Commentaar van art. 215, WIB 92

HOOFDSTUK III - Berekening van de belasting

Afdeling I - Gewoon stelsel van aanslag

Onderafdeling I - Belastingtarief

ART. 215, WIB 92

I. Wettekst

215/0

II. Algemeen

215/1-7

A. Principe

215/1

B. Afronden van het belastbaar resultaat

215/2

C. Afronden van de belasting

215/3

D. Minimumaanslagen

215/4

E. Bijzondere aanslagen

215/5

F. Belastbaar tijdperk van minder of meer dan 12 maanden

215/6

G. Bij verdrag vrijgestelde winst

215/7

III. Basistarief

215/8

IV. Verminderd basistarief

215/9-10

V. Van het verminderd basistarief uitgesloten vennootschappen

215/11-52

A. Bedoelde vennootschappen

215/11

B. Financiële vennootschappen

215/12-17

C. Vennootschappen waarvan de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen

215/18-27

D. Vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 % van het gestort kapitaal

215/28-40

E. Vennootschappen die niet een minimale bezoldiging toekennen

215/41-50

F. Vennootschappen die deel uitmaken van een groep waartoe een erkend coördinatiecentrum behoort

215/51

G. Vennootschappen waarvan het inkomen niet ten belope van ten minste 50 % wordt getrokken uit nijverheids-, handels- of landbouwactiviteiten

215/52

VI. Berekening van de aanslagen

215/53

I. WETTEKST

Nummer 215/0

Art. 215. - Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 39 pct.

Wanneer het belastbare inkomen niet meer dan 13.000.000 frank bedraagt, wordt de belasting evenwel als volgt vastgesteld :

1° op de schijf van 0 tot 1 miljoen frank : 28 pct.;

2° op de schijf van 1 miljoen frank tot 3.600.000 frank : 36 pct.;

3° op de schijf van 3.600.000 frank tot 13.000.000 frank : 41 pct.

Het tweede lid is niet van toepassing :

1° op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die deelnemingen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 pct., hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. In aanmerking komen de waarde van de deelnemingen en het bedrag van het gestorte kapitaal, de reserves en de meerwaarden op de dag waarop de vennootschap die de deelnemingen bezit haar jaarrekening heeft opgesteld. Om te bepalen of de grens van 50 pct. overschreden is, worden de actieve en vaste deelnemingen, die ten minste 75 pct. vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen;

2° op vennootschappen waarvan de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen en die geen door de Nationale raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen zijn;

3° op vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 pct. van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk;

4° op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één bestuurder of werkend vennoot een bezoldiging van ten minste 1.000.000 frank hebben toegekend;

5° op vennootschappen die deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als vermeld in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra ;

6° op vennootschappen waarvan het inkomen, vóór aftrek van de beroepskosten, niet ten belope van ten minste 50 pct. wordt getrokken uit nijverheids-, handels- of landbouwactiviteiten, die winst opbrengen als vermeld in artikel 24 [Vernietigd door het arrest nr. 89/94 van 14.12.1994 van het Arbitragehof].

Wat betreft de vennootschappen waarvan het belastbare inkomen minder dan 1.000.000 frank bedraagt, is het derde lid, 4°, niet van toepassing wanneer dat inkomen, verhoogd met de hoogste bezoldiging die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk aan één bestuurder of werkend vennoot wordt toegekend, ten minste 1.000.000 frank bedraagt en in zover deze bezoldiging hoger is dan of gelijk is aan dat belastbare inkomen [Heeft het voorwerp uitgemaakt van het arrest nr. 44/94 van 1.6.1994 van het Arbitragehof].

II. ALGEMEEN

A. PRINCIPE

Nummer 215/1

De in art. 215, WIB 92 bepaalde tarieven inzake Ven.B worden toegepast zonder onderscheid tussen de verschillende bestanddelen (reserves, verworpen uitgaven en uitgekeerde dividenden) van het belastbaar resultaat; m.a.w. er wordt een eenvormig tarief toegepast op het gehele resultaat, ongeacht de besteding ervan.

Op de in het vorige lid vermelde tarieven wordt, uitsluitend in het voordeel van de Staat, een aanvullende crisisbijdrage (ACB) van 3 opcentiemen gevestigd (art. 463bis, WIB 92).

B. AFRONDEN VAN HET BELASTBAAR RESULTAAT

Nummer 215/2

De belastbare grondslag wordt voor de berekening van de aanslagen in de Ven.B in franken vastgesteld; frankgedeelten worden voor een eenheid gerekend of weggelaten naargelang zij 50 centiem en meer, of minder dan 50 centiem bedragen (art. 134, KB/WIB 92).

C. AFRONDEN VAN DE BELASTING

Nummer 215/3

De verschillende aanslagen, met inbegrip van de ACB, worden bij elk onderdeel van de berekening in franken vastgesteld; frankgedeelten worden voor een eenheid gerekend of weggelaten naargelang ze 50 centiem en meer, of minder dan 50 centiem bedragen (art. 135, KB/WIB 92).

D. MINIMUMAANSLAGEN

Nummer 215/4

Aanslagen in de Ven.B worden niet ten kohiere gebracht wanneer zij na verrekening van de voorheffingen, VA en andere bestanddelen, met inbegrip van de ACB, geen 100 frank bedragen (art. 304, § 1, 2e lid, WIB 92) .

E. BIJZONDERE AANSLAGEN

Nummer 215/5

De sub 215/2 tot 4 bepaalde regels gelden ook voor de toepassing van de bijzondere aanslagen inzake Ven.B.

F. BELASTBAAR TIJDPERK VAN MINDER OF MEER DAN 12 MAANDEN

Nummer 215/6

De belastbare inkomsten moeten in geen geval fictief op een jaar worden gebracht (zie 360/3 en 360/23 tot 32).

G. BIJ VERDRAG VRIJGESTELDE WINST

Nummer 215/7

In tegenstelling met wat inzake PB is bepaald (art. 155, WIB 92), schrijft geen enkele bepaling inzake Ven.B voor dat met de krachtens dubbelbelastingverdragen vrijgestelde inkomsten rekening moet worden gehouden voor het vaststellen van het toepasselijke tarief.

III. BASISTARIEF

Nummer 215/8

Het tarief van de Ven.B bedraagt in beginsel 39 %. Het is van toepassing op het totale belastbare inkomen (bestaande uit reserves, verworpen uitgaven en belastbare dividenden) dat overblijft na toepassing van de aftrekkingen (ingevolge de art. 199 tot 207, WIB 92) en na afzondering van de in art. 519bis, WIB 92, bedoelde afzonderlijk te belasten meerwaarden.

Op de aldus vastgestelde Ven.B moet de in art. 463bis, WIB 92 bedoelde ACB van 3 opcentiemen worden gevestigd.

Dit tarief wordt eventueel verlaagd (overeenkomstig een verminderd basistarief) zoals verder is uiteengezet. Bovendien is ook een tariefvermindering van toepassing voor inkomsten van buitenlandse oorsprong (zie art. 217, WIB 92), terwijl voor bepaalde vennootschappen bijzondere tarieven gelden (zie art. 216, WIB 92).

IV. VERMINDERD BASISTARIEF

Nummer 215/9

Wanneer het belastbare inkomen niet meer bedraagt dan 13.000.000 F wordt de belasting, behalve voor de vennootschappen waarvan sprake is in 215/11 tot 52, als volgt vastgesteld :

1. op de schijf van 0 tot 1 miljoen F : 28 %;

2. op de schijf van 1 miljoen F tot 3.600.000 F: 36 %;

3. op de schijf van 3.600.000 F tot 13.000.000 F: 41 %.

De tegen het verminderd basistarief berekende Ven.B dient eveneens met de ACB te worden verhoogd.

Om te bepalen of, en in welke mate, het basistarief mag worden verminderd, moet het belastbare inkomen in aanmerking worden genomen dat overblijft na toepassing van de in de art. 199 tot 207, WIB 92, voorgeschreven aftrekkingen (er dient dus o.m. geen rekening te worden gehouden met de bij verdrag vrijgestelde winst) en na afzondering van de overeenkomstig art. 519bis, WIB 92, afzonderlijk te belasten meerwaarden.

V. VAN HET VERMINDERD BASISTARIEF UITGESLOTEN VENNOOTSCHAPPEN

A. BEDOELDE VENNOOTSCHAPPEN

Nummer 215/11

Ten einde, enerzijds het verminderd basistarief waarvan hiervoren sprake is, hoofdzakelijk aan de als vennootschap uitgebate kleine en middelgrote bedrijven (voor het merendeel familievennootschappen) voor te behouden en, anderzijds, pogingen tot belastingontwijking, die bestaan in het oneigenlijk gebruik van de vennootschapsvorm om zuiver fiscale redenen, tegen te gaan zijn bepaalde vennootschappen van dat verminderd basistarief uitgesloten.

Deze vennootschappen behoren tot de volgende categorieën :

a) de zogenaamde "financiële vennootschappen" (zie 215/12 tot 17);

b) vennootschappen (andere dan erkende CV) waarvan de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen (zie 215/18 tot 27);

c) de vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 % van het gestort kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk (zie 215/28 tot 40);

d) de vennootschappen (andere dan erkende CV), die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één bestuurder of werkend vennoot een minimale bezoldiging hebben toegekend (zie 215/41 tot 50);

e) de vennootschappen die de diensten van het erkende coördinatiecentrum van de groep waartoe zij behoren genieten (zie 215/51);

f) vennootschappen erkend als coördinatiecentrum overeenkomstig het KB nr. 187 van 30.12.1982;

g) vennootschappen erkend als onderneming in een tewerkstellingszone overeenkomstig het KB nr. 118 van 23.12.1982 [Voor de commentaar op deze maatregel wordt verwezen naar de circ. 29.11.93, nr. Ci.RH.421/439.244 (Bull. 733)];

h) beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal (BEVEK), beleggingsvennootschappen met vast kapitaal (BEVAK) en vennootschappen voor belegging in schuldvorderingen (VBS) resp. bedoeld in de art. 114, 118 en 119quinquies, W 4.12.1990.

Luidens art. 215, 3e lid, 6°, WIB 92, zijn ook de vennootschappen waarvan het inkomen, vóór aftrek van de beroepskosten, niet ten belope van ten minste 50 % wordt getrokken uit nijverheids, handels- of landbouwactiviteiten, die winst opbrengen als vermeld in art. 24, WIB 92, van het verminderd basistarief uitgesloten. Het Arbitragehof heeft deze bepaling evenwel vernietigd (zie 215/52).

B. FINANCIELE VENNOOTSCHAPPEN

1. Definitie

Nummer 215/12

Als "financiële vennootschappen" zijn te beschouwen, de vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende CV, die op de datum van afsluiting van de jaarrekening deelnemingen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 %, hetzij van de gerevaloriseerde waarde van het gestort kapitaal op dezelfde datum (in de zin van art. 2, § 6, WIB 92), hetzij van het op dezelfde datum gestort kapitaal (niet gerevaloriseerd), verhoogd met de werkelijk belaste reserves - met uitsluiting van de wettelijk vrijgestelde - en de geboekte (belaste of vrijgestelde) meerwaarden : het hoogste van deze twee bedragen moet in aanmerking worden genomen om de grens van 50 % te bepalen.

Om de verhouding van 50 % te bepalen moet dus rekening worden gehouden met de aangroei van de reserves tijdens het boekjaar.

Nummer 215/13

Om te bepalen of de grens van 50 % al dan niet overschreden is, worden de actieve en vaste deelnemingen, die ten minste 75 % vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven, niet in aanmerking genomen.

Die bepaling heeft o.m. tot doel de geïntegreerde bedrijven, waar de deelneming andere dan louter financiële aspecten vertoont, niet te schaden. Dergelijke financiële vennootschappen oefenen inderdaad in feite, via die overwegende deelnemingen een industriële bedrijvigheid uit en het is derhalve verantwoord ze met een nijverheidsonderneming gelijk te stellen.

De hier bedoelde actieve en vaste deelnemingen omvatten eveneens de tijdens het beschouwde boekjaar verworven deelnemingen.

2. Begrip "deelneming"

Nummer 215/14

Onder "deelnemingen" in de zin van art. 215, 3e lid, 1°, WIB 92, worden aandelen verstaan.

Dienaangaande moet geen enkel onderscheid worden gemaakt tussen de effecten die op boekhoudkundig vlak zijn in te delen bij de "Financiële vaste activa" en die welke voorkomen onder de "Geldbeleggingen".

Nummer 215/15

Voor de toepassing van de 50 %-grens moet ook rekening worden gehouden met de aandelen van beleggingsvennootschappen.

Anderzijds heeft het hof van beroep te Bergen in een arrest van 20.10.1989 beslist dat de aandelen die deel uitmaken van gemeenschappelijke beleggingsfondsen in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van het toenmalige artikel 113, § 2, WIB, zoals het bestond vóór het werd opgeheven, en dat het begrip "financiële vennootschap" omschreef. Daaruit volgt dat het gedeelte van de oorspronkelijke aanschaffingsprijs van het recht van deelneming, dat aandelen vertegenwoordigt op de datum van afsluiting van het boekjaar van de vennootschap die dat recht van deelneming bezit, in aanmerking moet worden genomen om de voormelde grens te berekenen (PV nr. 683 van 13.9.1993, gesteld door Volksv. de Clippele, Bull. 735).

3. Beleggingswaarde

Nummer 215/16

Onder de beleggingswaarde van de deelnemingen wordt de oorspronkelijke aanschaffingsprijs verstaan, met uitsluiting van de belaste meerwaarden, en van de aangenomen waardeverminderingen, die zouden geboekt zijn.

4. Gestort kapitaal

Nummer 215/17

Inzake de draagwijdte van het begrip "gestort kapitaal" wordt verwezen naar de commentaar op de art. 2, § 5 en 184, WIB 92.

C. VENNOOTSCHAPPEN WAARVAN DE AANDELEN DIE HET MAATSCHAPPELIJK KAPITAAL VERTEGENWOORDIGEN VOOR TEN MINSTE DE HELFT IN HET BEZIT ZIJN VAN EEN OF MEER ANDERE VENNOOTSCHAPPEN

1. Principe

Nummer 215/18

In het algemeen zijn hier vennootschappen bedoeld die de aard hebben van dochter- of zustervennootschappen van andere (industriële of financiële) vennootschappen, omdat hun maatschappelijk kapitaal voor ten minste 50 % in het bezit is van andere vennootschappen.

Deze maatregel heeft voornamelijk ten doel te vermijden dat bepaalde vennootschappen zich zouden splitsen met de uitsluitende bedoeling het verminderd basistarief te kunnen genieten.

Te noteren dat ook deze uitsluiting niet geldt voor door de Nationale raad van de coöperatie erkende CV.

Nummer 215/19

Voor het bepalen van die grens moet rekening worden gehouden met de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen en die in volle eigendom en in blote eigendom aan andere vennootschappen toebehoren. Aandelen waarvan niet de eigendom doch slechts het vruchtgebruik aan vennootschappen toebehoort, moeten buiten beschouwing worden gelaten (PV nr. 363 van 15.7.1983, gesteld door Volksv. Ansoms, Bull. 623).

Nummer 215/20

Om vast te stellen of de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van de te belasten vennootschap al of niet ten minste voor de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen, moet geen rekening worden gehouden met de aandelen in handen van rechtspersonen die belastingplichtig zijn volgens art. 220, WIB 92 of van verenigingen die geen rechtspersoonlijkheid naar Belgisch of buitenlands privaat- of publiekrecht bezitten.

Voorbeeld :

Het kapitaal van een NV is vertegenwoordigd door 10.000 aandelen die in het bezit zijn van :

- een binnenlandse vennootschap : 4.000;

- een in art. 220, WIB 92, bedoelde rechtspersoon : 3.500;

- natuurlijke personen : 2.500.

De NV in kwestie kan het verminderd basistarief genieten aangezien de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen voor minder dan 50 % in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen (4.000/10.000 = 40 %).

Nummer 215/21

Voor zover aan de andere in art. 215, WIB 92 gestelde voorwaarden is voldaan, zijn de volgens het gemeen recht aan de Ven.B onderworpen belastingplichtigen zonder eigenlijk maatschappelijk kapitaal, zoals sommige overheidsinstellingen, VZW, onderlinge maatschappijen, enz., niet uitgesloten van het verminderd basistarief.

2. Controlemaatregelen

Nummer 215/22

Om uit te maken of de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van een vennootschap voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen, dient in de eerste plaats te worden gesteund op de gegevens die daaromtrent in het belastingdossier voorhanden zijn.

Nummer 215/23

Wat personenvennootschappen betreft, zullen in dat verband weinig problemen rijzen, omdat hun vennoten bij naam bekend zijn (register van de vennoten).

Nummer 215/24

Wat de kapitaalvennootschappen betreft, liggen de zaken evenwel anders, daar hun aandelen meestal aan toonder zijn.

Wanneer in dergelijke vennootschappen buitenlandse belangen vertegenwoordigd zijn, kan ter zake worden gesteund :

- op de fiches die zich ter controle bevinden en die ter uitvoering van nr. 10/05, Com. Ov., zijn aangelegd;

- op de gegevens die zich in het belastingdossier bevinden ingevolge de aanvragen (formulieren nr. 276 div.) die buitenlandse belastingplichtigen hebben ingediend om, op grond van de door België gesloten dubbelbelastingverdragen, vermindering van RV te verkrijgen op de dividenden, enz., die uit binnenlandse vennootschappen zijn verkregen (zie Com. Ov., hoofdstuk 10).

Verder kan de lijst van de aanwezige aandeelhouders op de gewone en buitengewone algemene vergaderingen ten deze ook soms nuttige aanwijzingen verstrekken.

Nummer 215/25

Wanneer bepaalde gegevens in het belastingdossier erop wijzen dat een vennootschap in het verleden wel als zuster- of dochtervennootschap bekend was, dient de taxatieambtenaar, vooraleer de toepassing van het verminderd basistarief te weigeren, te onderzoeken of die gegevens nog met de werkelijkheid overeenstemmen, door b.v. daaromtrent inlichtingen (zoals de datum van verkoop, afstand, enz.) in te winnen bij zijn collega die voor de regeling van de belastingtoestand van de vermoede deelhebbende vennootschappen bevoegd is en die dus normaal kennis heeft van de samenstelling van en de fluctuaties in de portefeuille waarover deze laatste vennootschappen beschikken. Bij ontstentenis van voldoende gegevens, behoort het nadere inlichtingen te vragen aan de vennootschap die voor het verminderd basistarief in aanmerking komt.

Nummer 215/26

Indien echter geen zekerheid kan worden verkregen omtrent de vraag of de aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van een vennootschap voor ten minste de helft in het bezit van andere vennootschappen zijn, mag om die reden het verminderd basistarief inzake Ven.B niet zonder meer worden geweigerd.

De taxatieambtenaren dienen echter de toepassing van het verminderd basistarief bondig te verantwoorden. Dit kan gebeuren door middel van een in het belastingdossier te plaatsen nota waarin wordt aangetoond dat de hierboven voorgeschreven navorsingen met de nodige ernst verricht zijn.

Nummer 215/27

Naar analogie van wat geldt voor de financiële vennootschappen (zie 215/12 tot 17) moet, om te bepalen of de voormelde aandelen voor ten minste de helft in het bezit zijn van één of meer andere vennootschappen, rekening worden gehouden met de toestand zoals die zich in de vennootschap, welke voor het verminderd basistarief in aanmerking kan komen, voordoet op de datum van de afsluiting van het boekjaar waarvan de resultaten als basis voor de aanslag dienen.

D. VENNOOTSCHAPPEN WAARVAN DE DIVIDENDUITKERING HOGER IS DAN 13 % VAN HET GESTORTE KAPITAAL

1. Principe

Nummer 215/28

Van de verminderde tarieven worden eveneens uitgesloten de vennootschappen waarvan de dividenduitkering hoger is dan 13 % van het gestort kapitaal bij het begin van het belastbare tijdperk.

Nummer 215/29

Deze bepaling is in beginsel eveneens van toepassing voor vennootschappen die vanaf 1.1.1990 in vereffening zijn gesteld, met dien verstande dat, om uit te maken of de dividenduitkering al dan niet hoger is dan 13 % van het gestort kapitaal, rekening moet worden gehouden met :

- eensdeels de bedragen die op grond van art. 209, eerste lid, WIB 92, als uitgekeerd dividend worden aangemerkt;

- anderdeels het gestort kapitaal dat, mede gelet op de bepalingen van art. 209, tweede lid, WIB 92, bij het begin van het belastbare tijdperk nog niet is of nog niet geacht wordt te zijn terugbetaald (PV nr. 260 van 26.1.1993, gesteld door Sen. Capoen - Bull. 728).

2. Uitgekeerde dividenden

Nummer 215/30

Inzake de draagwijdte van het begrip "uitgekeerde dividenden" kan worden verwezen naar de commentaar op de art. 18 en 185, WIB 92. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat onder de "uitgekeerde dividenden" eveneens de dividenden worden beoogd die onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen uit de belastbare winst worden gesloten (AFV-dividenden en dividenden uitgekeerd door vennootschappen in een reconversiezone of door innovatievennootschappen).

Nummer 215/31

De uitgekeerde winsten bedoeld in art. 126, derde lid, c, WIB(thans de dividenduitkering bedoeld in art. 215, derde lid, 3°, WIB 92) omvatten in beginsel alle uitgekeerde winsten, ook al zijn zij afkomstig van voorheen belaste reserves (Cass. 10.3.1995, NV Szapinsky).

Nummer 215/32

De aandacht wordt gevestigd op de bepalingen van art. 261, WIB 92, luidens welke, niettegenstaande elk daarmee strijdig beding, de RV op de belastbare inkomsten moet worden ingehouden. Indien vennootschappen in strijd met die bepaling de RV op de uitgekeerde dividenden geheel of gedeeltelijk ten laste nemen, moet die RV voor de toepassing van art. 215, WIB 92, aan de uitgekeerde dividenden worden toegevoegd.

Voormelde principes gelden eveneens indien een vennootschap een aangifte in de RV indient waarin de op de uitgekeerde dividenden toegepaste aanslagvoet op 20,6, 13,39 of 0 % wordt vastgesteld en nadien blijkt dat deze tarieven, om welke reden dan ook, ten onrechte werden toegepast, en de uitkerende vennootschap het verschil tussen de verschuldigde RV en voormelde tarieven werkelijk ten laste neemt (zie in dezelfde zin PV nr. 431 van 30.1.1990, gesteld door Volksv. Vangansbeke, Bull. 696).

Ook in het geval interesten, waarop RV werd ingehouden, ingevolge de toepassing van art. 18, eerste lid, 3°, WIB 92, als dividenden moeten worden geherkwalificeerd en de vennootschap het verschil tussen de verschuldigde RV en de ingehouden RV werkelijk ten laste neemt, moet in dezelfde zin worden gehandeld.

3. Gestort kapitaal

Nummer 215/33

Voor het begrip "gestort kapitaal" kan worden verwezen naar 215/17 hiervoor. Luidens de uitdrukkelijke bepalingen van art. 215, 3e lid, 3°, WIB 92, wordt voor het ter zake in aanmerking te nemen gestort kapitaal, niet in de mogelijkheid voorzien tot revalorisatie overeenkomstig art. 2, § 6, WIB 92 (zie in dezelfde zin PV nr. 341 van 11.7.1986, gesteld door Senator Bourgois, Bull. 658).

Nummer 215/34

In dit verband wordt opgemerkt dat rentegevende voorschotten die door vennoten, enz., aan personenvennootschappen werden toegestaan, ongeacht of de interest al dan niet met dividenden wordt gelijkgesteld, met ingang van het aj. 1993 niet meer als gestort kapitaal kunnen worden aangemerkt.

Daaruit volgt dat vanaf hetzelfde aj. de voormelde voorschotten buiten beschouwing moeten worden gelaten om, voor het bepalen van het toepasselijke tarief van de Ven.B, na te gaan of de dividenduitkering al dan niet hoger is dan 13 % van het gestort kapitaal.

Nummer 215/35

Voor het bepalen van het bedrag van het gestort kapitaal, moet rekening worden gehouden met de toestand die zich in de vennootschap voordoet bij het begin van het boekjaar waarvan de resultaten als basis voor de aanslag dienen.

4. Voorbeelden

Voorbeeld 1

Nummer 215/36

Het gestort kapitaal van een NV die per kalenderjaar boekhoudt bedraagt 10.000.000 F op 1.1.1993.

Uit de winst van het boekjaar 1993 wordt een dividend gedecreteerd van 1.500.000 F.

Het vergoedingspercentage van het kapitaal bedraagt 1.500.000/10.000.000 of 15 % zodat de vennootschap van het verminderd basistarief is uitgesloten.

Voorbeeld 2

Nummer 215/37

Zoals in voorbeeld 1, doch bij een kapitaalverhoging in 1992 werd door de aandeelhouders een uitgiftepremie gestort van 2.000.000 F.

Het vergoedingspercentage bedraagt 1.500.000/12.000.000 of 12,5 % zodat de vennootschap uit dien hoofde niet van het verminderd basistarief is uitgesloten.

Voorbeeld 3

Nummer 215/38

Het kapitaal op 1.1.1994 van een NV die boekhoudt per kalenderjaar bedraagt 18.000.000 F en is als volgt tot stand gekomen:

- storting 1959 : 10.000.000 F

- verhoging door incorporatie van belaste en vrijgestelde reserves in 1970 : + 9.000.000 F

- vermindering door terugbetaling in 1976 (er was uitdrukkelijk bepaald dat de terugbetaling moest worden aangerekend op het gestort kapitaal) : - 4.000.000 F

- kapitaalverhoging in 1982 (gestort) : + 3.000.000 F

Totaal : 18.000.000 F

Door de algemene vergadering werd voor het boekjaar 1994 een dividend van 1.200.000 F aan de aandeelhouders toegekend waarvan 150.000 F is vrijgesteld ingevolge art. 2, KB nr. 15 van 9.3.1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigheid in Belgische vennootschappen.

Het gestort kapitaal moet worden bepaald op 10.000.000 F - 4.000.000 F + 3.000.000 F of 9.000.000 F.

Het vergoedingspercentage bedraagt derhalve 1.200.000/9.000.000 of 13,33 % zodat de vennootschap van het verminderd basistarief is uitgesloten.

Voorbeeld 4

Nummer 215/39

Idem als in voorbeeld 3, doch naar aanleiding van de kapitaalverhoging werd door de aandeelhouders in 1982 een uitgiftepremie gestort van 4.500.000 F die blijvend op de rekening "uitgiftepremie" werd geboekt.

In dit geval bedraagt het vergoedingspercentage 1.200.000/13.500.000 of 8,89 % en is de vennootschap uit dien hoofde niet uitgesloten van het verminderd basistarief.

Voorbeeld 5

Nummer 215/40

Het gestort kapitaal van een BVBA bedraagt 5.000.000 F op 1.1.1993. Bovendien heeft een vennoot van de vennootschap sinds 1.3.1991 aan de vennootschap een rentegevend voorschot toegestaan van 2.000.000 F, waarop jaarlijks op 1.3 contractueel een interest verschuldigd is van 12 %.

Op 1.3.1993 wordt 240.000 F interest uitbetaald waarop door de vennootschap 10 % RV wordt ingehouden. Deze interest wordt, bij toepassing van art. 18, eerste lid, 3°, WIB 92, ten bedrage van 50.000 F als dividend geherkwalificeerd. De vennootschap beslist de aanvullende RV ten laste te nemen.

Berekening van de aanvullende RV :

- als dividend geherkwalificeerde interest : 50.000 F

- ingehouden RV (10%) : - 5.000 F

- nettodividend : 45.000 F

- berekeningsgrondslag van de RV : 45.000 x100 = 60.000 F

75

- verschuldigde RV : 60.000 x 25 % = 15.000 F

- ingehouden RV : - 5.000 F

- bij te betalen : 10.000 F

Daarnaast wordt bij de verwerking van de resultaten van het boekjaar 1993 aan de aandeelhouders een (bruto)dividend van 600.000 F toegekend.

De uitgekeerde dividenden (met inbegrip van de ten laste genomen RV) bedragen dan 600.000 F + 50.000 F + 10.000 F (zie 215/32) of 660.000 F. Het in aanmerking te nemen gestort kapitaal bedraagt 5.000.000 F (zie ook 215/34).

Het vergoedingspercentage bedraagt derhalve 660.000/5.000.000 of 13,2 %, zodat de vennootschap voor het aj. 1994 van het verminderd basistarief is uitgesloten.

E. VENNOOTSCHAPPEN DIE NIET EEN MINIMALE BEZOLDIGING TOEKENNEN

Historiek

Nummer 215/41

Het ontwerp van wet houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen voorzag in de aanvulling van art. 215, 3e lid, WIB 92, met een maatregel die ertoe strekte de vennootschappen, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één bestuurder of werkend vennoot een bezoldiging van ten minste 1.000.000 F zouden toekennen, van het verminderd tarief uit te sluiten (zie Memorie van toelichting, Kamer, gewone zitting 1992-1993, stuk 717/1, blz. 51).

Evenwel heeft het amendement nr. 106 ingediend door de heer LANGENDRIES en consoorten (Verslag namens de Commissie van Financiën, Kamer, gewone zitting 1992-1993, stuk 717/5, blz. 83) in bedoeld art. 215, WIB 92 een 4e lid ingevoegd, waardoor de in het vorige lid bedoelde uitsluiting niet van toepassing was op de vennootschappen met een belastbaar inkomen (na de 6e bewerking) van minder dan 1.000.000 F :

- op voorwaarde dat de som van het belastbare inkomen en van de hoogste bezoldiging die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk aan één bestuurder of werkend vennoot wordt toegekend, ten minste 1.000.000 F bedraagt;

- en voor zover die bezoldiging hoger dan of gelijk is aan dat belastbare inkomen.

Nummer 215/42

Het Arbitragehof heeft echter in zijn arrest nr. 44/94 van 1.6.1994, art. 10, W 28.12.1992 vernietigd, voor zover het aan art. 215, WIB 92, toegevoegde 4e lid het voordeel van de bepaling die het bevat, doet afhangen van de voorwaarde dat "het belastbare inkomen (...), verhoogd met de hoogste bezoldiging die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk aan één bestuurder of werkend vennoot wordt toegekend, ten minste 1.000.000 frank bedraagt".

M.a.w. dit arrest vernietigt de in 215/41, tweede lid, 1e gedachtenstreepje vermelde voorwaarde.

Hieruit volgt dat in beginsel in aanmerking komen voor de toepassing van het verminderd basistarief de vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende CV, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk aan ten minste één bestuurder of werkend vennoot een bezoldiging hebben toegekend die hoger is dan of gelijk aan :

- ofwel 1.000.000 F;

- ofwel het belastbare inkomen van de vennootschap.

1. Bedoelde vennootschappen

Nummer 215/43

Bedoeld zijn de in art. 179, WIB 92, vermelde binnenlandse vennootschappen, met uitzondering van de door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen.

2. In aanmerking te nemen bezoldigingen

Nummer 215/44

In onderhavig geval moeten de in de art. 32 of 33, WIB 92 vermelde bezoldigingen in aanmerking worden genomen, d.w.z. alle beloningen die voor de verkrijger, hetzij de opbrengst zijn van zijn opdracht of taak als bestuurder of vereffenaar of van een soortgelijke functie in een kapitaalvennootschap, hetzij de opbrengst zijn van zijn beroepswerkzaamheid als werkend vennoot in een personenvennootschap.

Het gaat bijgevolg om de brutobezoldigingen :

- vóór aftrek van de ingehouden sociale lasten (met dien verstande dat de werkgeversbijdrage geen bezoldiging uitmaakt);

- verhoogd met de door de verkrijger verschuldigde sociale lasten die door de vennootschap ten laste zijn genomen;

- vermeerderd met de voordelen van alle aard die zijn verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid;

- met inbegrip van de in het laatste lid van de art. 32 en 33, WIB 92, bedoelde huurprijs en huurvoordelen (zie PV nr. 593 van 18.1.1994, gesteld door de H. Sen. Suykerbuyk - Bull. 739).

Nummer 215/45

Hieruit volgt inzonderheid dat de inkomsten van advocaten en architecten, bestuurders van kapitaalvennootschappen, die niettemin als baten van vrije beroepen als bedoeld in art. 27, WIB 92, moeten worden beschouwd (zie 32/6), niet door deze maatregel zijn beoogd.

Wanneer daarentegen een bestuurder of werkend vennoot ten laste van het resultaat van een vennootschap commissielonen ontvangt die door middel van facturen zijn aangerekend, en voor zover deze commissielonen terecht zijn belast als bezoldigingen van bestuurder of werkend vennoot, kunnen zij in aanmerking worden genomen om te bepalen of de grens is bereikt. De vraag of deze commissielonen dergelijke bezoldigingen vormen hangt af van de feitelijke omstandigheden eigen aan elk geval (zie PV nr. 534 van 8.11.1993, gesteld door Sen. Dalem - Bull. 736).

Nummer 215/46

De bepalingen van art. 215, derde lid, 4°, WIB 92, betreffen uitsluitend de bezoldigingen die worden toegekend aan de bestuurders of werkende vennoten die natuurlijke personen zijn, zodat geen rekening kan worden gehouden met de aan een vennootschap-bestuurster toegekende bedragen (zie PV nr. 329 van 25.3.1993, gesteld door Sen. Dalem - Bull. 730).

De personenvennootschappen die geen bezoldigingen toekennen aan ten minste één werkend vennoot zijn van de verminderde tarieven uitgesloten (zie PV nr. 514 van 7.4.1993, gesteld door Volksv. Bertrand - Bull. 730).

Om uit te maken of de grens al dan niet is overschreden, moet geen rekening worden gehouden met het feit dat het boekjaar korter of langer is dan één jaar (zie PV nr. 647 van 28.2.1994, gesteld door Sen. Dalem - Bull. 740).

3. Minimumbedrag van de bezoldigingen

Nummer 215/47

Om het verminderd basistarief te genieten, moet de betrokken vennootschap, in beginsel, ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk aan ten minste één bestuurder of werkend vennoot een bezoldiging van ten minste 1.000.000 F toekennen.

Wanneer het belastbare inkomen van de vennootschap evenwel lager is dan 1.000.000 F, volstaat het in feite dat de hoogste bezoldiging ten minste gelijk is aan dat belastbare inkomen.

Nummer 215/48

M.b.t. de in aanmerking te nemen bezoldigingen wordt het volgende verduidelijkt :

- "aan ten minste één bestuurder of werkend vennoot" impliceert eensdeels dat de aan de bestuurders of werkende vennoten toegekende bezoldigingen niet kunnen gecumuleerd worden om de grens van 1.000.000 F te bereiken en anderdeels, dat niet is vereist dat elke bestuurder of vennoot een bezoldiging van ten minste 1.000.000 F geniet;

- "ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk" houdt in dat het loutere feit dat de bezoldigingen zouden worden opgenomen langs het debet van de rekening-courant onvoldoende is; daarentegen moet wel rekening worden gehouden met de bezoldigingen die zijn toegekend naar aanleiding van de bestemming van het resultaat van het belastbare tijdperk, t.t.z. inzonderheid de aan de bestuurders toegekende tantièmes; wat de voordelen van alle aard betreft (zie 215/44), deze mogen in aanmerking worden genomen, zelfs wanneer hun toekenning gepaard gaat met een "gebrek aan inkomsten" waardoor zij in feite niet daadwerkelijk ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk kunnen worden gelegd.

4. Voorbeelden

Nummer 215/49

De hiernavolgende tabel illustreert enkele situaties die zich kunnen voordoen.

Hoogste bezoldiging

Belastbaar inkomen van de vennootschap

Toepasbaarheid van de verminderde tarieven

1.000.000 F

6.000.000 F

Ja

1.000.000 F

600.000 F

Ja

200.000 F

600.000 F

Neen

200.000 F

100.000 F

Ja

0 F

10.000 F

Neen

5. Opmerking

Nummer 215/50

Om te bepalen of het verminderd basistarief van toepassing is, moet rekening worden gehouden met zowel de toegekende bezoldigingen als de belastbare winst van de vennootschap, zoals die zijn vastgesteld na onderzoek van de aangifte.

F. VENNOOTSCHAPPEN DIE DEEL UITMAKEN VAN EEN GROEP WAARTOE EEN ERKEND COORDINATIECENTRUM BEHOORT

Nummer 215/51

Ingevolge de bepalingen van art. 215,3e lid, 5°, WIB 92, is het verminderd basistarief in de Ven.B voorbehouden aan vennootschappen die geen deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als bedoeld in het KB nr. 187 van 30.12.1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra.

Die bepaling moet aldus worden begrepen dat de betrokken vennootschappen niet de diensten van een erkend coördinatiecentrum mogen genieten. Deze regel is dezelfde als die welke geldt voor de toepassing van art. 201, 1e lid, 1°, WIB 92, inzake investeringsaftrek (zie commentaar op art. 199, WIB 92).

G. VENNOOTSCHAPPEN WAARVAN HET INKOMEN NIET TEN BELOPE VAN TEN MINSTE 50 % WORDT GETROKKEN UIT NIJVERHEIDS-, HANDELS- OF LANDBOUWACTIVITEITEN

Nummer 215/52

Het arrest nr. 89/94 van 14.12.94 van het Arbitragehof heeft de bepalingen van art. 6, W 22.7.1993, houdende fiscale en financiële bepalingen (waardoor art. 215, 3e lid, WIB 92, met een 6° werd aangevuld) en art. 23, §§ 1 en 7 van diezelfde wet (inz. m.b.t. de inwerkingtreding van de voormelde aanvulling) in zoverre dit betrekking heeft op het voormelde artikel, vernietigd.

Die bepalingen sloten, met ingang van het aj. 1994, de vennootschappen waarvan het inkomen vóór aftrek van de beroepskosten, niet ten belope van ten minste 50 % wordt getrokken uit nijverheids-, handels- of landbouwactiviteiten, die winst opbrengen als vermeld in art. 24, WIB 92, uit van het verminderd basistarief inzake Ven.B.

Ingevolge het voormelde arrest van het Arbitragehof en in de huidige stand van de wetgeving, kunnen deze vennootschappen, op grond van deze vernietigde bepaling, niet worden uitgesloten van het verminderd basistarief.

VI. BEREKENING VAN DE AANSLAGEN

Nummer 215/53

Onderstaande voorbeelden verduidelijken de wijze waarop, rekening houdend met de hiervoor uiteengezette regelen, de Ven.B, met inbegrip van de ACB, moet worden berekend.

In die voorbeelden wordt onder belastbaar inkomen verstaan, het saldo dat overblijft na toepassing van de aftrekkingen ingevolge de art. 199 tot 207, WIB 92, waarbij verondersteld wordt dat er geen inkomsten zijn uit landen zonder verdrag, t.t.z."tegen verlaagd tarief belastbare winst" - art. 217, WIB 92.

Voorbeeld 1

Gegevens

De belastbare winst van een NV bedraagt 20.000.000 F.

Berekening

Ven.B : 20.000.000 x 39 % = 7.800.000 F

ACB : 7.800.000 x 3 % = 234.000 F

Totaal : 8.034.000 F

Voorbeeld 2

Gegevens

De belastbare winst van een NV die niet is uitgesloten van het verminderd basistarief, bedraagt 800.000 F.

Berekening

Ven.B : 800.000 x 28 % = 224.000 F

ACB : 224.000 x 3 % = 6.720 F

Totaal : 230.720 F

Voorbeeld 3

Gegevens

Als in voorbeeld 2, maar de winst bedraagt 1.600.000 F.

Berekening

Ven.B :

1.000.000 x 28 % = 280.000 F

600.000 x 36 % = 216.000 F

496.000 F

ACB : 496.000 x 3 % = 14.880 F

Totaal : 510.880 F

Voorbeeld 4

Gegevens

Als in voorbeeld 2, maar de winst bedraagt 4.000.000 F.

Berekening

Ven.B :

1.000.000 x 28 % = 280.000 F

2.600.000 x 36 % = 936.000 F

400.000 x 41 % = 164.000 F

1.380.000 F

ACB : 1.380.000 x 3 % = 41.400 F

Totaal : 1.421.400 F

Voorbeeld 5

Gegevens

Als in voorbeeld 2, met dien verstande dat het gaat om een vennootschap die is uitgesloten van het verminderd basistarief.

Berekening

Ven.B : 800.000 x 39 % = 312.000 F

ACB : 312.000 x 3 % = 9.360 F

Totaal : 321.360 F

Laatste in aanmerking genomen bepaling : W 22.7.1993.