Commentaar van art. 406, WIB 92

ART. 406, WIB 92

I. WETTEKST

406/0

II. UITVOERINGSBESLUITEN

406/0

III. DE DOOR DE KONING BEPAALDE WERKZAAMHEDEN

406/1-4

A. Beoogde werkzaamheden

406/1-3

B. Bijzonderheid

406/4

IV. INHOUDING EN STORTING

406/5-15

A. Inhouding

406/5-8

B. Storting

406/9-10

C. Opmerking

406/11

D. Vrijstelling (geheel of gedeeltelijk) van de verplichting tot inhouden

406/12-15

V. AANWENDING VAN DE GESTORTE BEDRAGEN

406/16-22

A. Principe

406/16

B. Voorafgaande opmerkingen

406/17

C. Aanwendingsregels en taak van de bijzondere Ontvanger

406/18-22

VI. TERUGBETALING VAN DE GESTORTE BEDRAGEN

406/23-27

I. WETTEKST

Nummer 406/0

Art. 406. - Iedere hoofdaannemer die voor dienstverleningen in overeenstemming met door de Koning bepaalde werkzaamheden een beroep doet op een onderaannemer, is ertoe gehouden, bij iedere betaling voor die dienstverleningen aan de onderaannemer, 15 pct. van het bedrag dat hij verschuldigd is, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan de ambtenaar die door de Koning wordt aangewezen, volgens de nadere regels die Hij bepaalt.

De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden en volgens de regelen die Hij bepaalt, het in het eerste lid vastgestelde percentage verminderen of ervan vrijstellen.

De voor eenzelfde onderaannemer gestorte bedragen worden, in de orde die de Koning bepaalt, aangewend tot betaling van de bedragen die deze onderaannemer verschuldigd is op grond van dit Wetboek.

De Koning bepaalt op welke wijze, onder welke voorwaarden en binnen welke termijn, de onderaannemer het gestorte bedrag terugkrijgt, voor zover het niet werd aangewend voor de gestelde doeleinden.

II. UITVOERINGSBESLUITEN

A. KB 26.03.1990 tot wijziging, wat de activiteiten van de koppelbazen betreft, van het KB 04.03.1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (BS 28.03.1990, V 2046).

Artikel 1. Een afdeling VIIIbis met als opschrift "Bijzondere maatregelen betreffende de activiteiten van de koppelbazen (Wetboek van de inkomstenbelastingen, artikel 299ter) ( art. 406, WIB 92)" en bestaande uit de als volgt luidende artikelen 227bis tot 227quinquies, wordt ingevoegd in hoofdstuk III, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen:

"Artikel 227bis. De werkzaamheden bedoeld bij artikel 299ter, § 2, eerste lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (art. 406, 1e lid, WIB 92) zijn :

1° grondwerken; 2° betoneringswerken; 3° bekistingswerken; 4° wapeningswerken; 5° metselwerken; 6° slopingswerken.

Artikel 227ter. Het ingehouden bedrag moet worden overgemaakt aan de ontvanger die door de directeur-generaal van de directe belastingen wordt aangewezen.

De betaling van het ingehouden bedrag moet verricht worden op hetzelfde tijdstip als de betaling aan de onderaannemer en uitsluitend door storting of overschrijving op de postrekening van de aangewezen ontvanger.

Op het stortings- of overschrijvingsbewijs moet naast de naam, het adres en B.T.W.-nummer van de hoofdaannemer, de vermelding "Art. 299ter, W.I.B. (art. 406, WIB 92)", voorkomen, alsmede de verwijzing naar de factuur waarop de betaling betrekking heeft.

Gelijktijdig met de bedoelde storting of overschrijving, zendt de hoofdaannemer aan de ontvanger een afschrift van de facturen waarop de betaling betrekking heeft.

Artikel 227quater. § 1. Het overgemaakte bedrag wordt verrekend met de door de onderaannemer aangeduide schulden die bestaan op het ogenblik van de betaling van de ingehouden bedragen.

De aanduiding gebeurt spontaan en uiterlijk veertien dagen na de in het eerste lid bedoelde betaling.

Onmiddellijk na de aanduiding geeft de in artikel 227ter bedoelde ontvanger, in voorkomend geval, aan de onderaannemer kennis van de niet-betaling door de hoofdaannemer.

§ 2. Bij gebrek aan tijdige aanduiding wordt het overgemaakte bedrag verrekend met de in § 1 bedoelde schulden van de onderaannemer, overeenkomstig de bepalingen van artikel 187, § 1, tweede lid.

Artikel 227quinquies. § 1. De onderaannemer op wiens schuldvordering het overgemaakte bedrag werd ingehouden kan, in de mate dat het niet wordt verrekend, bij de in artikel 227ter bedoelde ontvanger een aanvraag om teruggaaf indienen.

De aanvraag dient inzonderheid de naam, het adres en het B.T.W.-nummer te vermelden van degene die de inhouding en de betaling heeft gedaan, de datum van die betaling, alsmede de datum het nummer en het bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, van de factuur waarop de betaling betrekking had.

De aanvraag om teruggaaf wordt gedaan door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgelegd door de directeur-generaal van de directe belastingen.

§ 2. De terugbetaling gebeurt uiterlijk binnen vier maanden te rekenen vanaf de regelmatig ingediende aanvraag om teruggaaf.

§ 3. Wanneer het overgemaakte bedrag geheel of gedeeltelijk wordt aangewend tot betaling overeenkomstig artikel 227quater, geeft de ontvanger daarvan binnen de in § 2 bepaalde termijn kennis aan de aanvrager, met vermelding van alle gegevens omtrent de aangezuiverde schulden."

Artikel 2. Dit besluit treedt in werking op 1 april 1990.

Artikel 3. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

B. KB 19.03.1990 tot uitvoering, in het kader van de maatregelen tegen de activiteiten van de koppelbazen, van artikel 30ter, 2, tweede lid, van de wet van 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van artikel 299ter, 2, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (art. 406, 2e lid, WIB 92) (BS 27.03.1990, V 2043).

Artikel 1. De hoofdaannemer wordt ervan vrijgesteld de inhouding te verrichten voorgeschreven door de artikelen 30ter, § 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 299ter, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (art. 406, WIB 92) ten aanzien van elke onderaannemer van wie de op een bepaalde werf tewerkgestelde werknemers in het bezit zijn van een individuele fiche, bedoeld bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, waarop het door het Fonds voor bestaanszekerheid uitgereikt vignet is aangebracht, waarbij vastgesteld wordt dat de sociale zekerheidsbijdragen gestort zijn.

Om van de in het vorig lid vermelde vrijstelling te kunnen genieten moeten de hoofdaannemer en elke onderaannemer geregistreerd zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 30bis van voornoemde wet van 27 juni 1969 en van artikel 299bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (art. 400, WIB 92).

Op het formulier bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 maart 1990 tot uitvoering, in het kader van de maatregelen tegen de activiteiten van de koppelbazen, van sommige bepalingen van artikel 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, duidt de hoofdaannemer de onderaannemer aan voor wie toepassing wordt gemaakt van het eerste lid met vermelding van het gedeelte van het werk dat door de onderscheiden onderaannemers is uitgevoerd en van het stadium waarin het zich bevindt.

Een afschrift van dat formulier wordt eveneens toegezonden aan de ontvanger der directe belastingen bedoeld in artikel 227ter, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Wanneer de in de vorige leden bedoelde voorwaarden niet zijn vervuld, blijft de hoofdelijke aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van voormelde artikelen 30ter en 299ter ( art. 407, WIB 92)van toepassing.

Artikel 2. Dit besluit treedt in werking op 1 april 1990.

Tot 31 december 1990 zijn artikel 30ter, §§ 2 en 3, van voormelde wet van 27 juni 1969, en artikel 299ter, §§ 2 en 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (art. 406 en 407, WIB 92), niet van toepassing met betrekking tot werken uitgevoerd op grond van overeenkomsten welke voor 1 januari 1990 schriftelijk werden gesloten en gedateerd.

Artikel 3. Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

III. DE DOOR DE KONING BEPAALDE WERKZAAMHEDEN

A. BEOOGDE WERKZAAMHEDEN

Nummer 406/1

De nieuw opgelegde verplichting moet enkel nageleefd worden wanneer een hoofdaannemer een beroep doet op een onderaannemer voor dienstverleningen in overeenstemming met de door de Koning bepaalde werkzaamheden.

Nummer 406/2

Bij KB werd de toepassing beperkt tot volgende werkzaamheden :

1° grondwerken

2° betoneringswerken

3° bekistingswerken

4° wapeningswerken

5° metselwerken

6° slopingswerken.

Vermits de gebruikte terminologie niet nader wordt omschreven in de tekst van de wet of van de uitvoeringsbesluiten, moeten die begrippen in hun courante betekenis worden begrepen. Voor de begrippen grondwerken, bekistingswerken, wapeningswerken en slopingswerken, die weliswaar niet als dusdanig voorkomen in de reglementering betreffende de art. 400 tot 404, WIB 92 kan niettemin ook de toelichting in de bijlage bij het KB 05.10.1978 als richtsnoer worden geraadpleegd. Eventuele betwistingen in verband met de omschrijving van de beoogde werkzaamheden kunnen aan de dir. III/4 worden voorgelegd.

Nummer 406/3

In lid 4 van art. 407, WIB 92 wordt ook gesteld dat de Koning de toepassing van de art. 406 en 407 kan beperken tot de werven waarvan het totaal bedrag van de werken hoger is dan het door Hem te bepalen bedrag. Dat bedrag werd tot op heden evenwel niet vastgelegd zodat de wet moet worden nageleefd voor alle werven die, ongeacht het bedrag van de werken, betrekking hebben op de in 406/2, Com.IB opgesomde werkzaamheden.

B. BIJZONDERHEID

Nummer 406/4

Wanneer in hoofde van dezelfde persoon zowel de bepalingen van de art. 400 tot 404, WIB 92 ls die van de art. 405 tot 408, WIB 92 van toepassing zouden zijn, wordt de toepassing van de art. 400 tot 404, WIB 92 uitgesloten (art. 404, § 1, 3°, WIB 92).

IV. INHOUDING EN STORTING

A. INHOUDING

Nummer 406/5

Bij iedere betaling in verband met de door de Koning bepaalde werkzaamheden (zie nr. 406/2, Com.IB) is de hoofdaannemer verplicht 15 % van het aan de onderaannemer verschuldigde bedrag in te houden.

Alhoewel in een tijdelijke vereniging of in een vereniging bij wijze van deelneming ieder vennoot als hoofdaannemer wordt beschouwd, is het vanzelfsprekend dat de verplichting tot inhouding van 15 % niet in hoofde van iedere vennoot moet worden nageleefd. Aan de wettelijke verplichting is voldaan indien 15 % van het bedrag van de door de tijdelijke vereniging of de vereniging bij wijze van deelneming uitbestede werken wordt ingehouden. Iedere vennoot wordt immers slechts als hoofdaannemer beschouwd met het oog op de toepassing van de in art. 407, WIB 92 bepaalde sancties (zie 407/1 tot en met 407/8, Com.IB).

Nummer 406/6

De inhouding van 15 % moet berekend worden op het bij die betaling verschuldigde bedrag, exclusief de BTW. De aard van het verschuldigde bedrag speelt geen rol. Dus ook bij betaling van interesten, boeten, extra kosten enz. moet art. 406, WIB 92 worden nageleefd.

Nummer 406/7

Het ogenblik waarop de betaling gebeurt (bijvoorbeeld voor of na de faillietverklaring van de onderaannemer) heeft evenmin enige invloed op deze verplichting. De overeenkomst tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer is immers slechts volledig beëindigd wanneer beide partijen al hun uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen hebben nageleefd. De contractuele verhouding tussen de partijen is dus niet beëindigd zolang de onderaannemer betaling blijft eisen van bepaalde bedragen.

Nummer 406/8

De verplichting bestaat alleen bij de hoofdaannemer. Betalingen door één van de onderaannemers aan zijn onderaannemer worden niet beoogd.

B. STORTING

Nummer 406/9

Ter uitvoering van art. 406, lid 1, WIB 92 en van art. 227ter, KB/WIB is de Ontv. van het ontvangkantoor "Belastingen - Bedrijfsvoorheffing Brussel, Dienst Bijzondere Ontvangsten" aangewezen als de bevoegde Ontv. aan wie de ter uitvoering van art. 406 ingehouden bedragen moeten worden overgemaakt. Het adres en het postrekeningnummer van dat ontvangkantoor zijn: Belliardstraat 45, 1040 Brussel en 000-2002320-46.

Nummer 406/10

In art. 227ter, KB/WIB heeft de Koning de regels vastgelegd die in acht moeten worden genomen bij de storting. Op hetzelfde tijdstip als de betaling aan de onderaannemer, moet de hoofdaannemer het ingehouden bedrag storten of overschrijven op de postrekening van voormelde Ontv. Een andere betalingswijze is niet toegelaten.

Op het stortings- of overschrijvingsformulier moet de hoofdaannemer naast zijn naam, zijn adres en zijn BTW-nummer, ook de vermelding "Art. 406, WIB 92" aanbrengen. Tevens moet hij op een duidelijke manier verwijzen naar de factuur waarop de betaling betrekking heeft.

Om controle op het ingehouden en gestorte bedrag mogelijk te maken, moet de hoofdaannemer, gelijktijdig met de bedoelde storting of overschrijving, aan de bevoegde Ontv. een afschrift toezenden van die factu(u)r(en). Dankzij dat afschrift beschikt de Ontv. ook over alle noodzakelijke gegevens betreffende de identiteit van de onderaannemer.

C. OPMERKING

Nummer 406/11

Volledigheidshalve wordt er de aandacht op gevestigd dat in art. 406, WIB 92 in tegenstelling met art. 402, WIB 92), geen administratieve boete is voorzien wanneer de hoofdaannemer geen of slechts een onvolledige storting doet.

D. VRIJSTELLING (GEHEEL OF GEDEELTELIJK) VAN DE VERPLICHTING TOT INHOUDEN

1. Principe

Nummer 406/12

Om de gevolgen van de toepassing van art. 406, WIB 92 te beperken, heeft de wetgever ook bepaald dat het vastgestelde percentage van de inhouding kan worden verminderd of dat de hoofdaannemer zelfs van de opgelegde verplichting kan worden vrijgesteld. Daartoe heeft art. 252, W 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen in art. 406, na het eerste lid, een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden en volgens de regelen die Hij bepaalt, het in het eerste lid vastgestelde percentage verminderen of ervan vrijstellen".

Die voorwaarden en regelen zijn bepaald in het KB 19.03.1990 tot uitvoering, in het kader van de maatregelen tegen de activiteiten van de koppelbazen, van art. 30ter, § 2, tweede lid, W 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van art. 299ter, § 2, tweede lid, WIB (art. 406, 2e lid, WIB 92). Uit dat KB blijkt dat voorlopig alleen de voorwaarden zijn vastgelegd waaronder de hoofdaannemer volledige vrijstelling kan bekomen. In een vermindering (of een verlaging) tot een lager percentage dan 15 % is dus, in de huidige stand van de wetgeving niet voorzien.

2. Voorwaarden tot het bekomen van de vrijstelling

Nummer 406/13

Om vrijstelling te kunnen genieten moet de hoofdaannemer bijkomende vermeldingen aanbrengen op het formulier dat hij op hetzelfde tijdstip als de betaling van de onderaannemer, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid moet toezenden (art. 3, 2e lid, KB 12.03.1990 tot uitvoering, in het kader van de maatregelen tegen de activiteiten van de koppelbazen, van sommige bepalingen van art. 30ter, W 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders).

Vermits de hoofdaannemer in dat geval geen storting zal verrichten en hij bijgevolg ook geen afschrift van de factuur aan de bevoegde Ontv. der directe belastingen zal toezenden, is bepaald dat de hoofdaannemer ook een afschrift van dat formulier tot kennisgeving aan voormelde Ontv. moet toezenden.

Nummer 406/14

Opdat de hoofdaannemer de vrijstelling kan verkrijgen moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn :

- de hoofdaannemer zelf en elke onderaannemer moeten geregistreerd zijn overeenkomstig de bepalingen van art. 30bis van voormelde W 27.06.1969 en van art. 400, WIB 92;

- de door een onderaannemer op een bepaalde werf tewerkgestelde werknemers moeten in het bezit zijn van een individuele fiche, bedoeld bij art. 4, § 3, KB nr. 5 van 23.10.1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, waarop het door het Fonds voor Bestaanszekerheid uitgereikt vignet is aangebracht, waaruit blijkt dat de sociale zekerheidsbijdragen gestort zijn.

Nummer 406/15

Vermits de voorwaarden uitsluitend de sociale wetgeving betreffen, wordt de controle door de Rijksdienst voor sociale zekerheid uitgeoefend; deze kan de daartoe noodzakelijke inlichtingen verkrijgen bij het Fonds voor Bestaanszekerheid. Wanneer de Rijksdienst voor sociale zekerheid vaststelt dat de hoofdaannemer niet aan alle vrijstellingsvoorwaarden voldoet, deelt hij zulks aan de Ontv. mede.

De bevoegde Ontv. zendt de hem toegezonden afschriften van de in nr. 406/13, Com.IB bedoelde formulieren en van de in het vorige lid bedoelde mededelingen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid door naar de Hfd.cr. onder wiens ambtsgebied de hoofdaannemer ressorteert. Die Hfd.cr. staat in voor de nodige mededelingen aan de bevoegde plaatselijke Ontv. (zie verder 407/9 en 407/11, Com.IB).

V. AANWENDING VAN DE GESTORTE BEDRAGEN

A. PRINCIPE

Nummer 406/16

Uit art. 406, 3e lid, volgt dat de voor een bepaalde onderaannemer gestorte bedragen, in de door de Koning vast te stellen volgorde worden aangewend voor de betaling van de bedragen die deze onderaannemer op grond van het WIB 92 verschuldigd is.

B. VOORAFGAANDE OPMERKINGEN

Nummer 406/17

Uit de termen van de wet volgt dat de door een hoofdaannemer gestorte bedragen slechts kunnen worden aangewend op de schulden van de eerste onderaannemer, op wiens factuur de inhouding is gedaan. Hier moet worden gewezen op een zeer belangrijk verschil met de bepalingen die door de programmawet van 06.07.1989 in de W 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn ingevoegd.

In art. 30ter van die wet worden inderdaad identieke maatregelen getroffen tegen de activiteiten van de koppelbazen. Alleen wat de aanwending van het gestorte bedrag betreft, wordt gesteld dat het bedrag ook kan worden aangerekend op de sociale zekerheidsbijdragen die door iedere onderaannemer verschuldigd kunnen zijn. Daartoe zal de Rijksdienst het aandeel van iedere onderaannemer in het geheel van de uitgevoerde werken moeten bepalen. Ook de tekst van art. 299ter, WIB ( art. 405 tot 408, WIB 92), die voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd was een zelfde regel opgenomen. In het advies van de Raad van State over het fiscale luik van de programmawet van 06.07.1989, werd evenwel voorgesteld art. 299ter, WIB (art. 406, WIB 92), anders te redigeren (zie Parl. Doc. Kamer, 833/1, 88/89, blz. 47). Vermits dat advies volledig is gevolgd, is er een verschil ontstaan tussen de maatregelen die op sociaal en fiscaal vlak zijn getroffen.

C. AANWENDINGSREGELS EN TAAK VAN DE BIJZONDERE ONTV.

Nummer 406/18

De aanwending wordt geregeld in art. 227quater, KB/WIB, ingevoegd door het KB 26.03.1990.

Nummer 406/19

Het overgemaakte bedrag moet worden verrekend met de door de onderaannemer aangeduide schulden (zie 406/22, Com.IB) die bestaan op het ogenblik van de betaling van de ingehouden bedragen. De onderaannemer moet daartoe spontaan aan de Ontv. van het kantoor "Belastingen - Bedrijfsvoorheffing - Brussel, Dienst Bijzondere Ontvangsten" mededelen op welke schulden de gestorte bedragen moeten worden aangewend. Vermits geen bijzondere vormvereisten zijn opgelegd, kan die aanduiding bij gewone brief geschieden. Er is alleen bepaald dat die aanduiding uiterlijk veertien dagen na de betaling van de ingehouden bedragen moet plaatsvinden.

Wanneer de bevoegde Ontv. bij ontvangst van de aanduiding door de onderaannemer vaststelt dat de hoofdaannemer geen storting heeft gedaan, moet hij de onderaannemer daarvan onmiddellijk schriftelijk op de hoogte brengen.

Nummer 406/20

Bij gebrek aan een tijdige aanduiding wordt het overgemaakte bedrag met de schulden van de onderaannemer verrekend overeenkomstig art. 187, § 1, 2e lid, KB/WIB.

De bijzondere Ontv. moet de keuze van de onderaannemer onmiddellijk aan de bevoegde plaatselijke Ontv. mededelen. Het door de hoofdaannemer gestorte bedrag moet gelijktijdig worden overgemaakt.

Nummer 406/21

Indien de onderaannemer geen tijdige keuze heeft gedaan, zendt de bijzondere Ontv., zodra de wettelijke termijn van veertien dagen verstreken is, een bericht (formulier C.II.2ter) aan de Ontv. die bevoegd is voor het gebied waarin de onderaannemer gevestigd is. Wanneer het een vennootschap betreft, wordt ook aan de gespecialiseerde Ontv. een bericht verzonden. Is de onderaannemer een niet-inwoner (natuurlijke of rechtspersoon) dan wordt het bericht aan de bevoegde Ontv. "Buitenland" verzonden. De plaatselijke Ontv. geeft met de strook onderaan dat drukwerk, per omgaande, kennis van alle op dat ogenblik door de onderaannemer nog te vereffenen (dus al dan niet) eisbare schulden. In geval van bezwaar zal het onbetwistbaar verschuldigde gedeelte van de aanslag naast het resterend saldo worden vermeld. Er moet steeds worden geantwoord, ook wanneer de betrokken onderaannemer geen schuld heeft. Indien de plaatselijke Ontv. er kennis van heeft dat de onderaannemer ook nog op andere kantoren schulden kan hebben (bijvoorbeeld OV, BV, enz.), dient hij onmiddellijk een fotokopie van het hem toegezonden drukwerk C.II.2ter aan zijn betrokken collega's over te zenden en daarvan melding te maken in zijn antwoord aan de bijzondere Ontv. De berichten C.II.2ter moeten worden bewaard. Bij ontvangst van de inlichtingen betreffende de schulden, maakt de bijzondere Ontv. onmiddellijk de beschikbare fondsen over. Die Ontv. moet dan ook de betrokken onderaannemer inlichten over de aanwending van het ontvangen bedrag.

Nummer 406/22

Het ontvangen bedrag kan worden aangewend op al de schulden die bij de betaling ten name van de onderaannemer bestaan. Het moet dus gaan om ingekohierde belastingen, ingekohierde voorheffingen, met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen of aan de bron verschuldigde maar nog niet ingekohierde voorheffingen. Niet vereist is, dat de belastingen of voorheffingen reeds eisbaar zijn op het ogenblik van de betaling van de door de hoofdaannemer ingehouden bedragen. De gestorte sommen mogen daarentegen niet met toepassing van art. 406, WIB 92 worden aangewend op belastingen of voorheffingen die pas na de storting of overschrijving aan de bijzondere Ontv. verschuldigd worden. Voor die belastingen of voorheffingen moet de in nr. 406/26, Com.IB beschreven procedure gevolgd worden.

VI. TERUGBETALING VAN DE GESTORTE BEDRAGEN

Nummer 406/23

Ter uitvoering van art. 406, laatste lid, WIB 92 bepaalt art. 227quinquies, KB/WIB op welke wijze, onder welke voorwaarden en binnen welke termijn, de onderaannemer het gestorte bedrag terugkrijgt, voor zover het niet voor de gestelde doeleinden is aangewend.

Nummer 406/24

Om de terugbetaling te verkrijgen, moet de onderaannemer op wiens schuldvordering het overgemaakte bedrag is ingehouden, een aanvraag om teruggaaf indienen bij de in art. 227ter, KB/WIB bedoelde Ontv. De aanvraag om teruggaaf moet worden gedaan door middel van een formulier waarvan het model door de directeur-generaal van de directe belastingen werd vastgelegd.

Nummer 406/25

Gelet op art. 227quinquies, § 1, 2e lid, KB/WIB moet de aanvraag volgende gegevens bevatten:

- de naam, het adres en het BTW-nummer van diegene die de inhouding en de betaling heeft gedaan;

- de datum van de betaling;

- de datum, het nummer en het bedrag, exclusief BTW, van de factuur waarop de betaling betrekking had.

Nummer 406/26

De in art. 227ter, KB/WIB bedoelde Ontv. moet het door de hoofdaannemer ingehouden en gestorte bedrag, in de mate dat het niet wordt aangewend, uiterlijk binnen vier maanden vanaf de datum van de regelmatig ingediende aanvraag om teruggaaf aan de onderaannemer terugbetalen.

Nummer 406/27

Alhoewel de schulden waarop de gestorte bedragen kunnen worden aangewend, reeds aan de bijzondere Ontv. moeten worden medegedeeld naar aanleiding van het door deze laatste toe te sturen bericht (formulier C.II.2ter), dient de bijzondere Ontv. zodra hij een aanvraag tot teruggaaf ontvangt een nieuw bericht toe te zenden aan de Ontv. die belast zijn met de inning van de door de onderaannemer verschuldigde belastingen en voorheffingen. Op dat bericht moet de bijzondere Ontv. aanduiden op welke datum hij vermoedelijk tot de terugbetaling zal overgaan (einde van de termijn van vier maanden). Bedoeld bericht zal de plaatselijke Ontv. in staat stellen om, bij toepassing van art. 217bis, KB/WIB de sommen te vragen die nodig zijn voor de aanzuivering van de schulden die nog niet bestonden bij het beantwoorden van het eerste bericht.