gedeeltelijke betaling is verricht ter aanzuivering van een aanslag waarvan een gedeelte betrekking heeft op inkomsten van de echtgenoot of van de kinderen, wordt het op die inkomsten nog verschuldigde aandeel, behoudens tegenbewijs verhoudingsgewijze vastgesteld, rekening houdende met het feit dat men moet veronderstellen dat de gedane betaling op het geheel van de aanslag slaat.
Voorbeeld
Aanslag in de PB op naam van het gezinshoofd : 50.040 F
Deel hiervan met betrekking tot de inkomsten { van het gezinshoofd : 30.040 F
{ van de echtgenoot : 20.000 F
Reeds aangezuiverd : 26.940 F
Nog verschuldigde saldo : 23.100 F
Deel van de echtgenoot in het nog verschuldigd saldo, behoudens tegenbewijs :
23.100 x 20.000 = 9.233 F
50.040
Nummer 394/59
Ingeval de enkel ten laste van het gezinshoofd in beslag genomen goederen door de andere echtgenoot of door de kinderen worden opgeëist, mag op grond van dit beslag niet tot de verkoop ervan worden overgegaan, wanneer de echtgenoot of de kinderen het bewijs van hun eigendomsrecht aanbrengen.
De vervolgingen moeten, in voorkomend geval, tegen de echtgenoot of de kinderen persoonlijk worden hernomen indien zulks krachtens de bepalingen van art. 294 (oud), WIB mogelijk is.
H. GOEDEREN VAN DE ECHTGENOOT OF VAN DE KINDEREN DIE BUITEN HET BEREIK VAN DE SCHATKIST VALLEN
1. Algemeen
Nummer 394/60
De wet voorziet verschillende uitzonderingsgevallen.
Opdat de Schatkist met het oog op de invordering van de PB, de BNI of de PB/gem. met betrekking tot de door het gezinshoofd behaalde inkomsten, geen vat zou kunnen hebben op de roerende en de onroerende goederen van de andere echtgenoot of van de kinderen :
- moet de andere echtgenoot het bewijs voortbrengen dat hij die goederen vóór zijn huwelijk bezat of dat hij ze nadien heeft verkregen door wederbelegging van de realisatieprijs van dergelijke goederen;
- moeten de andere echtgenoot of de kinderen bewijzen dat hun goederen of de gelden waarmede die goederen zijn aangeschaft voortkomen van een successie of van een schenking uitgaande van andere personen dan de belastingschuldige, ofwel van hun eigen inkomsten, of nog van de realisatie van aldus verkregen goederen.
Nummer 394/61
De goederen ontsnappen slechts aan de greep van de Schatkist in het kader van de toepassing van art. 294 (oud), WIB indien zij, naast hun bijzondere herkomst, aan de andere echtgenoot of aan de kinderen toebehoren.
Vanzelfsprekend moet rekening worden gehouden met het huwelijksvermogensstelsel om te bepalen wie eigenaar is (de man of de vrouw) van de goederen waarop de Ontv. wil vervolgen.
2. Bezit van vóór het huwelijk
Nummer 394/62
Betwistingen nopens de datum van verwerving van de goederen zullen doorgaans slechts ontstaan indien de invordering van de belasting op roerende goederen wordt vervolgd.
In dit verband mag het niet ontgaan dat het huwelijkscontract uiteraard geen afdoende bewijs is indien het geen inventaris bevat van de goederen van vóór het huwelijk, die persoonlijke eigendom van één van de echtgenoten moeten blijven.
3. Bezittingen verkregen of verworven door successie
Nummer 394/63
Wat de bezittingen betreft die door erfenis zijn verkregen of verworven, zal de verificatie van de voorgelegde bewijzen in de regel geen bijzondere moeilijkheden opleveren.
4. Schenkingen van andere personen dan de belastingplichtige
Nummer 394/64
Het onderzoek naar de herkomst van schenkingen zal niet altijd gemakkelijk zijn, aangezien de schenkingen niet noodzakelijkerwijze schriftelijk moeten geschieden.
In dit verband zal het nuttig zijn rekening te houden met de hiernavermelde bijzonderheden die overgenomen zijn uit Répertoire pratique du Droit belge (Verbo Donations et testaments - titel III).
Nummer 394/65
Schenkingen onder levenden kunnen in drie groepen worden ingedeeld :
- de eigenlijke of uitdrukkelijke schenkingen onder levenden, dat wil zeggen vastgesteld bij bijzondere akten;
- de handgiften;
- de onrechtstreekse of vermomde schenkingen.
1° Uitdrukkelijke schenking
Nummer 394/66
Daar de "uitdrukkelijke schenking" een solemnele overeenkomst is, stelt de wet als geldigheidsvereisten :
1° het opmaken van een notariële akte houdende het aanbod van de schenker (art. 931, BW);
2° de uitdrukkelijke aanneming door de begiftigde, bij notariële akte, en de betekening daarvan aan de schenker wanneer de aanneming niet vervat is in de akte houdende het aanbod;
3° voor schenkingen van roerende goederen, het opmaken van een staat van schatting (art. 948, BW).
Deze staat moet een gedetailleerde beschrijving en een schatting bevatten van de roerende goederen die het voorwerp van de schenking zijn; een globale raming zou onvoldoende zijn. De geschonken goederen moeten één voor één worden opgesomd.
Wanneer de door de wet bepaalde vormen niet in acht zijn genomen, is de akte volstrekt nietig of volgens sommige auteurs zelfs niet-bestaande.
2° Handgift
Nummer 394/67
De "handgift" is een zakelijk contract waarbij een persoon aan een andere, die aanvaardt, lichamelijke roerende goederen, speciën of effecten aan toonder overhandigt met de bedoeling om hem kosteloos de eigendom ervan over te dragen.
Geen enkel geschrift is vereist voor de geldigheid van een handgift; de wil van de partijen, vastgelegd in de overhandiging van de geschonken goederen, is doorslaggevend (zie Cass., 06.02.1863, Pas. 1863, I, 424; Cass. 14.03.1889, Pas. 1889, I, 147).
Een handgift mag slechts slaan op roerende goederen die voor reële bezitsoverdracht vatbaar zijn. Er is echter een uitzondering voor schepen.
De handgift wordt bewezen overeenkomstig het gemeen recht en het bewijs ervan valt ten laste van degene die het bestaan ervan in rechte aanvoert, hetzij om zijn eis te staven, hetzij om zijn verweer te verantwoorden (zie evenwel Fr. Cass., 16.04.1904, Dalloz, Recueil périodique, 1904, I, 207).
3° Vermomde schenking
Nummer 394/68
De "vermomde schenking" is de schenking in de vorm van een contract ten bezwarende titel, die slechts schijnbaar dat karakter heeft (zie Cass., 28.10.1943, Pas. 1944, I, 26).
Ze moet in de vorm van een contract ten bezwarende titel worden vastgesteld. De vormvoorwaarden van de schijnbare akte ten bezwarende titel en de grondvoorwaarden van de vrijgevigheden moeten in acht worden genomen. De schenking moet geschieden zonder bedrog en zonder nadeel te berokkenen aan derden (zie Cass., 31.01.1867, Pas. 1867, I, 159).
Wanneer het bewijs van de vermomde schenking van de begiftigde uitgaat, moeten de art. 1341 en volgende, BW worden toegepast.
4° Onrechtstreekse schenking
Nummer 394/69
De "onrechtstreekse schenking" is iedere vrijgevigheid die voortvloeit uit de gemeenschappelijke bedoeling van de twee partijen van een akte ten bezwarende titel die werkelijk dit karakter heeft.
Ze is in de vorm de bijzaak van een overeenkomst ten bezwarende titel en ze is dan ook onderworpen aan de regels die de vorm bepalen van de overeenkomst waarvan ze de bijzaak is.
De onrechtstreekse schenking is inhoudelijk een schenking : de basisvoorschriften betreffende de schenkingen moeten dus in acht worden genomen.
5° Schenking van goederen die met een hypotheek kunnen worden bezwaard
Nummer 394/70
In geval van schenking van goederen die met een hypotheek kunnen worden bezwaard, moeten de akten die de schenking en de aanvaarding inhouden, zomede de betekening van de aanvaarding, indien deze laatste bij afzonderlijke akte is gedaan, worden overgeschreven op het kantoor van de hypotheekbewaarder van het arrondissement waar de goederen zijn gelegen (art. 939, BW). Het ontbreken van de overschrijving kan worden ingeroepen door alle belanghebbenden, met uitzondering van hen die belast zijn met het doen verrichten van de overschrijving of hun rechtverkrijgenden en van de schenker (art. 941, BW).
5. Goederen door de echtgenoot of door de kinderen verworven met eigen inkomsten
Nummer 394/71
Onder "eigen inkomsten" van de echtgenoot (of van de kinderen) verstaat men alle door hen verkregen inkomsten, die eigen blijven krachtens het gemeen recht, inzonderheid krachtens het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, zonder onderscheid te maken tussen de inkomsten uit roerende goederen, uit onroerende goederen en diegene die voortkomen van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid.
Nummer 394/72
Wat de kinderen betreft, mag niet uit het oog worden verloren dat luidens art. 384, BW de ouders of, ingeval één van hen overlijdt, de langstlevende, het genot van de goederen van hun kinderen hebben tot zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt of tot aan de ontvoogding die kan plaatshebben voordat zij achttien jaar oud zijn. Dit genot houdt op in geval van echtscheiding of van scheiding van tafel en bed (art. 386, BW). Art. 387, BW bepaaltevenwel dat dit genot zich niet uitstrekt tot de goederen die de kinderen door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerven, noch tot die welke hun worden geschonken of nagelaten onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het genot niet zullen hebben.
6. Verwerving met de opbrengst van de realisatie van goederen, bedoeld onder 2 tot 5, hiervoor
Nummer 394/73
De tekst van art. 294 (oud), 2°, WIB ("... dat hun goederen of gelden waarmede die goederen werden aangeschaft voortkomen ... van de realisatie van aldus verkregen goederen"), is duidelijk en vergt dus geen nadere uitleg.
Het zal echter niet ontgaan dat, wanneer het huwelijksvermogensstelsel een gemeenschap van goederen bevat, een verworven goed in bepaalde gevallen enkel persoonlijk aan één van beide echtgenoten zal blijven toebehoren indien de voorschriften in verband met de wederbelegging zijn nageleefd.
De rechtsleer neemt evenwel aan dat wanneer de verkoopsopbrengst van een persoonlijk bezit niet met de gemeenschapsgoederen is vermengd (bijvoorbeeld wegens consignatie op een afzonderlijke bankrekening), die opbrengst als eigen te beschouwen is door zakelijke indeplaatsstelling (DEKKERS, Handboek van Burgerlijk Recht, Deel III, nr. 91/B; DE PAGE, Deel X, 1, nrs. 320 en 321).
7. Eigen inkomsten van de echtgenoot of van de kinderen die aan de greep van de Schatkist ontsnappen
Nummer 394/74
Alhoewel art. 294, § 1, 2° (oud), WIB alleen gewaagd van goederen die door de echtgenoot of de kinderen met eigen inkomsten zijn verkregen (zie 394/72), moet daaruit logischerwijze worden afgeleid dat ook die inkomsten zelf ontsnappen aan het invorderingsrecht van de Ontv. voor de belastingen met betrekking tot de inkomsten van het gezinshoofd.
In dat verband is gevonnist (Brussel 19.01.1971, Bull. 508, blz. 1056) :
- dat de eigen inkomsten van de echtgenoot of de kinderen niet in aanmerking komen voor de invordering van belasting betreffende de inkomsten van het gezinshoofd;
- dat hetzelfde geldt voor de huurgelden van een onroerend goed dat toebehoort aan de echtgenoot of aan de kinderen, zelfs wanneer dat goed door de Ontv. zou kunnen worden aangesproken voor de invordering van belasting betreffende de inkomsten van het gezinshoofd (dit beginsel geldt slechts voor de onrechtstreekse vervolgingen : beslag op de huurgelden in handen van de huurders. Bij rechtstreekse vervolgingen (uitvoerend beslag op onroerend goed) is art. 1576, Ger.W van toepassing).
8. Bijzondere gevallen
Nummer 394/75
De opsomming van de uitzonderingsgevallen is limitatief. Zo is gevonnist dat hierin niet begrepen zijn de kapitalen die krachtens een contract van levensverzekering afgesloten door de man, bij diens overlijden aan de vrouw toekomen (Brussel, 25.03.1953, Nal. Van Dijck; Brussel, 23.03.1955, De Brouwer).
Nummer 394/76
Een huis gebouwd op een door de vrouw geërfde grond met gelden van de gemeenschap, behoort door natrekking aan de vrouw toe. De invordering van de belastingen betreffende de inkomsten van de man kan op het goed worden vervolgd, doch het gedeelte van de realisatieprijs dat overeenstemt met de grond komt aan de vrouw toe (Rechtb. Luik, 17.04.1957; Brussel, 19.04.72, Bull. 509, blz. 1423).
De waarde van de grond, die aan de greep van de Schatkist ontsnapt moet worden bepaald door de totale verkoopprijs te verdelen op basis van de respectievelijke waarde van de grond en van het huis op het ogenblik van de verkoop; bij gebrek aan andere criteria kan die waarde worden bepaald in verhouding enerzijds tot de oorspronkelijke waarde van de grond en anderzijds de sommen besteed aan het optrekken van het gebouw.
Nummer 394/77
De goederen waarvan de aankoop is gefinancierd door een door de echtgenoot of door de kinderen aangegane lening zijn niet opgenomen onder de bij art. 294, § 1, 2° (oud), WIB ingevoerde uitzonderingen.
Een dergelijke aankoop staat evenwel gelijk met een verwerving met eigen middelen, wanneer de lening uitsluitend met eigen middelen wordt afbetaald.
Als regel mag dan ook worden aangenomen dat de invordering van het gedeelte van de belasting, dat betrekking heeft op de inkomsten van het gezinshoofd, niet moet worden vervolgd op de goederen die aldus door de andere echtgenoot of de kinderen zijn verworven, wanneer de betalingen bij de aankoop en de delging van de lening uitsluitend zijn of worden gedaan met fondsen die voortkomen van een successie, van een schenking uitgaande van een andere persoon dan het gezinshoofd, van de realisatie van aldus verkregen goederen of van eigen inkomsten.
BIJLAGE I
MODEL VAN BRIEF VOORAFGAAND AAN HET INSTELLEN VAN VERVOLGINGEN
TEGEN DE NIET IN HET KOHIER VERMELDE ECHTGENOOT Mevrouw / Mijnheer,
Hierbij heb ik de eer U ter kennis te brengen dat op .........19.. ten name van uw echtgenoot ........................................................ (naam en adres) een aanslag in de .. (aard van de belasting : PB, OV, BV, RV, ...) is gevestigd onder kohierartikel nummer .......... . Het aanslagbiljet is hem/haar toegezonden op .........19.. . De vervaldag is vastgesteld op .........19.. De belastbare basis bedraagt .......... F. De te betalen som bedraagt in hoofdsom .......... F. Deze aanslag blijft
ten belope van .......... F onbetaald in hoofdsom, te verhogen met nalatigheidsinteresten vanaf ..........19.. . Op grond van artikel 394 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kan U worden aangesproken tot betaling van de voormelde aanslag. Ik wil U dan ook verzoeken de nog verschuldigde hoofdsom en de nalatigheidsinteresten te betalen vóór ........ 19.. op rekening
nummer ...................... Het totale verschuldigde bedrag van de aanslag en van de nalatigheidsinteresten beloopt heden .......... F. Bij ontstentenis van betaling tegen deze datum zal ik genoodzaakt zijn de betaling te vervolgen met alle wettelijke middelen van tenuitvoerlegging. Hoogachtend, De Ontvanger,
