Commentaar van art. 3, WIB 92
TITEL II : PERSONENBELASTING
HOOFDSTUK I - Aan de belasting onderworpen personen
| 3/0 | |
| 3/1 | |
| III. Gewone rijksinwoners : woonplaats of zetel van fortuin in België | |
| 3/2 | |
| 3/3 | |
| 3/4-5 | |
| 3/6-11 | |
| 3/12-15 | |
| 3/15.1-15.14 | |
| 3/16-22 | |
| A. Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren | 3/23-31 |
| 3/32-36 | |
| C. Andere Belgische openbare ambtenaren zonder diplomatiek of consulair statuut | 3/37-39 |
| 3/40 | |
| 3/41-47 | |
| A. Personen die hun beroepswerkzaamheid in het buitenland uitoefenen | 3/48-91 |
| B. Belgische militairen en burgerlijk personeel van de Belgische krijgsmachten in Duitsland | 3/92-95 |
| 3/96-98 | |
| 3/99-100 | |
| 3/101-106 |
Nummer 3/0
Art. 3. [De tekst van art. 3, WIB 92, is van toepassing met ingang van aj. 1995] - § 1. Aan de personenbelasting zijn de rijksinwoners onderworpen, dat wil zeggen :
1° de natuurlijke personen die in België hun woonplaats of de zetel van hun fortuin gevestigd hebben;
2° de Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren die in het buitenland zijn geaccrediteerd, alsmede hun inwonende gezinsleden;
3° de andere leden van Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland, alsmede hun inwonende gezinsleden, daaronder niet begrepen consulaire ere-ambtenaren;
4° de andere ambtenaren, vertegenwoordigers en afgevaardigden van de Belgische Staat, van de Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten, of van een Belgisch publiekrechtelijk lichaam, die de Belgische nationaliteit bezitten en hun werkzaamheden buitenslands uitoefenen in een land waar zij niet duurzaam verblijf houden.
§ 2. De vestiging van de woonplaats of van de zetel van het fortuin in België wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Evenwel worden, behoudens tegenbewijs, geacht hun woonplaats of de zetel van hun fortuin in België te hebben gevestigd de natuurlijke personen die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven.
Voor gehuwden die zich niet in één van de in artikel 128, eerste lid, vermelde gevallen bevinden, wordt de belastingwoonplaats bepaald door de plaats waar het gezin is gevestigd.
Nummer 3/1
Art. 3, § 1, WIB 92, stelt vooreerst het algemene beginsel voorop dat de rijksinwoners aan de PB zijn onderworpen en geeft vervolgens de bepaling van het begrip "rijksinwoner".
Het 1° van § 1 herneemt de tekst van art. 37, § 2, SWIB, tot bepaling van het begrip "rijksinwoner" inzake aanvullende personele belasting (APB), tekst die op zijn beurt overeenstemt met die van art. 1, W 27.12.1817, betreffende de inning van de successierechten.
Het 2° en 3° van § 1 stellen de Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren en hun personeelsleden met rijksinwoners gelijk; zij brengen zodoende meer samenhang tussen de interne wetgeving die de hoedanigheid van rijksinwoner vaststelt en de voorrechten inzake inkomstenbelastingen die geregeld worden in de verdragen van Wenen inzake diplomatieke en consulaire betrekkingen.
Het 4° van § 1 is de tegenhanger van art. 4, 3°, WIB 92 en bepaalt dat de personen van Belgische nationaliteit die tijdelijk in het buitenland verblijven om er een taak te vervullen in opdracht van een Belgische overheidsinstantie of een Belgisch publiekrechtelijk lichaam, toch verder als rijksinwoner worden beschouwd.
Art. 3, § 2, eerste lid, WIB 92 voert een wettelijk vermoeden in dat iemand die in het Rijksregister van de natuurlijke personen is ingeschreven, behoudens tegenbewijs, een rijksinwoner is.
Tenslotte verduidelijkt art. 3, § 2, tweede lid, WIB 92, dat de belastingwoonplaats van echtgenoten (gehuwden die zich niet in één van de in art. 128, eerste lid, WIB 92, vermelde gevallen bevinden) de plaats is waar het gezin is gevestigd.
III. GEWONE RIJKSINWONERS : WOONPLAATS OF ZETEL VAN FORTUIN IN BELGIE
Nummer 3/2
De fiscale wetgever had niet het inzicht het burgerlijk begrip van de woonplaats in aanmerking te nemen; voor de uitdrukking "rijksinwoner" heeft hij, integendeel, de betekenis willen behouden die ze, ingevolge de vaste rechtspraak met betrekking tot de toepassing van art. 1, W 27.12.1817, bezat voor de inning van de successierechten.
Indien in het "belastingdomicilie" als bedoeld in gezegde bepaling, beide bestanddelen van de "burgerlijke woonplaats" voorkomen - te weten, het feit van het werkelijk wonen in een plaats, gevoegd bij het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen (zie art. 103 tot 105, BW), blijft het niettemin waar dat op belastinggebied het feit vóór het voornemen komt.
Nummer 3/3
De begrippen "woonplaats" en "zetel van fortuin" worden in art. 3, § 1, 1°, WIB 92, niet nader omschreven.
Volgens een vaste rechtspraak moet worden verstaan onder :
1° Belastingwoonplaats (belastingdomicilie):
- een bijzondere en feitelijke woonplaats, die onafhankelijk kan zijn van de burgerlijke woonplaats en van de nationaliteit, die tot stand komt, wordt bevestigd en zich consolideert door een geheel van feiten en omstandigheden (Cass. 6.10.1941, Nogueira, Pas. 1941, I, 368);
- een feitelijke woonplaats die noodzakelijkerwijze gekenmerkt wordt door een bepaalde bestendigheid of continuïteit (Cass. 7.2.1979, Prade G., Bull. 611, blz. 2713; in dezelfde zin : Cass. 28.10.1982, Gueye A., Fiscale Jurisprudentie, 83/41, Cass., 30.6.1983, Schaan R., Fiscale Jurisprudentie, 83/189 en Cass., 15.11.1990, de Burlet J., Fiscale Jurisprudentie, 91/31).
2° Zetel van fortuin (zetel van vermogen) :
- de plaats van waaruit het fortuin wordt beheerd en die uiteraard door een bepaalde eenheid wordt gekenmerkt (Cass., 7.2.1979, Prade G., Bull. 611, blz. 2713);
- de plaats van het vermogen van de belastingschuldige, met dien verstande dat die uitdrukking niet de plaats bedoelt waar de goederen die het vermogen uitmaken gelegen zijn, doch wel de plaats van waaruit de eigenaar die ze beheert of toezicht houdt over hun beheer de zetel heeft van zijn zaken of van zijn bezigheden (Antwerpen, 18.2.1982, S.S., Fiscale Jurisprudentie, 82/71).
Art. 3, § 2, tweede lid, WIB 92, verduidelijkt het begrip "woonplaats" wel, maar die bepaling geldt slechts voor echtgenoten (gehuwden die zich niet in één van de in art. 128, eerste lid, WIB 92, vermelde gevallen bevinden - zie 3/15.1 en volgende).
C. ALTERNATIEVE CRITERIA VAN RIJKSINWONERSCHAP
Nummer 3/4
De "belastingwoonplaats" en de "zetel van fortuin" zijn twee alternatieve criteria voor het vaststellen van het rijksinwonerschap. Elk criterium kan dus zelfstandig of genoegzaam worden aangewend als hoofdcriterium.
Zo kan de "zetel van fortuin" als hoofdcriterium worden gebruikt, als het centrum van de zakelijke belangen en beroepsactiviteiten niet op dezelfde plaats is gesitueerd als het centrum van het gezinsleven.
Nummer 3/5
Ter zake heeft het Hof van Cassatie gevonnist :
Beslist op een wettige manier dat een belastingplichtige geacht wordt rijksinwoner te zijn, het Hof van Beroep dat het bestaan van één van de alternatieve criteria van art. 37, § 2, SWIB (thans art. 3, WIB 92)vaststelt. De persoon die verscheidene onroerende goederen bezit, er één van verhuurt aan de vennootschap waarin hij voorzitter is van de Raad van Bestuur en die samen met zijn echtgenote de quasi-totaliteit van de aandelen van twee in België gevestigde vennootschappen bezit, wordt geacht rijksinwoner te zijn daar zijn zetel van fortuin hier gevestigd is, hoewel hij zijn woonplaats in den vreemde heeft (Cass., 7.9.1965, Derks J., Bull. 431, blz. 817).
D. CONSTITUTIEVE BESTANDDELEN VAN HET WOONPLAATSBEGRIP
Nummer 3/6
In tegenstelling tot het begrip "zetel van fortuin" (zelfstandig criterium voor het vaststellen van het rijksinwonerschap - zie 3/4) dat op een eenvormige wijze kan worden omschreven als het centrum van de zakelijke bezigheden of van de patrimoniale belangen, is het begrip "belastingwoonplaats" veel complexer.
Ter zake bepaalt art. 3, § 2, tweede lid, WIB 92, slechts dat voor echtgenoten (gehuwden die zich niet in een van de in art. 128, eerste lid, WIB 92, vermelde gevallen bevinden), de belastingwoonplaats die plaats is waar het gezin is gevestigd (zie 3/15.1 en volgende).
Nummer 3/7
In de rechtspraak wordt de "belastingwoonplaats" omschreven als de plaats waar een persoon :
- vast verblijft;
- de haardstede van zijn gezin heeft;
- de vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhoudt.
Nummer 3/8
In eerste instantie verwijst de belastingwoonplaats naar de plaats waar een natuurlijke persoon effectief en duurzaam verblijft, m.a.w. waar hij leeft en werkt.
Door de evolutie in de samenleving en de economie, komt het echter steeds meer en meer voor dat een persoon zijn beroepsbezigheden niet uitoefent in hetzelfde land als dat waarin zijn gezin gehuisvest is en waar hij zijn vitale betrekkingen met zijn medemensen onderhoudt.
In dit geval moeten de verschillende constitutieve bestanddelen van de belastingwoonplaats tegenover elkaar worden afgewogen, waarbij uiteraard meer belang moet worden gehecht aan het centrum van de huishoudelijke en vitale betrekkingen dan aan de plaats van het verblijf en van de beroepswerkzaamheden.
De belastingwoonplaats wordt immers bepaald door het feit van de woning en meer in het bijzonder van de woning waar het gezin is gevestigd.
Nummer 3/9
De duur van het lijfelijk verblijf is soms een voldoende criterium om uit te maken of een persoon rijksinwoner is, maar de beoordeling van de standvastigheid van de vestiging is meestal complexer dan het zuivere tijdselement.
Het is echter evident dat het centrum van het gezinsleven enz. in een land meer gewicht verkrijgt naargelang het verblijf en de beroepswerkzaamheden in een ander land minder duurzaam zijn.
Nummer 3/10
In elk geval - en in tegenstelling met de visie van het Hof van Beroep te Brussel (cf. Brussel, 9.1.1979, Rasio E., Algemeen Fiscaal Tijdschrift, maart 1981, blz. 77, Brussel, 15.5.1990, Bradfer R., Fiscale Jurisprudentie 90/174 en Brussel, 25.9.1990, Flament L., Fiscale Jurisprudentie 91/32) - mag de standvastigheid van het verblijf niet als enig criterium voor het vaststellen van de woonplaats worden aangewend, zonder belang te hechten aan de gezinstoestand.
Nummer 3/11
De problematiek van de afweging van het duurzaam verblijf of de gezinsvestiging als doorslaggevend criterium voor het vaststellen van de belastingwoonplaats in de gevallen waarin de beroepswerkzaamheid in het buitenland wordt uitgeoefend, wordt grondiger behandeld in 3/56 tot 3/89.
E. FEITELIJKE OMSTANDIGHEDEN WAARUIT DE BELASTINGWOONPLAATS OF DE ZETEL VAN FORTUIN KUNNEN WORDEN AFGELEID
Nummer 3/12
Zoals blijkt uit de begripsomschrijving in 3/3, is de belastingwoonplaats wezenlijk een feitelijke woontoestand die wordt aangetoond door de vereniging van een aantal -relevante - uitwendige indiciën van feitelijke, familiale, affectieve en zakelijke aard.
Nummer 3/13
De daadwerkelijkheid van het duurzaam verblijf en de gezinsvestiging zal moeten blijken uit feitelijke vaststellingen van de meest uiteenlopende aard, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval (zie in 3/15 aangehaalde rechtspraak).
Nummer 3/14
De zetel van fortuin zal worden afgeleid uit verschillende aanduidingen, zoals onroerende bezittingen, gedeponeerde gelden op bankrekeningen en de ligging van allerlei vermogensbestanddelen, met dien verstande dat de eenheid tussen de verschillende bestanddelen wordt verzekerd door de plaats van waaruit al die vermogensbestanddelen worden beheerd.
Nummer 3/15
Aldus is gevonnist :
1. Conclusie : rijksinwoner
- Het besluit dat de belastingplichtige nooit de bedoeling of de wil heeft uitgedrukt zijn domicilie en zijn zetel van fortuin over te brengen naar het buitenland en dat hij in België het centrum van zijn belangen en zijn woonplaats heeft behouden volgt uit de vaststelling dat :
- hij bezoldigd werd door een Belgische vennootschap met maatschappelijke zetel in Brussel;
- hij eigenaar is van een appartement gelegen in een Belgische gemeente, dat te zijner beschikking blijft wanneer hij terugkeert van zijn opdrachten en dat hij daadwerkelijk heeft betrokken tijdens het belastbare tijdperk;
- wanneer hij niet naar het buitenland wordt gezonden door zijn werkgever, hij zijn werkzaamheden in België uitoefent voor rekening van diezelfde werkgever;
- zijn fondsen gedeponeerd zijn in een bank te Brussel (Brussel, 21.10.1976, Journal de Droit Fiscal 1977, blz. 260).
- De belastingplichtige moet worden beschouwd als rijksinwoner op grond van een geheel van feitelijke indiciën, o.m. :
- uit een proces-verbaal, opgesteld door de opsporingsdiensten van Douane en Accijnzen wegens sluikinvoer van diamant, blijkt dat de woonplaats een adres in Antwerpen is;
- hij is niet gescheiden van zijn echtgenote die aldaar ingeschreven is;
- hij is lid van drie diamantbeurzen te Antwerpen;
- uit papieren en naamkaartjes blijkt dat hij, ondanks zijn afschrijving voor Monrovia (Liberia), zijn hoofdbedrijf in Antwerpen bij zijn gezin heeft;
- tijdens het onderzoek bleek dat zijn kleren, persoonlijke en handelsdocumenten zich in zijn appartement bevonden;
- de vaccinaties werden praktisch alle te Antwerpen ingediend;
- alle briefwisseling uitgaande van Douane en Accijnzen werd gericht aan het adres in Antwerpen;
- de wagen was verzekerd door bemiddeling van een in België gevestigd makelaar (Antwerpen, 18.2.1982, S.S., Fiscale Jurisprudentie, 82/71).
- De aangevochten beslissing heeft terecht de effectieve en duurzame aanwezigheid van de belastingplichtige op Belgisch grondgebied, alsook het bestaan van een fiscaal domicilie, waardoor hij onderworpen was aan de PB overeenkomstig de art. 3 en 5 van het WIB 92, afgeleid uit de volgende feitelijke elementen :
- de belastingplichtige heeft van 25.10.1974 tot 31.12.1976 een gemeubeld appartement in Luik gehuurd en er tevens over een telefoon beschikt;
- hij heeft op 17.6.1975 bij de BTW-administratie een aangifte ingediend inzake aanvang van werkzaamheid als zelfstandig agent en heeft de hoofdzetel van zijn werkzaamheden in voormeld appartement gesitueerd;
- tussen 28.8 en 31.12.1975 werden verschillende nota's inzake zijn honorarium te zijnen gunste opgesteld op basis van dezelfde gegevens en er werden hem vanaf het tweede trimester van hetzelfde jaar nog andere vergoedingen toegekend door Belgische firma's gevestigd in België.
Die omstandigheden tonen aan dat de belastingplichtige in het betrokken jaar een permanente woonplaats had te Luik die tevens als zetel diende voor zijn aktiviteiten en bezigheden (Luik, 6.6.1983, Algemeen Fiscaal Tijdschrift, november 1983, blz. 262).
- De directoriale beslissing weerhoudt terecht een aantal elementen die toelaten de belastingplichtige als rijksinwoner onderworpen aan de Personenbelasting te beschouwen, met name :
- de belastingplichtige werd sinds 18.4.1977 bij verschillende contracten aangeworven om te werken, hetzij voor de firma "F. Co", hetzij voor de Belgische firma NV "B" op verschillende werven in Irak, Ivoorkust en Algerije; die contracten hielden periodes van arbeidsonderbreking of verlofperiodes in gedurende de looptijd ervan; de belastingplichtige is in België teruggekeerd, meer bepaald voor een verlofperiode van 21.11.1977 tot 8.1.1978;
- hij werd vergoed als volledig werkloze door de werkloosheidskas van Verviers en ging er de uitkeringen in speciën ontvangen;
- elk contract bepaalt dat een gedeelte van de wedden ontvangen wordt in het buitenland en een ander gedeelte wordt gestort op een Belgische bankrekening in Belgische frank;
- hij liet een nieuwe wagen op zijn naam inschrijven bij de Dienst voor het Wegverkeer te Brussel, met een gewone nummerplaat, in gebruik gesteld op 20.4.1978;
- hij bezit een telefoonaansluiting op zijn naam;
- het contract waarmede hij verbonden was aan de firma "F. Co" bepaalt dat in geval van ongeval of ernstige ziekte, de werknemer naar België gerepatrieerd wordt.
Uit het geheel van die elementen blijkt dat de belastingplichtige nooit de wil heeft uitgedrukt op volledige en definitieve wijze het centrum van zijn gezinsleven of de belangrijkste zetel van zijn zaken naar het buitenland te verplaatsen (Luik, 13.3.1985, L.F., Fiscale Jurisprudentie, 85/130).
- Uit de volgende feitelijke gegevens blijkt dat de belastingplichtige zijn domicilie en de zetel van zijn fortuin in België heeft behouden :
- de belastingplichtige heeft in Algerije gewerkt voor rekening van een in België gevestigde vennootschap die zijn bezoldigingen heeft gestort op zijn bankrekening bij een Belgische bank;
- hij heeft zijn vakanties in België doorgebracht bij zijn gezin in de woning die hij in 1974 met zijn echtgenote heeft aangekocht;
- hoewel hij tijdelijk verwijderd was van zijn haardstede, heeft hij ze nochtans niet verlaten;
- er bestond geen enkele juridische actie tussen de echtgenoten;
- hij liet zijn briefwisseling naar het adres van zijn echtgenote in België sturen;
- zijn echtgenote had geen andere bestaansmiddelen dan het salaris van haar echtgenoot (Luik, 18.6.1986, Pontseel J., Fiscale Jurisprudentie, 87/94).
- Uit het geheel van de volgende elementen blijkt dat de belastingplichtige de hoedanigheid van rijksinwoner heeft :
- de belastingplichtige beschikt in België over een bankrekening via dewelke talrijke verrichtingen hebben plaatsgehad en hij heeft zich regelmatig persoonlijk in deze bank aangemeld;
- hij is als vennoot verschenen bij de oprichting van een Belgische BVBA;
- hij betaalt elk jaar een jachtrecht aan een Belgische gemeente;
- op grond van bepaalde stukken blijkt dat hij in die gemeente gedomicilieerd is (Luik, 7.10.1987, Desoulière G., Fiscale Jurisprudentie, 88/3).
- Moet als rijksinwoner worden aangemerkt, de belastingplichtige van Britse nationaliteit die carrière heeft gemaakt in België door een beroep te doen op de Belgische arbeidsmarkt en zich te laten aanwerven door Belgische werkgevers, weliswaar met een internationale roeping, en die niet heeft gepoogd om andere aanknopingspunten te zoeken op het tijdstip dat hij tijdens een vrij lange periode met werkloosheid te kampen had ingevolge het verlies van zijn betrekking. Wat de zetel van het fortuin betreft, kan worden gesteld dat, behoudens tegenstrijdige gegevens, het voornaamste bestanddeel van het fortuin van een "homo economicus" zijn werkkapitaal is en dat hij dit "fortuin" beheert daar waar hij carrière maakt (Brussel, 14.10.1993, D.D., Fiscale Jurisprudentie, 94/155).
2. Conclusie : geen rijksinwoner
- De belastingplichtige die einde 1979 met hebben en houden naar Tunesië vertrok (vergezeld door zijn echtgenote, personenwagen uitgevoerd naar Tunesië, logementsvergoeding en verblijfsvergunning in Tunesië, bankrekening bij een Tunesische bank) kan niet als rijksinwoner van België worden beschouwd, daar uit niets blijkt dat hij een woonplaats in België heeft behouden (zie 3/2).
Het louter behouden van een bankrekening in België, waarop zijn wedde werd overgeschreven, kan niet beschouwd worden als een omstandigheid die kan gelijkgesteld worden aan een woonplaats, verblijf of plaats van leiding (Antwerpen, 18.12.1984, Algemeen Fiscaal Tijdschrift, juni 1985, blz. 140).
- Een Mauretaniër die in 1978 en 1979 te Antwerpen een hotelkamer huurde en er in het bevolkingsregister was ingeschreven is geen rijksinwoner die aan de personenbelasting onderworpen is (art. 3, WIB 92) omdat :
- de administratie niet heeft aangetoond dat die hotelkamer de feitelijke woonplaats van de belastingplichtige was;
- de afwezigheden blijkende uit een fotokopie van de reispas en uit het belastingdossier de stelling van de betrokkene ondersteunen dat hij niet in België woonde, en dat de hotelkamer niet meer was dan een correspondentieadres en een plaats die hem onderdak bood wanneer hij in België was;
- de invoer van gelden uit het buitenland niet bewijst dat de betrokkene de zetel van zijn fortuin in België gevestigd had, daar de bankrekening van de betrokkene nooit belangrijke creditsaldi vertoonde en blijkbaar naargelang van de behoeften werd gespijsd vanuit het buitenland (Antwerpen, 3.6.1986, Algemeen Fiscaal Tijdschrift, juni 1987, blz. 170).
- De langdurige tewerkstelling van de belastingplichtige in verre landen (Saoudi-Arabië en Algerije), gepaard gaande met de schrapping uit de bevolkingsregisters, en de afwezigheid van enig gezinsverband, eigendomsbewijs of huurcontract en van enig bewijs van een woonst, bankrekening of een belangencentrum in België, maakt de hoedanigheid van niet-rijksinwoner aannemelijk (Antwerpen, 16.9.1986, Dhondt H., Fiscale Jurisprudentie 87/95).
- De door de administratie aangebrachte overtuigingselementen, met name de tijdelijke inschrijving van de belastingplichtige als woonachtig in België, alsook de immatriculatie van zijn nieuw voertuig in België, zijn ontoereikend om de belastingplichtige als rijksinwoner te beschouwen, des te meer daar het bewijs van daadwerkelijke beroepsinkomsten in België ontbreekt en de aanslag in België slechts is gevestigd op tekenen en indiciën (Antwerpen, 18.11.1991, Huyskens K., Fiscale Jurisprudentie 92/23).
F. BELASTINGWOONPLAATS VAN ECHTGENOTEN
1. Inleiding
Nummer 3/15.1
Tijdens de laatste jaren hebben de Hoven van Beroep te Brussel en Bergen enkele arresten geveld in geschillen betreffende de hoedanigheid van rijksinwoner of van niet-rijksinwoner (art. 3 en 227, WIB 92) (inzonderheid Brussel, 13.3.1990, Morent Hubert - Fiscale Jurisprudentie, 90/122 en Algemeen Fiscaal Tijdschrift 1991, blz. 25; Brussel, 15.5.1990, Bradfer Robert - Fiscale Jurisprudentie, 90/174 en Algemeen Fiscaal Tijdschrift 1991, blz. 26 en Bergen, 10.4.1992, J.R. en F.B., Fiscale Jurisprudentie, 93/86 en Algemeen Fiscaal Tijdschrift 1993, blz. 27), die gelijkaardige gevallen betreffen (de man verblijft in het buitenland in dienst van een Belgische onderneming met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur, terwijl de echtgenote - en de kinderen - in België blijven wonen). Die arresten komen tot de aanvechtbare conclusie dat :
- het verblijf in het buitenland van de belastingplichtige gedurende de duur van zijn arbeidsovereenkomst, met aftrek van de periode van jaarlijkse vakantie, aanleiding geeft tot een werkelijke, wezenlijke en blijvende woonplaats in dat land;
- twee gehuwde personen in feite een afzonderlijke domicilie in twee verschillende landen kunnen hebben (zonder feitelijk gescheiden te zijn).
Nummer 3/15.2
Hoewel de administratie geen voorziening in cassatie heeft ingediend tegen de voormelde arresten, die in feite gewezen zijn, heeft zij zich niet neergelegd bij de voormelde conclusies.
De aanvulling van art. 3, § 2, WIB 92, met een tweede lid, is de wettelijke bevestiging van het administratieve standpunt ter zake.
2. Regel
Nummer 3/15.3
Voor echtgenoten (gehuwden die zich niet in één van de in art. 128, eerste lid, WIB 92, vermelde gevallen bevinden) is de belastingwoonplaats de plaats waar het gezin is gevestigd (art. 3, § 2, tweede lid, WIB 92, ingevoegd door art. 2, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen - V 2323, Bull. 742 - dat van toepassing is met ingang van aj. 1995).
De interpretatie van de hoven waarbij een belastingplichtige die in het buitenland is tewerkgesteld en er, met uitzondering van zijn jaarlijkse vakantie, effectief woont, vaak als een niet-rijksinwoner wordt aangemerkt - zie de in 3/15.1 vermelde arresten -, is niet langer geldig nu de plaats waar de zetel van de gezinswoning is gevestigd (centrum van het gezinsleven of van de huishoudelijke belangen) als een wettelijk criterium wordt ingevoerd om de belastingwoonplaats van echtgenoten vast te stellen.
Nummer 3/15.4
Uit het bovenstaande volgt noodzakelijkerwijs dat voor echtgenoten (gehuwden die zich niet in een van de in art. 128, eerste lid, WIB 92, bedoelde gevallen bevinden) de hoedanigheid van rijksinwoner of van niet-rijksinwoner globaal en gemeenschappelijk voor de beide echtgenoten moet worden beoordeeld.
De echtgenoten zijn ofwel beiden rijksinwoners, ofwel beiden niet-rijksinwoners naargelang hun belastingwoonplaats al dan niet in België is gevestigd.
Twee gehuwde personen moeten dus in principe aan dezelfde belasting (ofwel de PB, ofwel de BNI/nat.pers.) onderworpen worden en hun inkomsten zullen in principe worden samengevoegd overeenkomstig art. 126, WIB 92.
Nummer 3/15.5
De plaats waar het gezin is gevestigd bepaalt de fiscale woonplaats, ongeacht de duur van het (tijdelijk) verblijf van één der echtgenoten in het buitenland (zie ook 3-79 tot 81).
Nummer 3/15.6
Ter zake zal de tijdelijke uitoefening van de
beroepswerkzaamheid in het buitenland van één der echtgenoten, terwijl zijn gezin (echtgenoot en kinderen) in België blijft gevestigd, normaal slechts aanleiding geven tot een tijdelijke verwijdering van de gezinswoning.
Nummer 3/15.7
De huwelijks- en gezinsbanden blijven immers bestaan. Daarbij moet het begrip "gezin" in zijn gewone betekenis worden verstaan en wijst het op een feitelijke toestand die gekenmerkt wordt door een huiselijk samenleven en -wonen, zonder tijdelijke onderbrekingen uit te sluiten (Cass., 5.5.1977, De Preter, Bull. 573, blz. 751).
Nummer 3/15.8
De tijdelijke verwijdering uit de gezinswoning van één van de echtgenoten die het gevolg is van de noodwendigheden van de beroepsuitoefening, mag alsdan niet worden aangemerkt als een "feitelijke scheiding" van de echtgenoten (zie ook 128/13 tot 25 voor het begrip "feitelijke scheiding").
Een feitelijke scheiding wordt immers slechts geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en duurzaam een verschillende woonplaats hebben (zie ook 128/26 tot 41 inzake het bewijs van de feitelijke scheiding).
3. Echtgenoten
Nummer 3/15.9
Art. 3, § 2, tweede lid, WIB 92, geldt uitsluitend voor gehuwde personen die op fiscaal vlak als één entiteit worden beschouwd (m.a.w. echtgenoten - zie 126/4).
Die bepaling geldt niet voor gehuwden die voor de berekening van de belasting als alleenstaanden worden beschouwd (art. 128, eerste lid, WIB 92 - zie commentaar op dat artikel).
4. Belastingwoonplaats
Nummer 3/15.10
Een omschrijving van het begrip "belastingwoonplaats" die gesteund is op een vaste rechtspraak ter zake kan worden teruggevonden in 3/3, 1° en 3/6 tot 3/8.
Nummer 3/15.11
De invoering van het begrip "belastingwoonplaats" in de wettekst neemt niet weg dat het begrip "zetel van fortuin" voor echtgenoten bij voortduur kan worden gehanteerd. Dat betekent dat gehuwde belastingplichtigen die zich met hun gezin in het buitenland hebben gevestigd, bij voortduur als rijksinwoners van België moeten worden aangemerkt wanneer blijkt dat zij de zetel van hun fortuin in België hebben behouden.
5. Internationale overeenkomsten
Nummer 3/15.12
Voor de toepassing van de door België gesloten dubbelbelastingverdragen wordt een persoon geacht inwoner te zijn van de Staat alwaar hij, ingevolge de wetgeving van die Staat aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf of enige andere soortgelijke omstandigheid.
Nummer 3/15.13
Indien een persoon ingevolge het voorgaande inwoner is van België en van een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten voorziet het desbetreffende verdrag doorgaans een regeling om uit te maken van welke Staat die persoon geacht wordt inwoner te zijn, doch dit slechts met het oog op de toepassing van het dubbelbelastingverdrag. Dergelijke gevallen moeten met een omstandig verslag worden voorgelegd aan het Hoofdbestuur (dir. I/3 A.).
Het kan dus gebeuren dat een persoon zowel de hoedanigheid heeft van rijksinwoner (in de zin van art. 3, WIB 92) als van inwoner van een welbepaalde vreemde Staat (krachtens de bepalingen voorzien in het tussen België en deze Staat gesloten verdrag). In dergelijk geval wordt verwezen naar 4/02, Com.Ov.
6. Buitenlandse kaderleden
Nummer 3/15.14
Buitenlandse kaderleden voor wie het in 227/4 tot 20 bedoelde bijzondere aanslagstelsel wordt toegepast en wier echtgeno(o)t(e) en kinderen in voorkomend geval in België verblijven, vallen niet onder de toepassing van art. 3, § 2, tweede lid, WIB 92.
Het statuut van niet-inwoner van België kan hen bijgevolg niet op basis van die wettelijke bepaling worden ontnomen wanneer zij zich met hun gezin in België vestigen.
1. Feitelijke of gewone vermoedens
Nummer 3/16
Het bewijsmateriaal voor de kwalificatie van een natuurlijke persoon als rijksinwoner zal meestal bestaan uit feitelijke of gewone vermoedens.
Die feitelijke vermoedens zullen worden afgeleid uit een samenhangend geheel van bekende en vaststaande feitelijke gegevens en omstandigheden (zie 3/12 tot 15.14) die moeten worden getoetst aan de verschillende criteria (zie 3/7 tot 11) om eventueel te komen tot het positieve bewijs van rijksinwonerschap.
Nummer 3/17
Bij elk geschil tijdens de taxatie- of bezwaarprocedure zal de bevoegde ambtenaar zoveel mogelijk gegevens verzamelen en inlichtingen vorderen bij de belastingplichtige en bij derden, om daarna dit feitenmateriaal objectief en redelijk te beoordelen, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van elk afzonderlijk geval.
Nummer 3/18
Ter zake moeten de door de belastingplichtige voorgelegde elementen, feiten en bewijsstukken nauwkeurig worden onderzocht en op hun waarde worden beoordeeld. Bij de beslissing volstaat het niet die feiten te verwerpen door ze als irrelevant te bestempelen, maar zij moeten noodzakelijkerwijze weerlegd kunnen worden (zie dienaangaande Cass., 7.2.1979, Prade G., Bull. 611, blz. 2713; 28.10.1982, Gueye A., Fiscale Jurisprudentie, 83/41 en 30.6.1983, Schaan R., Fiscale Jurisprudentie, 83/189).
2. Wettelijk vermoeden
Nummer 3/19
Art. 3, § 2, eerste lid, WIB 92, voert het wettelijk vermoeden in dat wie in het Rijksregister van de natuurlijke personen is ingeschreven rijksinwoner is.
Nummer 3/20
Dat wettelijk vermoeden is echter een weerlegbaar vermoeden, d.w.z. dat de belastingplichtige die betwist rijksinwoner te zijn, het tegenbewijs kan leveren door aan te tonen - door middel van alle bewijsmiddelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed - dat hij niettegenstaande de inschrijving in het rijksregister niet de hoedanigheid van rijksinwoner heeft.
De door de belastingplichtige medegedeelde feitelijke omstandigheden zullen alsdan door de administratie worden beoordeeld.
Nummer 3/21
Ook de administratie kan dat wettelijk vermoeden weerleggen, door het bewijs te leveren - door middel van feitelijke vermoedens - dat de belastingplichtige, die ingeschreven is in het rijksregister, geen rijksinwoner is.
Nummer 3/22
Anderzijds beschikt de administratie evenzeer nog over de gewone feitelijke vermoedens om aan te tonen dat een persoon die niet is ingeschreven in het rijksregister, toch de hoedanigheid heeft van rijksinwoner op grond van de algemene beginselen van rijksinwonerschap (woonplaats of zetel van fortuin in België).
IV. MET RIJKSINWONERS GELIJKGESTELDE PERSONEN
A. BELGISCHE DIPLOMATIEKE AMBTENAREN EN CONSULAIRE BEROEPSAMBTENAREN
1. Algemeen
Nummer 3/23
Krachtens art. 3, § 1, 2°, WIB 92, wordt aan de in het buitenland geaccrediteerde Belgische diplomatieke ambtenaren en consulaire beroepsambtenaren, alsmede aan hun inwonende gezinsleden, de hoedanigheid van rijksinwoner toegekend.
Volgens het exterritorialiteitsbeginsel zouden diplomaten immers door een juridische fictie beschouwd moeten worden alsof zij zich steeds op het grondgebied van de zendstaat (België) bevinden.
Die ambtenaren kunnen in de verblijfstaat ingevolge internationale verdragen - inzonderheid het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (zie Wetboek, D.C. overeenk. Wenen I) en het Verdrag van Wenen inzake consulair verkeer van 24 april 1963 (zie Wetboek, D.C. overeenk. Wenen II) - aanspraak maken op bepaalde voorrechten en immuniteiten, o.a. inzake inkomstenbelastingen. Hun officiële bezoldigingen zijn in de verblijfstaat onvoorwaardelijk vrijgesteld van alle belastingen.
2. Diplomatieke ambtenaren
Nummer 3/24
Diplomatieke ambtenaren zijn ambtenaren die de hoedanigheid van diplomaat bezitten en verbonden zijn aan in het buitenland geaccrediteerde diplomatieke zendingen (ambassades en gezantschappen) van België of aan vertegenwoordigingen, zendingen, delegaties of missies van België die met diplomatieke zendingen zijn gelijkgesteld. Zij bezitten het eigenlijke diplomatiek statuut.
Bedoeld worden eveneens de Belgische ambtenaren met diplomatiek statuut die bij in het buitenland gevestigde internationale organisaties zijn tewerkgesteld.
Nummer 3/25
Onder de diplomatieke ambtenaren onderscheidt men :
- hoofden van diplomatieke zendingen (d.w.z. de personen die door de zendstaat zijn aangewezen om in die hoedanigheid op te treden);
- andere diplomatieke ambtenaren.
Nummer 3/26
De hoofden van diplomatieke zendingen worden in drie categorieën onderverdeeld :
1° ambassadeurs of nuntiussen, geaccrediteerd bij het Staatshoofd en andere hoofden van zendingen met gelijkwaardige rang;
2° gezanten, ministers of internuntiussen, geaccrediteerd bij het Staatshoofd;
3° zaakgelastigden, geaccrediteerd bij de Minister van Buitenlandse Zaken.
Nummer 3/27
Onder de zaakgelastigden onderscheidt men twee categorieën, met name :
- eigenlijke zaakgelastigden (zaakgelastigden die het hoofd zijn van een zending en op permanente wijze geaccrediteerd zijn);
- zaakgelastigden ad interim (zaakgelastigden die deze functie ad interim vervullen tijdens de toevallige afwezigheid van de ambassadeur, gezant of minister).
Nummer 3/28
De andere diplomatieke ambtenaren zijn raden, ministerraden, secretarissen en attachés die deel uitmaken van het diplomatiek personeel van de diplomatieke zending en die onder het gezag staan van het hoofd van de zending.
3. Consulaire beroepsambtenaren
Nummer 3/29
Consulaire beroepsambtenaren zijn ambtenaren van de zendstaat (België) en oefenen geen ander beroep uit. Zij bezitten gewoonlijk ook de nationaliteit van de zendstaat. Zij kunnen worden aangeduid als "hoofd van een consulaire post", d.w.z. de persoon die is aangewezen om in die hoedanigheid op te treden. Zij bezitten de eigenlijke consulaire rang.
Nummer 3/30
De leden van consulaire posten worden in vier klassen ingedeeld, namelijk :
- consuls-generaal;
- consuls;
-vice-consuls en proconsuls;
- consulaire agenten en consulaatsattachés.
4. Inwonende gezinsleden
Nummer 3/31
De echtgenoot alsmede de kinderen die deel uitmaken van het gezin van een diplomatieke ambtenaar of consulaire beroepsambtenaar worden eveneens met rijksinwoners gelijkgesteld en zijn dus aan de PB onderworpen.
B. PERSONEELSLEDEN VAN BELGISCHE DIPLOMATIEKE ZENDINGEN EN CONSULAIRE POSTEN EN PARTICULIERE BEDIENDEN VAN BELGISCHE DIPLOMATIEKE AMBTENAREN OF CONSULAIRE BEROEPSAMBTENAREN
1. Algemeen
Nummer 3/32
Art. 3, § 1, 3°, WIB 92, kent de hoedanigheid van rijksinwoner eveneens toe aan de andere leden van Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland, alsmede aan hun inwonende gezinsleden. De consulaire ere-ambtenaren zijn evenwel uitdrukkelijk uitgesloten.
2. Bedoelde personen
Nummer 3/33
Ter zake betreft het :
- de leden van het administratief en technisch personeel van diplomatieke zendingen of consulaire posten (met name de personeelsleden van zendingen of van daarmee gelijkgestelde vertegenwoordigingen en van consulaire posten, die werkzaam zijn bij de administratieve of technische dienst van de zending of post en die niet het diplomatiek statuut of een consulaire rang bezitten);
- de leden van het bedienend personeel van diplomatieke zendingen of van consulaire posten (dit zijn de personeelsleden van zendingen of van daarmee gelijkgestelde vertegenwoordigingen en van consulaire posten, die werkzaam zijn bij de huishoudelijke dienst van de zending of de post, zoals keukenpersoneel, dienstboden, chauffeurs, enz.);
- de particuliere bedienden en de leden van het particulier personeel die niet in dienst staan van de Belgische Staat (dit zijn personen die uitsluitend in de huishoudelijke of particuliere dienst van een diplomatieke ambtenaar of een ander personeelslid van een diplomatieke zending of van een consulaire beroepsambtenaar of een ander personeelslid van een consulaire post werkzaam zijn, zoals keukenpersoneel, dienstboden, chauffeurs, enz.).
3. Inwonende gezinsleden
Nummer 3/34
De echtgenoot, alsmede de kinderen die deel uitmaken van het gezin van de in 3/33 bedoelde personeelsleden worden eveneens met rijksinwoners gelijkgesteld.
4. Consulaire ere-ambtenaren
Nummer 3/35
De consulaire ere-ambtenaren zijn uitdrukkelijk uitgesloten uit de categorie van de met rijksinwoners gelijkgestelde personen (art. 3, § 1, 3°, in fine, WIB 92).
Consulaire honoraire of ere-ambtenaren die een consulaire post leiden hebben, in tegenstelling met de beroepsambtenaren, over het algemeen wel een andere beroepsactiviteit. Zij zijn gewoonlijk invloedrijke personen, die de nationaliteit bezitten van de verblijfstaat en meestal aldaar ook woonachtig zijn.
Nummer 3/36
Om uit te maken of een in het buitenland erkende ere-consul al dan niet aan de PB onderworpen is, moet worden nagegaan of hij in de zin van art. 3, § 1, 1°, WIB 92 (zie 3/3) in België zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin heeft behouden. In bevestigend geval is die belastingplichtige onderworpen aan de PB en, in ontkennend geval, aan de BNI/nat.pers.
C. ANDERE BELGISCHE OPENBARE AMBTENAREN ZONDER DIPLOMATIEK OF CONSULAIR STATUUT
1. Algemeen
Nummer 3/37
Krachtens art. 3, § 1, 4°, WIB 92, worden sommige ambtenaren (andere dan de in 3/24, 3/29 en 3/33 bedoelde personen), die optreden als vertegenwoordigers en afgevaardigden van de Belgische Staat, van de gemeenschappen, gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten of van een Belgisch publiekrechtelijk lichaam in het buitenland met rijksinwoners gelijkgesteld en dus aan de PB onderworpen. Hun officiële bezoldigingen zijn dus in de verblijfstaat vrijgesteld van alle belastingen.
2. Bedoelde personen
Nummer 3/38
Ter zake worden onder meer bedoeld de Belgische openbare ambtenaren die tijdelijk in het buitenland verblijven met een welbepaalde opdracht, waarmede ze zijn belast buiten de diplomatieke zendingen of consulaire posten om. Zij zijn in dienst van de Staat of van de gemeenschappen, gewesten, provincies enz. of van in het buitenland gevestigde Belgische publiekrechtelijke lichamen (scholen, culturele instellingen, enz.).
3. Voorwaarden
Nummer 3/39
De kwalificatie als rijksinwoner en de onderwerping aan de PB geldt slechts :
- indien de betrokkenen de Belgische nationaliteit bezitten;
- indien zij hun werkzaamheden buitenslands uitoefenen in een land waar zij niet duurzaam verblijf houden (m.a.w. indien zij geen "permanent inwoner" zijn van de verblijfstaat).
Op het stuk van belastingen op het inkomen wordt als "permanent inwoner" aangemerkt, de persoon die op het ogenblik van zijn indiensttreding in de verblijfstaat uit fiscaal oogpunt als inwoner van die staat moet worden beschouwd. Het betreft meestal personen die hun fiscale woonplaats om welke reden ook in de verblijfstaat hadden (bv. omdat zij er werden geboren, of er reeds een beroepswerkzaamheid uitoefenden) vóór hun indiensttreding.
De tijd die zij in de verblijfstaat hebben vertoefd om een betrekking bij een internationale organisatie in die staat uit te oefenen, wordt echter niet in aanmerking genomen, voor zover zij uit hoofde van de uitoefening van die dienstbetrekking de "exceptie van fiscale woonplaats" genoten.
Nummer 3/40
De kwalificatie als rijksinwoner van de in art. 3, § 1, 2° tot 4°, WIB 92, bedoelde personen zou kunnen leiden tot een conflictsituatie, indien die personen door de verblijfstaat eveneens als inwoner worden aangemerkt overeenkomstig het intern recht of op grond van een verdrag.
Die conflictsituatie kan zich inzonderheid voordoen wanneer de betrokkenen onderdaan zijn van of duurzaam verblijf houden in (permanent inwoner zijn van) de verblijfstaat of wanneer zij aldaar een winstgevende activiteit uitoefenen.
Wanneer de bedoelde personen de hoedanigheid van rijksinwoner betwisten, moet het dossier, met een beknopt verslag, rechtstreeks aan het Hoofdbestuur (dir. I/3 A) worden voorgelegd.
V. WETTELIJK VERMOEDEN VAN RIJKSINWONERSCHAP
Nummer 3/41
Art. 3, § 2, eerste lid, WIB 92, bepaalt dat de vestiging van de woonplaats of van de zetel van het fortuin in België naar de omstandigheden wordt beoordeeld, d.w.z. dat rekening moet worden gehouden met het geheel van feiten en omstandigheden die de aanwezigheid van een natuurlijke persoon in België kenmerken of waaruit kan worden afgeleid dat hij de zetel van zijn fortuin in België heeft (zie 3/3 en 3/12 tot 15).
Nummer 3/42
Die toestand wordt aangetoond door feitelijke vaststellingen, maar de desbetreffende gegevens ontgaan de administratie vaak, omdat ze niet tot het fiscale domein behoren. Om deze moeilijkheid gedeeltelijk te ondervangen, voert art. 3, § 2, eerste lid, in fine, WIB 92 een wettelijk vermoeden in waardoor allen die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven, behoudens tegenbewijs, als rijksinwoners worden aangemerkt.
Nummer 3/43
In het Rijksregister van de natuurlijke personen komen voor (zie art. 2, W 8.8.1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen zoals gewijzigd door art. 8, W 24.5.1994 tot oprichting van wachtregister voor vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling te worden erkend - Wetboek, Bijzondere Wetten, bijlage R) :
1° de personen die ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters of in de vreemdelingenregisters van de gemeenten;
2° de personen die ingeschreven zijn in de registers van de diplomatieke zendingen en de consulaire posten in het buitenland;
3° de personen die ingeschreven zijn in het wachtregister bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Wat betreft de inschrijving in de bevolkingsregisters, in de vreemdelingenregisters, of in het wachtregister wordt inzonderheid gewezen op de hierna vermelde bepalingen die zijn opgenomen in de W 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de W 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (BS 3.9.1991) zoals gewijzigd door de W 24.5.1994 tot oprichting van een wachtregister voor vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling te worden erkend (BS 21.7.1994) en in het KB van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (BS 15.8.1992) :
- in elke gemeente worden gehouden :
- bevolkingsregisters waarin ingeschreven worden op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn, de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen of er te verblijven, met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in het wachtregister;
- een wachtregister waarin worden ingeschreven op de plaats waar zij hun hoofverblijfplaats gevestigd hebben, de vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling te worden erkend en die niet in een andere hoedanigheid in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven (art. 1, W 19.7.1991, zoals vervangen door art. 1, W 24.5.1994);
- de hoofdverblijfplaats is de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft (art. 3, eerste lid, W 19.7.1991);
- de verandering van hoofdverblijf van de Belg, de vestiging of de verandering van hoofdverblijf van de vreemdeling in België worden vastgesteld door een aangifte die is gedaan in de vorm en binnen de termijnen voorgeschreven door de Koning, en overeenkomstig de gemeentelijke verordeningen die ter zake zijn vastgesteld (art. 5, W 19.7.1991);
- de bepaling van de hoofdverblijfplaats is gebaseerd op een feitelijke situatie, dat wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar.
Deze vaststelling gebeurt op basis van verschillende elementen, met name de plaats waarheen de betrokkene gaat na zijn beroepsbezigheden, de plaats waar de kinderen naar school gaan, de arbeidsplaats, het energieverbruik en de telefoonkosten, het gewone verblijf van de echtgenoot of van andere leden van het huishouden (art. 16, § 1, KB 16.7.1992);
- zo volstaat het ook niet dat iemand enkel de bedoeling uit om zijn verblijfplaats op een gegeven plaats te vestigen om voor het betrokken gemeentebestuur de inschrijving als hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen (art. 16, § 3, KB 16.7.1992);
- de hoofdverblijfplaats wordt niet gewijzigd door een tijdelijke afwezigheid (art. 17, KB 16.7.1992).
Nummer 3/44
Ingeval van twijfel nopens de hoedanigheid van een belastingplichtige (rijksinwoner of niet-rijksinwoner), moet worden nagegaan of de betrokkene in het Rijksregister van de natuurlijke personen is ingeschreven en moeten ter zake alle nodige inlichtingen (o.m. bij de gemeente) worden ingewonnen.
Nummer 3/45
Wanneer een persoon die in het Rijksregister van de natuurlijke personen is ingeschreven, betwist rijksinwoner te zijn, moet hij aan de administratie de gegevens doen kennen waarop hij zijn standpunt steunt. In feite moet hijzelf de individuele feitelijke omstandigheden mededelen die het tegenbewijs van het ingestelde wettelijk vermoeden leveren en hij dus in België noch zijn werkelijke woonplaats, noch de zetel van zijn fortuin heeft gevestigd.
Nummer 3/46
Wat de buitenlandse kaderleden betreft, gelden de richtlijnen opgenomen in 227/4 tot 20.
Nummer 3/47
Het wettelijk vermoeden, voortvloeiend uit de inschrijving in het Rijksregister van de natuurlijke personen mag evenwel niet worden ingeroepen voor de met niet-rijksinwoners gelijkgestelde personen als bedoeld in art. 4, WIB 92 en de internationale ambtenaren die zich uitsluitend wegens de uitoefening van hun ambt in België gevestigd hebben (zie 4/17 en volgende).
A. PERSONEN DIE HUN BEROEPSWERKZAAMHEID IN HET BUITENLAND UITOEFENEN
1. Algemeen
Nummer 3/48
In het algemeen betekent het loutere feit dat een rijksinwoner naar het buitenland vertrekt om er een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, niet ipso facto dat hij daardoor de hoedanigheid van rijksinwoner verliest.
Nummer 3/49
Bij de beoordeling van de hoedanigheid van de belanghebbenden (rijksinwoners of niet-rijksinwoners) moet worden gesteund :
- in de eerste plaats op hun eventuele inschrijving in het Rijksregister van de natuurlijke personen (art. 3, § 2, eerste lid, WIB 92 - zie 3/41 tot 45);
- en, indien zij niet (meer) in het Rijksregister ingeschreven zijn, op de algemene beginselen inzake de vaststelling van de hoedanigheid van rijksinwoner of niet-rijksinwoner (gebaseerd op de plaats waar zij hun belastingwoonplaats of de zetel van hun fortuin gevestigd hebben - art. 3, § 1, 1° en § 2, tweede lid, WIB 92 - zie 2/3).
2. Inschrijving in het Rijksregister van de natuurlijke personen
Nummer 3/50
Wanneer de beoogde belastingplichtigen bij hun vertrek naar het buitenland ingeschreven blijven in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister van de Belgische gemeente waar zij vóór hun vertrek verbleven, of zich laten inschrijven in het register van de Belgische diplomatieke zending of consulaire post in het buitenland, mogen zij in principe verder als rijksinwoner worden aangemerkt.
Nummer 3/51
Ter zake wordt de aandacht gevestigd op de art. 17 en 18 van het KB 16.7.1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (BS 15.8.1992) :
Art. 17. - De hoofdverblijfplaats wordt niet gewijzigd door een tijdelijke afwezigheid.
Art. 18. - Worden beschouwd als tijdelijk afwezig, evenals, in voorkomend geval, de leden van hun gezin :
1° ...
2° personen die minder dan een jaar afwezig zijn voor studie- of zakenreizen of reizen in verband met hun gezondheid of voor toerisme of een vakantieverblijf buiten de gemeente van inschrijving;
3° personen die omwille van beroepsredenen gedurende maximum een jaar een bepaald werk of een bepaalde opdracht uitvoeren in een andere gemeente van het Rijk of in het buitenland;
4° tot 7° ...
8° Belgische diplomatieke ambtenaren, leden van het administratieve en technische personeel van de Belgische diplomatieke missies, Belgische consulaire ambtenaren en consulaire beroepswerknemers;
9° leden van het personeel van de coöperatie bedoeld in het Koninklijk Besluit van 10 april 1967 houdende het statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden en personen die op coöperatieopdracht gestuurd worden door verenigingen die erkend zijn door het Algemeen Bestuur voor Ontwikkelingssamenwerking voor de duur van hun coöperatieopdracht.
De als tijdelijk afwezig beschouwde personen, alsook eventueel de leden van hun gezin, blijven ingeschreven in de gemeente waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben. Het gemeentebestuur moet zich ervan vergewissen dat zij over een reëel adres in de gemeente beschikken (adres van de hoofverblijfplaats van het gezin waartoe zij behoren, adres van de onbewoonde woning voor zover er maatregelen getroffen zijn zodat alle administratieve stukken hen doorgezonden worden, referentieadres). De inschrijving bij het gemeentebestuur is verboden.
Nummer 3/52
Belgische onderdanen die in het buitenland verblijven kunnen zich laten inschrijven (immatriculeren) bij de Belgische diplomatieke zending of consulaire post van het rechtsgebied waarin zij verblijven (de immatriculatie is dus facultatief).
Die immatriculatie is slechts mogelijk wanneer de betrokkenen niet meer in de bevolkingsregisters van een Belgische gemeente zijn ingeschreven. Sommige Belgen die gewoonlijk en werkelijk in het buitenland verblijven, blijven echter ingeschreven in de bevolkingsregisters van de Belgische gemeente waar ze vóór hun vertrek naar het buitenland werkelijk verbleven en komen niet in aanmerking voor immatriculatie.
Nummer 3/53
In de praktijk mag de taxatieambtenaar zonder verder onderzoek aannemen dat de in 3/48 bedoelde belastingplichtigen de hoedanigheid van rijksinwoner hebben behouden wanneer zij ingeschreven blijven in het bevolkingsregister (of in het vreemdelingenregister) van de gemeente waar zij vóór hun vertrek naar het buitenland hun gewone verblijfplaats hadden.
Nummer 3/54
Dezelfde regel geldt wanneer zij ingeschreven zijn in het register van een Belgische diplomatieke zending of consulaire post in het land waar zij tewerkgesteld zijn (in het buitenland geïmmatriculeerde Belgen). In dit laatste geval worden de aanslagen gevestigd in de gemeente waar zij vóór hun vertrek naar het buitenland hun gewone verblijfplaats hadden.
3. Tegenbewijs
Nummer 3/55
Wanneer de beoogde personen, die in het Rijksregister van de natuurlijke personen zijn ingeschreven, betwisten dat zij de hoedanigheid van rijksinwoner hebben, moeten zij het wettelijk vereiste tegenbewijs daarvan leveren, door aan te tonen dat zij hun werkelijke woonplaats of zetel van fortuin niet in België hebben. Dit bewijs moet inzonderheid blijken uit de feitelijke omstandigheden die het verblijf in het buitenland kenmerken.
4. Personen die niet opgenomen zijn in het Rijksregister
a) Principe
Nummer 3/56
Het feit dat een belastingplichtige die een werkzaamheid in het buitenland gaat uitoefenen, zich uit de bevolkingsregisters laat schrappen of ambtshalve wordt afgevoerd, is op zichzelf nog geen bewijs dat hij de hoedanigheid van rijksinwoner heeft verloren.
Voor de beoogde personen die geschrapt zijn of ambtshalve afgevoerd zijn uit het bevolkingsregister van de gemeente waar zij vóór hun vertrek woonden en die tevens niet geïmmatriculeerd zijn bij een Belgische diplomatieke zending of consulaire post moet de hoedanigheid van rijksinwoner of van niet-rijksinwoner worden vastgesteld aan de hand van de algemene regels van belastbaarheid in de PB of in de BNI/nat.pers., m.a.w. op basis van de vraag of hun "belastingwoonplaats" of hun "zetel van fortuin" al dan niet in België gevestigd is.
Nummer 3/57
De in 3/3 vermelde algemene beginselen betreffende de vaststelling van de fiscale woonplaats of de zetel van fortuin in België, moeten in de praktijk worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden, waaruit moet blijken of een belastingplichtige al dan niet het inzicht heeft gehad zijn woonplaats (domicilie, bestendige vestiging) naar het buitenland over te brengen (zie 3/12 tot 15.14).
Uit die feitelijke omstandigheden zal dan moeten worden afgeleid of de belastingplichtige, niettegenstaande het feitelijk (lijfelijk) verblijf in het buitenland, nog wezenlijke persoonlijke, familiale, economische en patrimoniale banden met België heeft behouden die moeten toelaten te besluiten dat de betrokkene de hoedanigheid van rijksinwoner heeft behouden.
Nummer 3/58
Ter zake zullen de verschillende criteria van het rijksinwonerschap tegen elkaar moeten worden afgewogen, met name :
- het duurzaam (bestendig, standvastig, langdurig, gewoon) verblijf;
- het centrum van het gezinsleven (gezinswoonst, domus, haardstede) en van de (sociale, culturele, politieke) betrekkingen met de medemensen;
- het centrum van de economische, materiële of patrimoniale belangen;
- de plaats van waaruit het vermogen wordt beheerd.
Nummer 3/59
Het verblijf in het buitenland om beroepsredenen kan op zichzelf een voldoende feitelijk vermoeden van niet-rijksinwonerschap zijn, indien de persoonlijke bindingen met België niet meer aanwezig zijn of indien de verbreking van de domus-banden met België volledig en definitief is.
Nummer 3/60
Indien de belastingplichtige echter nog persoonlijke, familiale en andere vitale betrekkingen met België behoudt, moet daaraan meer belang worden gehecht dan aan het lijfelijk verblijf in het buitenland, zeker als dit verblijf van beperkte duur is.
Nummer 3/61
De vaststelling van de hoedanigheid van rijksinwoner of van niet-rijksinwoner zal in de praktijk dan ook in belangrijke mate verschillen naargelang de belastingplichtige ofwel zijn gezin achterlaat in België, ofwel zijn gezin meeneemt naar het buitenland (of geen gezin heeft).
Art. 3, § 2, tweede lid, WIB 92, bepaalt trouwens dat voor echtgenoten (gehuwden die zich niet in één van de in art. 128, eerste lid, WIB 92, bedoelde gevallen bevinden), de belastingwoonplaats de plaats is waar het gezin is gevestigd (zie 3/15.1 tot 15.14).
b) Geen gezin in België
Nummer 3/62
De beoordeling van de hoedanigheid van rijksinwoner of van niet-rijksinwoner van een belastingplichtige die naar het buitenland vertrekt om er een beroepswerkzaamheid uit te oefenen en die zijn gezin meeneemt (of die geen gezin heeft), moet gebeuren aan de hand van de feitelijke omstandigheden, waarbij vooral de duurzaamheid (standvastigheid) van het verblijf en van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid in het buitenland van doorslaggevende aard zal zijn.
Nummer 3/63
Een tijdelijk verblijf in het buitenland kan niet als een bestendige vestiging aldaar worden aangezien. Ter zake zal rekening moeten worden gehouden met de omstandigheden die het verblijf in het buitenland kenmerken (onbepaalde of beperkte duur van het verblijf, duur van de arbeidsovereenkomst, aard van het werk, woonplaats van de werkgever, enz.).
Nummer 3/64
Algemeen mag een belastingplichtige die geen gezin heeft of zijn gezin naar het buitenland meeneemt vanaf het vertrek naar het buitenland als niet-rijksinwoner worden beschouwd, indien de plaats van tewerkstelling dermate vast is dat zij de keuze van een werkelijke, wezenlijke en blijvende woonplaats aldaar mogelijk maakt.
Nummer 3/65
Ingeval van twijfel moet als voornaamste criterium de werkelijke woonplaats (van het gezin) in aanmerking worden genomen, eerder dan de vaak moeilijk te "lokaliseren" zetel van het fortuin.
Nummer 3/66
Opdat de voorwaarde van bestendigheid van de woonplaats (van het gezin) in het buitenland vervuld zou zijn, moet een termijn van 24 maanden verblijf op een vaste plaats in het buitenland als minimum worden vooropgesteld.
Nummer 3/67
Indien het vast verblijf in het buitenland geen 24 maanden bedraagt of indien het geen vast verblijf op één bepaalde plaats, maar wel opeenvolgende verblijven in verschillende landen betreft, moet worden aangenomen dat in die gevallen de bestendigheid van woonplaats in het buitenland niet aanwezig is.
Nummer 3/68
Aldus is gevonnist :
- een ingenieur die voor 10 maanden door zijn werkgever naar het buitenland wordt gezonden om er zijn opleiding te voltooien zonder dat zijn bediendencontract wordt verbroken, heeft de hoedanigheid van niet- rijksinwoner niet verworven en zijn fiscale woonplaats is in België gebleven, omdat zijn hoofdzakelijk tijdelijk verblijf in het buitenland niet kan worden beschouwd als een bestendige vestiging en de zetel van zijn zaken in België gevestigd is gebleven (Luik, 2.5.1972, Van De Berg, J.J., Bull. 511, blz. 2075);
- een belastingplichtige die door zijn Belgische werkgever wordt belast met ontwikkelingsstudies in de Derde Wereld en die aldaar zendingen vervult voor rekening van die werkgever, maar die in België eigenaar is van een appartement dat te zijner beschikking is bij zijn terugkeer van de zendingen en dat hij daadwerkelijk heeft betrokken, heeft, hoewel hij geschrapt is uit de bevolkingsregisters, nooit het inzicht uitgedrukt om zijn woonplaats en de zetel van zijn fortuin naar het buitenland over te brengen en heeft in België het centrum van zijn zaken en zijn woonplaats behouden en is derhalve rijksinwoner (Brussel, 21.10.1976, Journal de Droit Fiscal, 1977, blz. 260);
- een belastingplichtige die op verschillende werven in verschillende landen heeft gewerkt, die tijdens de perioden van arbeidsonderbreking of vakantie naar België is teruggekeerd, die in België werkloosheidsuitkeringen heeft ontvangen, die een nieuwe wagen in gebruik heeft genomen, die een telefoonaansluiting heeft, enz. heeft zijn fiscale woonplaats, evenals de zetel van zijn fortuin in België behouden; uit het geheel van de elementen blijkt dat de betrokkene nooit de wil uitgedrukt heeft op volledige en definitieve wijze zijn gezinsleven of zijn belangrijkste zetel van zaken naar het buitenland te verplaatsen (Luik, 13.3.1985, L.F., Fiscale Jurisprudentie, 85/130);
- de belastingplichtige die met "hebben en houden" naar T. vertrekt, d.w.z. wanneer zijn echtgenote hem vergezelt, wanneer hij zijn personenwagen uitvoert, 1020 kg verhuisgoederen laat overbrengen, een logementsvergoeding krijgt, een bankrekening en een verblijfsvergunning in T. heeft, kan niet als rijksinwoner van België worden beschouwd (Antwerpen, 18.12.1984 en 26.2.1985, Algemeen Fiscaal Tijdschrift, juni 1985, blz. 140 en 142);
- uit het geheel van de feiten (aansluiting bij de DOSZ, sluiting van verschillende verzekeringscontracten bij Belgische ondernemingen, behoud van een rekening bij een Belgische vennootschap, arbeidsovereenkomst die in een terugkeer naar België voorziet) blijkt dat de belastingplichtige - alhoewel verblijvend in Tsjaad (11 maanden) en Nigeria (9 maanden) - zijn banden en belangen behouden heeft in België, dat het centrum van zijn persoonlijk en financieel leven is gebleken (Luik, 18.1.1995, F.D., Fiscale Jurisprudentie, 95/149).
c) Gezin in België
Algemeen
Nummer 3/69
De gehuwde belastingplichtige (die fiscaal niet als een alleenstaande wordt aangemerkt - zie 3/15.1 tot 15.14) die naar het buitenland vertrekt om er (tijdelijk) een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, terwijl zijn echtgenoot - en zijn kinderen - verder in België blijven wonen en die regelmatig naar de gezinswoning terugkeert (bv. voor vakantie) behoudt in de regel de hoedanigheid van rijksinwoner tijdens zijn verblijf in het buitenland.
Nummer 3/70
Die regel is gegrondvest op twee fundamentele overwegingen :
1° de belastingwoonplaats wordt noodzakelijkerwijs bepaald door de plaats waar het gezin gevestigd is;
2° het verblijf in het buitenland uitsluitend wegens beroepsredenen is meestal slechts van een beperkte duur en geeft normaliter geen aanleiding tot een bestendige vestiging in het buitenland.
Gezinsvestiging in België
Nummer 3/71
De plaats waar het gezin gevestigd is (domus, haardstede, centrum van het gezinsleven of van de huishoudelijke belangen) is een wezenlijk bestanddeel voor de vaststelling van de fiscale woonplaats.
De fiscale woonplaats, die een bijzondere en feitelijke woonplaats is welke van de omstandigheden afhangt, wordt immers bepaald door het feit van de woning en meer in het bijzonder van de woning waar het gezin gevestigd is.
Nummer 3/72
Er is gevonnist :
- in tegenstelling met het begrip "burgerlijk domicilie", moet het fiscale domicilie worden bepaald door het feit van de woning en meer in het bijzonder van de woning waar het gezin verblijft (Luik, 28.2.1956, Colon-Musique O., Bull. 323, blz. 145; Bergen na Cassatie, 14.3.1984, Gueye A., Fiscale Jurisprudentie, 84/189);
- wanneer een belastingplichtige op 1 januari van het dienstjaar met gans zijn gezin in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente is ingeschreven, maar voor ongeveer zes maanden alleen naar Zaïre is teruggekeerd - zijnde de tijd die nodig is om zijn zaken in gunstige omstandigheden te vereffenen - kan dit tijdelijk verblijf in Zaïre niet als een bestendige vestiging in dit land worden aangezien (Brussel, 18.6.1965, Van de Putte, P., Bull. 430, blz. 696);
- een piloot van Sabena die in Zaïre heeft verbleven voor de duur van een technische zending die per definitie tijdelijk is (in casu 30 maanden), heeft in Zaïre geen bestendige vestiging doch enkel een tijdelijk verblijf; de ontstentenis van vestiging in Zaïre komt verder naar voren uit het feit dat zijn echtgenote en zijn kind voort verbleven in de gemeenschappelijke woning in België. Daarbij heeft hij geen bewijs geleverd dat hij, in het kader van een bestendige vestiging in Zaïre, het centrum van zijn huishoudelijke banden en van zijn materiële belangen naar dit land overbracht zodat men voor de manifestatie van een wilsuitdrukking stond waaruit de bedoeling bleek een nieuw centrum op huishoudelijk vlak alsmede op professioneel vlak te scheppen met verlating van het centrum van huishoudelijke banden en materiële belangen dat in België bestond. (Rechtb. Brussel, 4e Kamer, 20.2.1979, L., Rechtskundig Weekblad 1979-1980, blz.1507);
- de fiscale woonplaats wordt vooral bepaald door de plaats van het werkelijk wonen en inzonderheid door de woning waar het gezin gevestigd is; de belastingplichtige die beweert niet-rijksinwoner te zijn en geen beroepsbezigheden in België te hebben gehad, maar die in België over een woning is blijven beschikken, waar zijn echtgenote en kinderen verblijven en ingeschreven zijn, die niet gescheiden is van zijn in België ingeschreven echtgenote, die in België werd aangetroffen met grote partijen diamant, die lid is van 3 diamantbeurzen in Antwerpen, heeft zijn werkelijke verblijfplaats in België en is terecht als rijksinwoner belast (Antwerpen, 18.2.1982, S.S., Fiscale Jurisprudentie, 82/71);
- is geen rijksinwoner, de belastingplichtige die van Franse nationaliteit is, in de streek van Nord-Pas de Calais heeft gewerkt voor een onderneming waarvan de maatschappelijke zetel in Rijsel is gevestigd, wiens echtgenote in Rijsel de beroepswerkzaamheid van kapster uitoefende in een gebouw waarin het gezin over een appartement beschikte, die genoot van het geheel aan dekking toegekend door het Franse sociaal zekerheidsstelsel, die in Frankrijk belastingen heeft betaald op de beroepsinkomsten, wiens kind ingeschreven was in een Franse school en er regelmatig de lessen volgde; de enkele reden dat de belastingplichtige beschikt over een verblijf in België en dat hij een wagen bezit die ingeschreven is in dit land, brengt niet mee dat hij Belgisch rijksinwoner is (Bergen, 17.1.1985, Algemeen Fiscaal Tijdschrift, juni 1985, blz. 143);
- een monteur-lasser heeft in 1978 regelmatig in het buitenland verbleven (8 maanden en 8 dagen in Zaïre en 2 maanden in Algerije) terwijl zijn vrouw en kinderen in België woonden, hoewel hijzelf geschrapt was uit het bevolkingsregister. Het loutere behoud van een verblijf in België volstaat niet om de hoedanigheid van rijksinwoner te behouden; evenwel heeft het verblijf van de belastingplichtige in Zaïre gedurende 8 maanden en 8 dagen wegens beroepsredenen niet meegebracht dat het centrum van zijn familiale en patrimoniale belangen verplaatst is. Het latere verblijf in Algerije bevestigt dat hij niet zijn werkelijke en blijvende woonplaats in Zaïre gevestigd heeft, waaruit hij slechts afwezig was voor zaken- of vakantiereizen van een normale duur. Het statuut van de betrokken belastingplichtige bepaalt het belastingstelsel dat op zijn echtgenote van toepassing is (Luik, 21.5.1986, Lacroix M., niet-gepubliceerd);
- de belastingplichtige die in 1980 en 1981 in Algerije gewerkt heeft voor rekening van een Belgische vennootschap die zijn bezoldigingen op een Belgische bankrekening heeft gestort, die naar België terugkeerde voor vakantie bij zijn gezin dat het onroerend goed betrok dat hij in 1974 samen met zijn echtgenote heeft aangekocht is slechts tijdelijk verwijderd van zijn haardstede die evenwel niet opgeheven is, temeer daar er geen enkele juridische actie tussen de echtgenoten was ingesteld en hij zijn correspondentie liet toesturen naar het adres van zijn echtgenote die geen andere bestaansmiddelen had dan de in Algerije verdiende bezoldigingen (Luik, 18.6.1986, Pontseel J., Fiscale Jurisprudentie, 87/94);
- de belastingplichtige die tijdelijk is aangesteld bij de rechtsfaculteit te Ouagadougou (Burkina Faso), maar die in België een woonplaats behoudt gekenmerkt door een zekere bestendigheid en continuteit, waar zijn gezin verblijft en waar hij zou kunnen terugkeren en zijn fortuin beheren, behoudt de hoedanigheid van rijksinwoner (Brussel, 21.3.1989, de Burlet J., Fiscale Jurisprudentie 89/167, bevestigd door Cass., 15.11.1990, Fiscale Jurisprudentie, 91/31);
- tot eind 1982 verbleef de belastingplichtige met zijn echtgenote en kind in de Verenigde Arabische Emiraten waar hij werkte voor een lokale onderneming; in 1983 werd hij aangeworven door een Belgische vennootschap als onafhankelijk vertegenwoordiger; zijn echtgenote vestigde zich in maart 1983 officieel en effectief in België, terwijl de belastingplichtige zich niet inschreef in België en in hotels in Abou Dhabi verbleef. Een geheel van overeenstemmende feiten (de betrokkene verbleef in 1983 slechts enkele perioden van 15 dagen in de Verenigde Arabische Emiraten; al zijn reizen hebben Brussel als vertrekpunt en punt van terugkeer; hij heeft in België beroepswerkzaamheden verricht voor zijn Belgische werkgever; het grootste deel van zijn bezoldigingen wordt in België betaald) toont aan dat de belastingplichtige het centrum van zijn belangen en zetel van zijn fortuin en derhalve zijn fiscale woonplaats in België heeft vanaf het ogenblik dat hij werd aangeworven door de door zijn vader gecontroleerde vennootschap, wat duidelijk de arbeids- en leefomstandigheden van de betrokkene heeft gewijzigd (Brussel, 26.6.1992, Rochez Jean, niet gepubliceerd);
- de belastingplichtige die van 1.4.1986 tot 11.2.1988 regelmatig in Libië werkzaam was en er samen met zijn echtgenote verbleef, kan geen aanspraak maken op de hoedanigheid van niet-rijksinwoner vermits hij de beschikking behield over een gehuurde woning in België waar hij - hoewel niet ingeschreven in het bevolkingsregister - regelmatig zijn vakanties doorbracht en waar zijn twee kinderen verbleven. Het blijkt niet dat de banden die de belastingplichtige met Libië had zodanig waren dat kan worden geoordeeld dat hij daar zijn fiscale woonplaats heeft, gelet op het feit dat hij niet aantoont dat hij aldaar de permanente beschikking heeft over een woonplaats (Bergen, 17.2.1995, Y.R., Fiscale Jurisprudentie, 96/3);
- niettegenstaande het feit dat de belastingplichtige reeds 22 jaar in Algerije werkte in dienst van een Duitse onderneming heeft hij er niet zijn zetel van fortuin en moet hij, gelet op de volgende elementen, als rijksinwoner worden aangemerkt :
- de betrokkene is samen met zijn echtgenote eigenaar van een woning in Eupen die zij in 1981 aangekocht hebben;
- de betrokkene werd door zijn werkgever betaald in DM en zijn loon werd gestort op een rekening in Aken waarop zijn in Eupen gedomicilieerde echtgenoot volmacht had;
- de beroepsinkomsten van de man zijn noch in Algerije, noch in Duitsland belast en vormen de voornaamste bron van inkomsten van het echtpaar;
- in 1985 en in 1990 werd in België een wagen geïmmatriculeerd op naam van de betrokkene;
- de man verbleef regelmatig in Eupen en was er tot 1990 in het bevolkingsregister ingeschreven (Luik, 21.9.1995, Christmann Joseph, niet gepubliceerd).
Nummer 3/73
...
Nummer 3/74
...
Nummer 3/75
...
Nummer 3/76
...
Nummer 3/77
...
Nummer 3/78
...
Tijdelijk verblijf in het buitenland
Nummer 3/79
In de regel mag het feitelijk (lijfelijk) verblijf in het buitenland van één van de echtgenoten omwille van beroepsredenen, terwijl de andere echtgenoot (en de kinderen) in België blijven wonen, niet worden aangemerkt als een bestendige (standvastige, duurzame, langdurige) vestiging in het buitenland.
Dat verblijf in het buitenland wegens beroepsredenen is in werkelijkheid slechts een tijdelijk verblijf zonder huisvestend karakter en geeft geen aanleiding tot de vestiging van een werkelijke, wezenlijke en blijvende woonplaats in het buitenland.
Nummer 3/80
Ter zake is het feit dat het centrum van het gezinsleven en van de andere vitale betrekkingen (de plaats waar de belastingplichtige zijn vrouw en zijn kinderen, zijn huisdieren, meubels en wagen heeft, waar hij lid is van verenigingen, enz.) in België gevestigd is, belangrijker dan het loutere verblijf in het buitenland.
Nummer 3/81
De duur van het verblijf en van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid in het buitenland is op zichzelf geen doorslaggevende factor. Het spreekt evenwel vanzelf dat de beperkte duur van het verblijf in het buitenland (b.v. ingevolge een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur) een bijkomend element is om te besluiten dat het niet een duurzame vestiging in het buitenland betreft.
d) Vertrek naar het buitenland dat samengaat met een werkelijke feitelijke scheiding
Nummer 3/82
Wanneer uit de feiten duidelijk blijkt dat het vertrek van één van de echtgenoten naar het buitenland definitief (b.v. bij emigratie) of ten minste van lange duur is en samengaat met een daadwerkelijke feitelijke scheiding van de echtgenoten (die gepaard gaat met een definitieve breuk in het gezinsleven), mag de betrokkene van bij het vertrek als niet-rijksinwoner worden aangemerkt.
De feitelijke scheiding wordt immers geacht te bestaan wanneer de echtgenoten werkelijk en permanent een verschillende woonplaats hebben.
Nummer 3/83
Zoals in het burgerlijk recht (zie J.M. Pauwels : Beginselen van personen- en familierecht - deel 2 : relatierecht, blz. 78) moet onder feitelijke scheiding worden verstaan de toestand van gehuwden die afzonderlijk verblijven zonder gescheiden van tafel en bed te zijn (en waarbij minstens één van de echtgenoten de wil heeft afzonderlijk te leven); afzonderlijk leven is een symptoom van een afgebroken levensgemeenschap.
Nummer 3/84
Er is inzonderheid sprake van een feitelijke scheiding wanneer het samenwonen van de echtgenoten onmogelijk is geworden :
- door de schuld van één van de echtgenoten (verlating van de andere echtgenoot en de kinderen);
- door de gestoorde verstandhouding of de ernstige onenigheid tussen de echtgenoten die leidt tot een breuk in de verhouding.
De feitelijke scheiding gaat dus gepaard met een duurzame ontwrichting van het huwelijk.
Nummer 3/85
De feitelijke scheiding kan een zuivere feitelijke toestand zijn (afzonderlijke woonplaats die duidt op een breuk in de verhouding tussen de echtgenoten) maar kan ook het gevolg zijn van het toestaan of opleggen door de rechter van een afzonderlijke verblijfplaats in het kader van de dringende voorlopige maatregelen, wanneer er geen echtscheidingsprocedure bestaat (art. 223, BW) of van de voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure (art. 1280, Ger.W).
Er wordt herhaald dat het tijdelijk verblijf en de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van één der echtgenoten in het buitenland normaal geen aanleiding geeft tot een feitelijke scheiding, maar slechts een tijdelijke scheiding betreft.
Nummer 3/86
Ter zake is het volgende gevonnist :
- de belastingplichtige die in september 1970 naar Canada is vertrokken om er zijn beroep uit te oefenen na alle nodige formaliteiten te hebben vervuld inzake immigratie en het uitoefenen van de geneeskunde in dat land, die zich ertoe verbonden heeft de Canadese nationaliteit aan te vragen en die in 1975 verkregen heeft, die in Canada woont en dit land slechts bij bepaalde gelegenheden verlaten heeft, die feitelijk gescheiden is van zijn echtgenote die in België is gebleven om er haar beroep uit te oefenen en die in België geen beroepsinkomsten ontvangt, kan niet worden beschouwd als gezinshoofd van een gezin waarvan de zetel in België zou zijn gevestigd (Brussel, 9.1.1979, Rasio E., Algemeen Fiscaal Tijdschrift, maart 1981, blz. 77);
- de belastingplichtige die voortdurend - al is het beroepshalve - in het buitenland verblijft en die een verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend, is geen aan de PB onderworpen rijksinwoner, maar wel een niet-inwoner die aan de BNI is onderworpen, wanneer de aangetoonde uiterlijke tekenen van rijksinwoner (administratieve domiciliëring, ondertekening van huurovereenkomst, verzekeringen, water- en elektriciteitsverbruik, bankrekening, eigendom van een huis te Doornik) kunnen worden weerlegd (ambtshalve afvoering van de bevolkingsregisters, voorzien in de behoeften van vrouw en kind) (Cass., 7.2.1979, Prade G., Bull. 611, blz. 2713);
- uit de neergelegde kopie van het overgeschreven vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Verviers van 13.2.1984 dat de echtscheiding toestond tussen de echtgenoten wegens feitelijke scheiding van meer dan 5 jaar volgt dat de echtgenoten afzonderlijke woonplaatsen hebben sinds 19.4.1977. In deze omstandigheden moeten de echtgenoten onderworpen worden aan een afzonderlijke aanslag voor de aanslagjaren 1979 en 1980, daar de voorwaarden van art. 75, 2°, WIB ( art. 128, 1e lid, 2°, WIB 92)vervuld zijn voor deze aanslagjaren (Luik, 13.3.1985, L.F., Fiscale Jurisprudentie, 85/130).
e) Woonplaats van het gezin in het buitenland
Nummer 3/87
Het feit dat de echtgenoot - en de kinderen - van een belastingplichtige die voortdurend of langdurig in het buitenland een beroepswerkzaamheid uitoefent, tijdelijk in België verblijven mag niet zonder meer tot het besluit leiden dat de belastingwoonplaats van het gezin in België gevestigd is.
Nummer 3/88
Wanneer daarentegen vaststaat dat de belastingplichtige zich werkelijk blijvend (met zijn gezin) in een ander land gevestigd heeft waar hij permanent verblijft en zijn beroepswerkzaamheid uitoefent, maar dat ingevolge bepaalde omstandigheden de echtgenoot en/of de kinderen die hem hebben vergezeld naar België zijn teruggekeerd (b.v. om gezondheids- of studieredenen) of in de onmogelijkheid verkeren zich bij hem te voegen en dat hij niet of slechts sporadisch naar België terugkeert, moet worden aangenomen dat de belastingwoonplaats van het gezin niet in België gevestigd is.
Nummer 3/89
Ter zake is gevonnist :
- indien de rechtsleer en de rechtspraak in het algemeen aannemen dat een Belg die gedurende een bepaalde tijd in het buitenland gaat werken zijn woonplaats in België behoudt en rijksinwoner blijft wanneer hij in België zijn woning en zijn haardstede behoudt en wanneer zijn vrouw en zijn kinderen in België blijven, gaat het alsdan om een verblijf van beperkte duur en een geheel vrijwillige scheiding van de echtgenoten; dit is niet het geval wanneer het een vestiging in het buitenland voor een onbepaalde en erg lange duur betreft en de echtgenote haar man niet heeft kunnen volgen omwille van gezondheidsredenen (Brussel, 28.6.1960, Revue fiscale 1961, blz. 523);
- wanneer een belastingplichtige, die in Zaïre twee koffieplantages uitbaat, zijn echtgenote en zijn minderjarige kinderen naar België teruggestuurd heeft wegens de studies van deze laatsten, en die een attest van inschrijving van bestendig verblijf in Zaïre voorlegt waaruit blijkt dat hij kolonist in Zaïre is, moet worden besloten dat de belastingplichtige in Zaïre zijn woonplaats, het centrum van zijn zaken en de zetel van zijn vermogen heeft behouden, hoewel zijn gezin om opportuniteitsredenen in België gevestigd is (Brussel, 2.3.1966, Revue fiscale 1966, blz. 537);
- de belastingplichtige die in België noch zijn woonplaats noch zijn verblijfplaats heeft is niet belastbaar als rijksinwoner, daar niet bewezen is dat hij in België de zetel van zijn fortuin heeft behouden. Het feit dat een gedeelte van zijn beroepsinkomsten in België wordt betaald gedurende een korte tijdspanne om in het levensonderhoud van zijn echtgenote te voorzien, die hem niet onmiddellijk kan vergezellen wegens gezondheidsredenen, is onvoldoende (Brussel, 17.6.1968, Revue fiscale 1969, blz. 106);
- de belastingplichtige die voortdurend - al is het beroepshalve - in het buitenland verblijft is geen aan de PB onderworpen rijksinwoner, maar wel een niet-inwoner die aan de BNI onderworpen is; de door het bestreden arrest aangevoerde omstandigheden verantwoorden niet rechtens dat de betrokkene, ondanks zijn voortdurend verblijf in het buitenland, toch zijn woonplaats in België zou hebben gehad in de zin van art. 3, WIB 92 (Cass., 9.2.1979, Prade G., Bull. 611, blz. 2713);
- de belastingplichtige die heeft aangetoond dat hij tijdens het lopende belastingjaar wel degelijk in Afrika verbleef en uitsluitend daar zijn beroep uitoefende, heeft zijn feitelijke woonplaats niet in België en is geen rijksinwoner; het appartement dat hij in België heeft gehad, was enkel bestemd voor zijn echtgenote tijdens haar vakantie in België (Cass., 30.6.1983, Schaan R., Fiscale Jurisprudentie 83/189 en Bergen na Cassatie, 13.6.1985, niet gepubliceerd);
- de belastingplichtige heeft het centrum van zijn zakelijke bezigheden in Guineé gevestigd van 1.3.1972 tot 31.5.1975 alwaar hij een belangrijke woning betrok waarin hij zijn gezin had ondergebracht; het feit dat zijn vrouw en zijn kinderen moesten terugkeren naar België ingevolge een zware ziekte, laat niet toe het inzicht van de belastingplichtige te wijzigen om België te verlaten en zich gedurende meerdere jaren in Guineé te vestigen (Bergen, 19.10.1983, Pater G., Fiscale Jurisprudentie 84/2).
Nummer 3/90
...
Nummer 3/91
...
B. BELGISCHE MILITAIREN EN BURGERLIJK PERSONEEL VAN DE BELGISCHE KRIJGSMACHTEN IN DUITSLAND
Nummer 3/92
Krachtens art. X, 1, van het NAVO-Status Verdrag, getekend te Londen op 19 juni 1951 (zie Wetboek, deel V, 4. "Overeenk. org.", Bijlage XXIII, blz. 85), worden de leden van de Belgische krijgsmachten (d.w.z. de militairen) in Duitsland, geacht hun woonplaats niet in dit land te hebben, onder de enige voorwaarde dat zij niet de Duitse nationaliteit bezitten.
Dit geldt eveneens, op grond van hetzelfde art. X, 1, voor de leden van het burgerlijk personeel in dienst bij het Belgische leger die de bovengenoemde krijgsmachten vergezellen, voor zover de betrokkenen noch vaderlandsloos zijn, noch onderdaan van een niet bij de Navo aangesloten Staat, noch Duitser, noch iemand die zijn gewone verblijfplaats in Duitsland heeft (art. I, 1, b, van het voormelde Verdrag). Worden geacht hun gewone verblijfplaats in Duitsland te hebben, de personen die reeds duurzaam in Duitsland verblijf hielden vooraleer zij in dienst traden bij een Belgische krijgsmacht in dat land (uitzondering wordt gemaakt voor de personen die slechts in Duitsland verblijf hielden omdat zij ten laste - zie hierna - waren van een Belgische militair op post in dat land of van een lid van het burgerlijk personeel dat een Belgische krijgsmacht in Duitsland vergezelt.
Overigens breidt de Aanvullende Overeenkomst bij het bovenvermelde Verdrag van Londen, ondertekend te Bonn op 3 augustus 1959 (BS 22.6.1963, blz. 6464), het toepassingsgebied van het voormelde art. X, 1, uit tot enerzijds de "gezinsleden" [D.w.z. de echtgenoot en de kinderen ten laste] van de leden van de Belgische krijgsmachten en van het voormeld burgerlijk personeel dat de krijgsmachten vergezelt (art. 68 van de Overeenkomst) en anderzijds de werknemers (art. 71 van de Overeenkomst) die uitsluitend in dienst zijn van bepaalde niet-Duitse, niet-commerciële organisaties (d.w.z. de "Centrale Militaire Cantine" - CMC - en de "verenigingen voor sport, cultuur en wederzijdse sociale hulpverlening".
Nummer 3/93
Ingevolge die wettelijke fictie worden de betrokken belastingplichtigen - burgers of militairen - geacht "hun werkzaamheden buitenslands uit te oefenen in een land waar zij niet duurzaam verblijf houden".
Eigenlijk behouden zij hun wettelijke woonplaats in België en verblijven zij slechts tijdelijk in het buitenland zolang hun opdracht dit vereist (Brussel, 24.3.1966, Lauwers, Bull. 443, blz. 1414; Brussel, 4.11.1994, Vlaminck A., niet gepubliceerd). Trouwens, hoewel zij feitelijk de gemeente verlaten hebben waar zij vóór hun vertrek hun gewone verblijfplaats hadden, en er niet meer over een haardstede beschikken, worden die personen, alsook eventueel de leden van hun gezin, als tijdelijk afwezig beschouwd en blijven zij ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben. Zij moeten over een reëel adres in de gemeente beschikken (adres van de hoofdverblijfplaats van het gezin waartoe ze behoren, adres van de onbewoonde woning voor zover er maatregelen getroffen zijn zodat alle administratieve stukken hen doorgezonden worden, referentieadres).
Nummer 3/94
In de grote meerderheid van de gevallen worden de betrokkenen dus beschouwd als rijksinwoners die overeenkomstig art. 3, § 1, 4°, WIB 92, aan de PB zijn onderworpen.
Nummer 3/95
Wanneer de echtgenoot (die geen beroepsmilitair is of die niet tot het burgerlijk personeel behoort) een eigen werkzaamheid in Duitsland uitoefent en uitgaande van dezelfde bepalingen dus niet als "gezinslid"
[In de zin van de in 3/92 aangehaalde Aanvullende Overeenkomst van 3 augustus 1959] van de militair of van het lid van het burgerlijk personeel kan worden aangemerkt, moet de vraag of hij al dan niet als rijksinwoner moet worden beschouwd, worden beantwoord op grond van de algemene regels van belastbaarheid in de PB (zie 3/3).
In die hypothese en indien die echtgenoot aan de BNI moet worden onderworpen, is de gezamenlijke aanslag van de echtgenoten onmogelijk en moet de andere echtgenoot als "alleenstaande" belast in de PB worden belast (zie ook PV nr. 303, 6.9.1991, Sen. Janzegers, Bull. 717, blz. 1654).
C. PERSONEN DIE INGEVOLGE BEPAALDE INTERNATIONALE VERDRAGEN RIJKSINWONERS BLIJVEN NIETTEGENSTAANDE ZIJ HUN WOONPLAATS NAAR HET BUITENLAND HEBBEN OVERGEBRACHT
Nummer 3/96
Sommige internationale verdragen waarbij België verdragsluitende partij is, bevatten een zogenaamde clausule van "exceptie van fiscale woonplaats", op grond waarvan de personen die zich uitsluitend voor de uitoefening in dienst van sommige internationale instellingen vestigen op het grondgebied van een andere lid-Staat dan die waar zij hun fiscale woonplaats bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding, geacht worden hun vroegere fiscale woonplaats te hebben behouden. Onder bepaalde voorwaarden geldt deze clausule eveneens voor de echtgenoot en de kinderen van de personaliteiten, functionarissen of ambtenaren van de desbetreffende instellingen.
Nummer 3/97
Een dergelijke clausule is in het bijzonder neergelegd in art. 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese gemeenschappen (Wetboek, Overeenk. Org., bijlage XVIII) en in art. 12 van het Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van het Europees Universitair Instituut (Wetboek, Overeenk. Org., bijlage XXXI), waarnaar voor meer inlichtingen verwezen wordt.
Nummer 3/98
De taxatiediensten mogen bijgevolg niet uit het oog verliezen dat, wanneer rijksinwoners hun woonplaats naar het buitenland overbrengen om er een betrekking in dienst van een internationale instelling uit te oefenen, de betrokkenen verder als rijksinwoners moeten worden beschouwd en als zodanig aan de PB zijn onderworpen, voor zover wordt vastgesteld dat aan de voorwaarden tot toepassing van de exceptie van fiscale woonplaats is voldaan, en dit niettegenstaande het feit dat zij eventueel in België noch hun woonplaats, noch de zetel van hun fortuin meer hebben.
In het bijzonder zijn bedoeld, enerzijds, de instellingen of diensten die van de Europese Unie afhangen (Europese Investeringsbank en Europees Hof van Justitie te Luxemburg, Algemeen Secretariaat van het Europees Parlement alsmede sommige diensten van de Unie te Luxemburg, pers- en inlichtingsbureaus die de Unie in verschillende vreemde steden bezit, onderzoekscentra in Italië, Nederland en Duitsland enz.) en anderzijds, het Europees Universitair Instituut in Florence.
Het spreekt vanzelf dat de PB moet worden geheven zonder afbreuk te doen aan de vrijstellingen die de betrokken personaliteiten, functionarissen of ambtenaren genieten ingevolge de internationale verdragen. Bij wijze van voorbeeld wordt eraan herinnerd, dat de vergoedingen van de personaliteiten, functionarissen of ambtenaren van de Europese Unie van de inkomstenbelastingen zijn vrijgesteld en dat deze vergoedingen niet in aanmerking mogen worden genomen om het tarief te bepalen dat op de andere inkomsten van toepassing is.
Nummer 3/99
Krachtens de art. 23, § 1, 3°, 28, 31, tweede lid, 5°, 32, tweede lid, 2° en 33, tweede lid, 2°, WIB 92 zijn o.m. belastbaar, winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige die na zijn overlijden zijn behaald of vastgesteld, alsmede bezoldigingen van werknemers, bestuurders en werkende vennoten die door de belastingplichtige zijn verkregen en die aan zijn rechtverkrijgenden zijn betaald of toegekend.
Hieruit vloeit noodzakelijk voort dat de voorwaarden om aan de PB onderworpen te zijn, na het overlijden van een rijksinwoner, vervuld blijven gedurende het of de belastbare tijdperk(en) waarin eventueel inkomsten zouden kunnen worden behaald of verkregen, die betrekking hebben op de beroepswerkzaamheid van de overledene of die krachtens voormelde wetsbepalingen belastbaar zijn.
Deze mogelijkheid bestaat in al de gevallen waarin de overledene gedurende zijn leven enigerlei beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, tenzij behoorlijk wordt bewezen dat uit die werkzaamheid onmogelijk nog enigerlei inkomen kan worden behaald of vastgesteld na het overlijden.
Nummer 3/100
Ter zake is gevonnist :
De bij art. 3, WIB 92, gestelde voorwaarde om aan de PB te worden onderworpen, moet niet noodzakelijk bestaan bij de aanvang van het aanslagjaar, maar het volstaat dat ze heeft bestaan op het tijdstip dat de inkomsten werden behaald of verkregen, vermits een overleden persoon wordt beschouwd als verkrijger van de inkomsten die hij uit hoofde van zijn vroegere beroepswerkzaamheid heeft behaald of verdiend als "rijksinwoner" in de zin van genoemd art. 3, WIB 92, zelfs indien deze inkomsten na zijn dood door zijn rechtverkrijgenden worden verkregen. (Cass., 5.5.1970, Erfgenamen Robilliart, Bull. 486, blz. 1251).
E. GEMEENTE VAN DE FISCALE WOONPLAATS
1. Algemeen
Nummer 3/101
De fiscale woonplaats van een rijksinwoner (natuurlijke persoon die in België zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin heeft gevestigd) is gelegen in een welbepaalde Belgische gemeente.
De juiste situering van de fiscale woonplaats van een belastingplichtige is belangrijk, vermits die fiscale woonplaats :
- de plaats van aangifte en van aanslag in de PB bepaalt;
- bepalend is voor het toepasselijk tarief van de aanvullende belasting op de PB (PB/gem. en PB/agg.);
- een weerslag kan hebben op de eventuele aftrek van bepaalde uitgaven als beroepskosten (b.v. de huur van een verblijf in de nabijheid van de plaats van tewerkstelling).
Nummer 3/102
In de meeste gevallen zal de Belgische gemeente die als fiscale woonplaats van een belastingplichtige moet worden aangemerkt dezelfde zijn als de gemeente waar hij ingeschreven is in de bevolkingsregisters.
De criteria die de inschrijving in de bevolkingsregisters regelen (zie 3/43), sluiten immers nauw aan bij de criteria voor het vaststellen van de fiscale woonplaats (zie 3/3 tot 15.14).
De inschrijving in de bevolkingsregisters van een bepaalde gemeente vormt evenwel niet het absolute bewijs van de fiscale woonplaats.
Het kan immers voorkomen dat een belastingplichtige om redenen van belastingontwijking (b.v. hoge aanvullende belasting op de PB in de werkelijke woonplaats, simulatie van feitelijke scheiding, enz.) slechts voorwendt zijn fiscale woonplaats te hebben in een bepaalde gemeente waar hij zijn burgerlijke woonplaats heeft gevestigd of waarnaar hij ze verplaatst heeft, zonder dat hij aldaar werkelijk woont.
Bij ernstige twijfel omtrent de echtheid van de door een belastingplichtige opgegeven fiscale woonplaats, moet de taxatieambtenaar in elk geval aan de hand van een geheel van feitelijke omstandigheden en gegevens onderzoeken in welke gemeente de werkelijke fiscale woonplaats van de betrokkene is gevestigd. Er moet alleszins vermeden worden aanslagen in de twee gemeenten te vestigen.
2. Plaats van aangifte en van aanslag
Nummer 3/103
Wat de aangifteverplichting en de vestiging van de belasting betreft, behoren de rijksinwoners tot de bevoegdheid van de aanslagdiensten waarvan de gemeente van hun fiscale woonplaats afhangt (zie 305/1).
In de regel is de plaats van aangifte en van aanslag de gemeente waar de fiscale woonplaats is gelegen op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.
3. Aanvullende belasting op de PB
Nummer 3/104
De door de gemeente gevestigde PB/gem. en door de agglomeratie waarvan de gemeente eventueel deel uitmaakt, gevestigde PB/agg. is verschuldigd door alle inwoners van de gemeente die belastingplichtigen zijn in de PB, m.a.w. alle natuurlijke personen die hun fiscale woonplaats in de gemeente hebben op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en er tevens een aanslag in de PB verschuldigd zijn voor datzelfde aanslagjaar (zie ook 465/4 tot 6).
4. Huur van een bijkomende verblijfsgelegenheid in de nabijheid van de plaats van tewerkstelling
Nummer 3/105
De aftrek van de huurprijs en de huurlasten van een bijkomende verblijfsgelegenheid als beroepskosten wordt toegestaan wanneer uit de feitelijke omstandigheden van de zaak blijkt dat de kosten noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid (zie ter zake 52/19 tot 25 en 53/3 en 4).
De bedoelde kosten zijn evenwel niet aftrekbaar wanneer blijkt dat de betrokkene aldaar zijn werkelijke fiscale woonplaats heeft en niet daar waar hij zijn burgerlijke woonplaats of wettelijk domicilie gevestigd heeft.
5. Rechtspraak
Nummer 3/106
I.v.m. de Belgische gemeente die als fiscale woonplaats van een rijksinwoner moet worden aangemerkt, is gevonnist dat :
- de fiscale woonplaats kan worden gedefinieerd als die welke, in het licht van de feiten en omstandigheden die eigen zijn aan elk afzonderlijk geval, samenvalt met de zoniet bestendige dan wel voornaamste woning en met het centrum van de vitale belangen.
In tegenstelling tot de bewering van de belastingplichtige (gedomicilieerd in Villance-Libin) dat hij slechts bijkomstig en om beroepsredenen in Sint-Jans-Molenbeek verblijft, kan uit de feitelijke omstandigheden (uitoefening van de beroepswerkzaamheid als bediende te Brussel, verblijf in Sint-Jans-Molenbeek in een appartement dat hij verworven heeft d.m.v. een lening en dat hij daadwerkelijk gedurende het grootste deel van de week betrekt samen met zijn echtgenote die er haar eigen huishoudelijke werkzaamheden uitoefent, het feit dat het gezin geen andere personen ten laste telt) worden afgeleid dat de verblijfplaats in Sint-Jans-Molenbeek zijn voornaamste woning en het centrum van zijn vitale beroeps- en gezinsbelangen is.
Het betrekken van het huis in Villance-Libin tijdens de weekends en de vakanties, doet daaraan geen afbreuk (Brussel, 4.5.1982, Collin Paul, Fiscale Jurisprudentie, 82/112);
- de fiscale woonplaats is, in de zin van de fiscale wet, een feitelijke woonplaats, gekenmerkt door een zekere standvastigheid, terwijl de zetel van het fortuin de plaats is die van nature gekenmerkt wordt door een zekere eenheid van waaruit deze wordt beheerd.
In onderhavig geval bevindt het centrum van de economische belangen van rekwirant zich te Brussel, waar hij werkt, van waaruit hij zijn goederen beheert en waar het grootste gedeelte van zijn onroerende goederen gelegen is.
Daar de fiscale woonplaats en de burgerlijke woonplaats niet noodzakelijk samenvallen, zijn de administratieve gronden die de wijziging van inschrijving van rekwirant in de bevolkingsregisters hebben mogelijk gemaakt, niet bepalend (Brussel, 24.5.1988, J.D., Bull. 681, blz. 633);
- het begrip fiscale woonplaats in de zin van art. 3, WIB (92) valt niet samen met dit van het burgerlijk recht. Daaruit volgt dat een inschrijving in de bevolkingsregisters niet dezelfde draagwijdte heeft in fiscale zaken als in burgerlijk of gerechtelijk recht.
Het centrum van eisers economische belangen ligt in het Brusselse waar hij zijn beroep uitoefent, van waaruit hij zijn goederen beheert en waar zich het grootste deel van zijn onroerend en roerend bezit bevindt.
Slechts deze omstandigheden dienen in aanmerking te worden genomen en alles wat tot het louter sentimentele behoort zoals het feit dat hij in Knokke met sport of cultuur bezig is, kan niet doorwegen (Brussel, 7.6.1988, Golstein Max, Bull. 685, blz. 1523);
- de fiscale woonplaats wordt gekenmerkt door het daadwerkelijk wonen op een welbepaalde plaats met de bedoeling er zijn hoofdverblijf te hebben.
Omdat de verblijfplaats van eiseres onderscheiden is van haar "wettelijk" domicilie, dat slechts beantwoordde aan louter persoonlijke noodwendigheden, is die verblijfplaats, vanuit de feitelijke omstandigheden bekeken haar werkelijke fiscale woonplaats. Het is derhalve niet nodig een onderzoek in te stellen naar het argument nopens de aftrek als beroepskosten van de huur en de daarmee verband houdende lasten van een studio, waaromtrent de langdurige verplaatsing tussen de "wettelijke" woonplaats en de plaats van tewerkstelling als rechtvaardiging werd ingeroepen (Luik, 29.6.1988, Rochet Maryse, Bull. 684, blz. 1253);
- de vraag waar de fiscale woonplaats van een belastingplichtige is gevestigd, kan slechts worden beantwoord aan de hand van een geheel van feitelijke omstandigheden en gegevens. De feitelijke woonplaats wordt noodzakelijkerwijze gekenmerkt door een zekere permanentie of continuïteit, en de zetel van het fortuin door een zekere eenheid van waaruit het wordt beheerd.
Zo reveleert het Hof dat de fabriek van wijlen A.M. te X. en de villa te W. zijn permanent en vast operatiegebied was. Verder, dat de inschrijving in de bevolkingsregisters te Y. daaraan weinig wijzigde nu daarenboven bleek dat de nutsvoorzieningen van zijn villa aldaar nauwelijks gebruikt werden, dat de briefwisseling er vaak onbestelbaar was, er geen dienstpersoneel verbleef en een politiebrigadier getuigde van de geringe aanwezigheid van het echtpaar M.. De feitelijke woonplaats was dus te Z. gevestigd (Antwerpen, 29.11.1988, Erfgenamen A.M., Bull. 688, blz. 2391; in dezelfde zin : Antwerpen, 22.4.1993, Verheyen L., niet gepubliceerd);
- een gevangenis is een huis van bewaring en kan niet worden gelijkgesteld met een woonplaats waar men zijn voornaamste verblijfplaats heeft (Brussel, 16.5.1989, M.L., Bull. 708, blz. 2043);
- alhoewel de belastingplichtige (eerste assistent van de faculteit diergeneeskunde van de universiteit te Luik waarvan de "tijdelijke" zetel zich te Kuregem bevindt) zijn officiële woonplaats heef behouden bij zijn ouders (Luik), bevindt zijn voornaamste verblijfplaats zich in Anderlecht, vermits die gemeente :
- het centrum is van zijn beroepswerkzaamheden;
- de plaats is waar hij vijf en een halve dag op zeven doorbrengt, a rato van 48 weken op 52;
- het centrum is van zijn financiële activiteiten.
Bovendien bevindt het enige onroerend goed dat hij als eigenaar bezit en dat hij zelf betreft zich in Anderlecht. De aankoop van een appartement in Anderlecht vertolkte de wens van de betrokkene zijn onafhankelijkheid te verkrijgen door de stichting van een volledig afzonderlijk tehuis (Luik, 6.3.1991, Coignoul F., Bull. 721, blz. 2952).
