Commentaar van art. 405, WIB 92
ART. 405, WIB 92
| 405/0 | |
| 405/1 | |
| 405/2-3 | |
| 405/4-6 | |
| 405/4 | |
| B. Gevolg van het niet-storten of van een gedeeltelijke storting | 405/5 |
| C. Maatregelen in het sociaal recht ter controle van deze bepalingen | 405/6 |
| 405/7-8 | |
| 405/9 |
Nummer 405/0
Art. 405. - Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° Hoofdaannemer:
a) de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die er zich toe verbindt om tegen een bepaalde prijs voor een opdrachtgever werken uit te voeren of te laten uitvoeren die overeenstemmen met door de Koning bepaalde werkzaamheden;
b) elk van de vennoten van een tijdelijke vereniging of een vereniging bij wijze van deelneming die dergelijke werken uitvoert.
2° Onderaannemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welk stadium ook, het werk of een onderdeel van het werk toevertrouwd aan de hoofdaannemer, uit te voeren of te laten uitvoeren tegen een bepaalde prijs of daartoe werknemers ter beschikking te stellen.
3° Werf: de plaats of het geheel van plaatsen waar de hoofdaannemer voor een opdrachtgever werken uitvoert of laat uitvoeren, die naar hun aard een geheel vormen.
Nummer 405/1
De wet zelf geeft de definities van de natuurlijke of rechtspersonen op wie deze wetgeving van toepassing is.
Deze definities vergen weinig commentaar.
In verband met de hoofdaannemer wordt er enkel de aandacht op gevestigd dat ook elke vennoot van een tijdelijke vereniging of van een vereniging bij wijze van deelneming die de door de Koning bepaalde werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, voor de toepassing van de artikelen 406 tot 408 als hoofdaannemer wordt beschouwd.
Wat de onderaannemers betreft wordt er op gewezen dat ook hij die tegen een bepaalde prijs werken laat uitvoeren of hij die daartoe enkel werknemers ter beschikking stelt, een onderaannemer is. Dat kan dus ook een curator zijn die overeenkomstig art. 475, Fail.W werkzaamheden laat uitvoeren.
Nummer 405/2
Volgens de Memorie van toelichting bij de programmawet van 06.07.1989 (Kamer van Volksvertegenwoordigers, doc. 833/1 - 88/89, blz. 10) is vastgesteld dat de grote meerderheid van de koppelbazen en van hun onderaannemers geregistreerd zijn als onderaannemers en zodoende de toepassing vermijden van de speciale beperkende maatregelen van art. 30bis, W 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, van de maatregelen van de art. 400 tot 404, WIB 92, alsook van die van art. 72, W 14.07.1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
Nummer 405/3
Ter versterking van de bestaande reglementering werden dan ook een reeks supplementaire maatregelen van fiscale, sociale en administratieve aard getroffen die dringend noodzakelijk waren om in de betrokken sector orde op zaken te stellen en omvangrijke fiscale en parafiscale minderontvangsten te vermijden.
IV. KRACHTLIJNEN VAN DE AANVULLENDE WETTELIJKE BEPALINGEN
A. VERPLICHTING VAN DE HOOFDAANNEMER
Nummer 405/4
Bij elke betaling aan een onderaannemer moet de hoofdaannemer een percentage van het bedrag dat hij hem verschuldigd is, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) (35 %) én aan de fiscus (15 %) storten. Alleen onder de door de Koning bepaalde voorwaarden is de hoofdaannemer van die inhoudingen en stortingen vrijgesteld.
B. GEVOLG VAN HET NIET-STORTEN OF VAN EEN GEDEELTELIJKE STORTING
Nummer 405/5
Indien de hoofdaannemer de stortingen niet of slechts gedeeltelijk uitvoert is hij tegenover de RSZ én de fiscus hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderaannemers.
In het kader van de toepassing van de art. 405 tot 408 is geen administratieve boete voorzien wanneer de hoofdaannemer geen of slechts een onvolledige storting doet.
C. MAATREGELEN IN HET SOCIAAL RECHT TER CONTROLE VAN DEZE BEPALINGEN
Nummer 405/6
Om de naleving van de nieuwe verplichtingen te kunnen controleren, hebben de Ministers van Sociale Zaken en van Tewerkstelling en Arbeid nog een aantal bijzondere verplichtingen opgelegd. Die verplichtingen kunnen als volgt worden samengevat :
1° Vooraleer een werf te beginnen en telkens wanneer de hoofdaannemer of één van de onderaannemers, in welk stadium ook, aan een andere onderaannemer vraagt om op te treden, moet de hoofdaannemer aan de RSZ alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de belangrijkheid van de werf te ramen en de onderaannemers te identificeren (art. 30ter, § 5, W 27.06.1969 en art. 6, KB 12.03.1990 tot uitvoering, in het kader van de maatregelen tegen de activiteiten van de koppelbazen, van sommige bepalingen van art. 30ter, W 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, BS 27.03.1990, blz. 5668, V 2040);
2° Ieder hoofdaannemer moet op elke werf een dagelijkse lijst van alle daar tewerkgestelde werknemers bijhouden. Elke onderaannemer moet daartoe dagelijks de lijst van alle werknemers die hij op de werf tewerkstelt evenals alle nodige inlichtingen ter zake, aan de hoofdaannemer mededelen.
Die lijst, waarvan de vorm en de inhoud door de Koning op voorstel van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van de Minister van Sociale Zaken wordt bepaald, moet vanaf de derde dag na de dag waarop ze betrekking heeft gedurende 5 jaar door de hoofdaannemer worden bewaard op de plaats waar hij overeenkomstig KB nr. 5, 23.10.1978 zijn sociale documenten moet behouden. De lijsten moeten onmiddellijk worden medegedeeld aan iedere door de Koning aangewezen ambtenaar of beambte die erom verzoekt. Ook de ambtenaren van de fiscale administraties van het Ministerie van Financiën zijn belast met het toezicht op de naleving van deze verplichtingen (art. 30ter, § 4, ingevoegd bij W 22.01.1985 en gewijzigd bij de programmawet van 06.07.1989 én art. 31, W 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; KB 12.03.1990 tot uitvoering van art. 30ter, § 4, W 27.06.1969 - BS 27.03.1990, blz. 5670, V 2042);
3° De werkgever die voor de eerste maal tot de tewerkstelling van meer dan vijf arbeiders overgaat moet, voor het eerste kwartaal van tewerkstelling, aan het RSZ, bij wijze van voorschot op de som van de bijdragen voor het kwartaal, zoveel keer 17.000 F storten als hij arbeiders tewerkstelt (art. 23, § 2, van voormelde W 27.06.1969 en art. 3, KB 12.03.1990 tot uitvoering van de art. 22bis en 23, § 2 van dezelfde W 27.06.1969 - BS 27.03.1990, blz. 5667);
4° De werkgever moet aan zijn werknemers een individuele fiche overhandigen en de werknemers moeten die fiche steeds bij zich hebben op de werf.
De Koning kan de toepassing van die verplichting beperken tot sommige werknemers of tot de werknemers tewerkgesteld in de door Hem aangeduide bedrijfstakken of categorieën van ondernemingen of hen uitsluiten (art. 4, KB nr. 5, 23.10.1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten zoals aangevuld door art. 29, programmawet van 06.07.1989 en KB 08.03.1990 betreffende het bijhouden van de individuele fiche van de werknemer - BS 27.03.1990, blz. 5665, V 2047; zie ook V 2048 en V 2049).
Nummer 405/7
Art. 56, programmawet van 06.07.1989, voorziet dat de Koning de datum bepaalt waarop de bepalingen van 405 tot 408, WIB 92 in werking treden.
Nummer 405/8
Met het KB 12.03.1990 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de programmawet van 06.07.1989, op het stuk van maatregelen tegen de activiteiten van de koppelbazen (BS 27.03.1990, V 2041) is bepaald dat bedoelde bepalingen op 1 april 1990 in werking treden.
Tot 31 december 1990 zijn de art. 406 en 407, WIB 92 evenwel niet van toepassing op werken die zijn uitgevoerd op grond van voor 1 januari 1990 schriftelijk gesloten en gedateerde overeenkomsten.
Nummer 405/9
Er wordt op gewezen dat art. 405, WIB 92 moet worden toegepast wanneer in hoofde van dezelfde persoon zowel de art. 400 tot 403, WIB 92 als het art. 405, WIB 92 van toepassing kunnen zijn (zie art. 404, § 1,3°, WIB 92).
