Commentaar van art. 342, WIB 92

Art. 342, WIB 92

I. WETTEKST

342/0

II. TAXATIE BIJ VERGELIJKING

342/1-30

A. Algemeen

342/1-3

B. Belastbare grondslag

342/4

C. Gebrek aan bewijskrachtige gegevens

342/5-7

D. Soortgelijke belastingplichtigen

342/8-14

E. Aantal soortgelijke belastingplichtigen

342/15

F. Basisgegevens van de vergelijking

342/16-25

G. Praktische uitvoering van de vergelijking

342/26

H. Nota 276 A

342/27

I. Identificatie van soortgelijke belastingplichtigen - beroepsgeheim

342/28-29

J. Door de belastingplichtige te leveren tegenbewijs

342/30

III. FORFAITAIRE GRONDSLAGEN VAN AANSLAG

342/31-55

A. Algemeen

342/31

B. Indienen van de aanvragen

342/32

C. Toepassing van de forfaitaire grondslagen

342/33-42

D. Landbouwbedrijven

342/43-53

E. Aanwenden van andere taxatiemethodes

342/54

F. Gegevens voor de vergelijking

342/55

IV. COLLECTIEVE AKKOORDEN INZAKE BEROEPSKOSTEN

342/56-78

A. Algemeen

342/56

B. Advocaten

342/57-62

C. Gerechtsdeurwaarders

342/63-70

D. Exploitanten van automatische ontspanningstoestellen

342/71-75

E. Zelfstandige opvangmoeders

342/76-78

V. MINIMUMWINST DIE BELASTBAAR IS TEN NAME VAN VREEMDE FIRMA'S DIE IN BELGIE WERKZAAM ZIJN

342/79-93

A. KB/WIB 92

342/79

B. Algemeen

342/80-87

C. Ondernemingen die hun fiscale woonplaats in een land hebben waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten

342/88

D. Buitenlandse verzekeringsondernemingen

342/89-91

E. Aankoopkantoren

342/92

F. Aankoopagenten

342/93

I. WETTEKST

Nummer 342/0

Art. 342. - § 1. Bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, worden de in artikel 23, § 1, 1° en 2° vermelde winst of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen.

De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen.

De in vorig lid bedoelde forfaitaire grondslagen van aanslag mogen vastgesteld worden voor drie opeenvolgende aanslagjaren.

De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisaties, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd op vaste bedragen taxeren.

§ 2. De Koning bepaalt, met inachtneming van de in § 1, eerste lid, vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn.

II. TAXATIE BIJ VERGELIJKING

A. ALGEMEEN

Nummer 342/1

De raming van de inkomsten door vergelijking is een bewijsvoering door vermoedens, waarin de belastingwet uitdrukkelijk voorziet (zie 340/38 en 39).

Het betreft derhalve een bijzonder bewijsmiddel, bestaande uit een wettelijk vermoeden (Cass., 20.2.1968, PVBA Tegelfabriek R.G. Rosseau, Pas. 1968, I, 775).

Nummer 342/2

Het wettelijk vermoeden, ingesteld bij art. 342, WIB 92, kan slechts worden aangewend om de belastbare grondslag zelf te bepalen voor zover aan de in dat artikel gestelde toepassingsvoorwaarden voldaan is (zie Cass., 25.2.1982, Gorissen, Pas. 1982, I, 779, Bull. 624, blz. 210) en niet om een gegeven vast te stellen dat dient om die grondslag te bepalen.

Nummer 342/3

De rechter kan, in het kader van het wettelijk vermoeden van art. 342, WIB 92, slechts oordelen of de toepassingsvoorwaarden van die bepaling zijn nageleefd (ontbreken van bewijskrachtige bescheiden, aantal en soortgelijkheid van de vergelijkingspunten, normaal karakter van de winst of baten van soortgelijke belastingplichtigen).

Wanneer alle voorwaarden en toepassingsregelen van art. 342, WIB 92 zijn nageleefd moet de rechter zich gedragen naar het principe en de waarde van het wettelijk vermoeden. Ter zake wordt door het Opperste Gerechtshof opgemerkt dat, door toe te staan dat de winst of baten van een belastingplichtige worden bepaald door vergelijking met die van soortgelijke belastingplichtigen zonder de administratie in dat geval van het haar opgelegde beroepsgeheim te ontheffen, art. 342, WIB 92, impliciet voorschrijft het bestaan van de door de administratie als vergelijkingspunten ingeroepen niet-geïdentificeerde belastingplichtigen en de juistheid van de door de administratie over die belastingplichtigen verschafte inlichtingen als bewezen te beschouwen (Cass., 20.2.1986, Degauquier, Bull. 658, blz. 361).

Inzake de voorwaarden van art. 342, WIB 92, is gevonnist dat :

- het gaat om het gebrek aan bewijskrachtige gegevens of de onregelmatigheid van de documenten opgemaakt ter staving van de aangifte;

- het moet gaan om in art. 23, § 1, 1° en 2°, WIB 92, vermelde winst of baten;

- de vergelijking moet betrekking hebben op de "normale" winst of baten van 3 soortgelijke belastingplichtigen;

- de gemiddelde winstmarge wordt aangepast aan de toestand van de belastingplichtige (Bergen, 22.4.1990, H.L., Bull. 714, blz. 863).

B. BELASTBARE GRONDSLAG

Nummer 342/4

Onder "belastbare grondslag" moet worden verstaan het bedrag van de in art. 23, § 1, 1° of 2°, WIB 92, bedoelde winst of baten.

Er is gevonnist dat :

- door op de totale kostprijs van de door de belastingplichtige verkochte koopwaren de bruto-winstmarge toe te passen die voor elk van de betwiste aanslagjaren door andere belastingplichtigen met een soortgelijke activiteit is behaald, de administratie, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens vanwege de belastingplichtige, de brutowinst van die aanslagjaren door vergelijking heeft bepaald; hierdoor heeft de administratie aan de hand van de vergelijking niet een gegeven dat tot de vaststelling van de belastbare grondslag dient, maar de belastbare grondslag zelf bepaald (Cass., 20.2.1986, Degauquier, Bull. 658, blz. 361);

- wanneer de administratie gebruik maakt van de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen om een bestanddeel van de belastbare grondslag vast te stellen, met name een deel van de bruto-baten die een dierenarts heeft behaald uit chirurgische ingrepen, raadplegingen, enz., ze de belastbare grondslag zelf vaststelt, en niet een bestanddeel dat zal dienen voor de latere vaststelling van de grondslag, zelfs indien de bruto-baten nog zouden worden verhoogd met door de belastingplichtige aangegeven of aanvaarde bestanddelen, zoals baten uit inentingen en vaccinaties (Cass., 30.4.1987, Collard, Bull. 667, blz. 2495);

- de administratie, na het gebrek aan een bewijskrachtige boekhouding te hebben vastgesteld, de belastbare grondslag heeft bepaald bij vergelijking met gelijksoortige belastingplichtigen, en dit met inachtneming van de voornaamste sectoren van de onderneming - in het onderworpen geval een garage, nl. : verkoop van voertuigen, onderdelen, brandstoffen, smeermiddelen en arbeidsloon - hetgeen niet alleen een doelmatiger en realistischer vergelijking mogelijk maakt, maar eveneens het risico beperkt van onnauwkeurigheid en willekeur, dat kan voorkomen indien art. 342, WIB 92 niet voldoende nauwgezet en geïndividualiseerd wordt toegepast; door zo te handelen de administratie het principe van het gezegde artikel niet heeft miskend, namelijk dat het moet slaan op de belastbare basis zelf, en niet op de elementen ter bepaling ervan (Luik, 30.3.1988, R.A., Bull. 678, blz. 2029);

- het bepalen van de belastbare inkomsten door vergelijking met de bruto- of semi-bruto-winst van soortgelijke belastingplichtigen niet door art. 342, WIB 92, is uitgesloten, artikel dat niet vereist dat het nettobedrag van de inkomsten wordt bepaald door verwijzing naar het nettobedrag van de inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen, maar dat oplegt naar het geval rekening te houden met concrete en bekende gegevens om de voor het bepalen van de belastbare winst bij de wet ingestelde wijze aan de eigen bijzonderheden van het geval aan te passen (Cass., 27.3.1962, Vajda, Pas. 1962, I, 832, Bull. 391, blz. 1900; id. 28.1.1982, Descamps, Bull. 624, blz. 185). Om die reden werd tevens gevonnist dat, door de belastbare grondslag van de beroepsinkomsten van de belastingplichtige te bepalen door de kostprijs van de door hem gedane aankopen te vermenigvuldigen met brutowinstpercentages afgeleid uit die toegepast door 3 soortgelijke belastingplichtigen waarmee werd vergeleken en door van het op die wijze verkregen produkt de niet betwiste beroepskosten af te trekken, de administratie, conform art. 342, WIB 92, de in art. 23, § 1, 1°, WIB 92, vermelde winst van de belastingplichtige heeft vastgesteld en geen vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen heeft gemaakt die enkel strekte tot bewijs van een element dat dienstig was ter bepaling van de belastbare grondslag (Cass., 17.3.1989, Ch. Kestens, Bull. 693, blz. 989).

De rechtspraak is daarentegen van oordeel dat de hiernavolgende gegevens niet de grondslag zelf uitmaken, maar dienen voor het vaststellen ervan (wat inhoudt dat ze niet bij vergelijking kunnen worden vastgesteld) :

- de omvang of de waarde van een goederenvoorraad bij de aanvang of op het einde van het belastbare tijdperk (Cass., 4.12.1962, Nieuwe Vennootschap der Etablissementen Talpe, Pas. 1963, I, 418, Bull. 403, blz. 2623);

- de werkelijkheid en het bedrag van de beroepsverliezen (Cass., 14.1.1958, NV Van der Eecken, Pas. 1958, I, 500, Bull. 340, blz. 98; id., 21.2.1974, Dubrucq, Pas. 1974, I, 651, Bull. 529, blz. 750);

- het bedrag van de aftrekbare beroepskosten (Cass., 13.10.1970, Brialmont, Bull. 490, blz. 1943; id., 23.10.1975, Monsieur, Pas. 1976, I, 240) of het beroepskarakter daarvan (Cass., 6.10.1964, Depuydt, Pas. 1965, I, 122);

- de dagelijkse bruto-ontvangsten van automatische ontspanningstoestellen (Cass., 25.2.1982, Frémont NV, Bull. 624, blz. 203);

- de hoeveelheid eindprodukten bestemd voor de verkoop in verhouding tot de hoeveelheid aangewende grondstoffen (in casu het aantal porties friet per kilogram aardappelen) (Cass., 14.6.1985, V.F., Bull. 650, blz. 975).

C. GEBREK AAN BEWIJSKRACHTIGE GEGEVENS

Nummer 342/5

Of de belastingplichtige handelaar, industrieel, landbouwer of beoefenaar van een vrij beroep, ambt of post is, de administratie mag slechts tot de taxatie bij vergelijking overgaan op voorwaarde dat ze het gebrek aan bewijskrachtige gegevens bewijst of dat ze door een der bewijsmiddelen die haar ter beschikking zijn gesteld, aantoont dat de door de belastingplichtige voorgelegde gegevens niet bewijskrachtig zijn.

Evenwel wordt erop aangedrongen dat de administratie om dit laatste bewijs te leveren in geen geval mag steunen op de uitslag van een vergelijking volgens art. 342, WIB 92 (Cass., 12.11.1980, Toussaint, Pas. 1981, I, 302, Bull. 602, blz. 264).

Anderzijds moet bedoeld bewijs vóór de taxatie worden geleverd en kan de administratie in een later stadium van de vestiging van de aanslag (bezwaar, beroep) het gebrek aan bewijskrachtige gegevens niet aantonen zonder een onwettigheid te begaan.

Nummer 342/6

Ter zake wordt verwezen :

- met betrekking tot de boekhouding van handelaars, naar 340/6 tot 340/30;

- met betrekking tot de boekhouding van beoefenaars van een vrij beroep, naar 340/33 tot 340/35.

Nummer 342/7

Wanneer een belastingplichtige een boekhouding voert kan, in beginsel, het enige feit dat de uit de geschriften blijkende winstmarge lager is dan die welke uit de aangiften van soortgelijke belastingplichtigen blijkt, geen voldoende reden tot verwerping van de boekhouding zijn.

In dergelijk geval moet het tussen de werkelijke winstmarge en de normale winstmarge bestaande verschil kunnen worden gerechtvaardigd door de in de boekhouding gedane vaststellingen (zie PV nr 69 van Parisis, van 1.3.1955, Bull.VA Kamer, zitting 1954-1955, blz. 456-457) (in dezelfde zin : 340/29).

D. SOORTGELIJKE BELASTINGPLICHTIGEN

Nummer 342/8

Art. 342, § 1, WIB 92, verplicht tot vergelijking met "soortgelijke belastingplichtigen".

1. Wanneer is er soortgelijkheid ?

Nummer 342/9

Dienaangaande is gevonnist :

- dat het, om soortgelijk te zijn, voldoende is dat er nopens sommige punten en in sommige opzichten overeenkomst bestaat en vergelijking mogelijk is, daar de wet niet de identiteit van exploitatie vereist (Luik, 8.7.1953, Engelmann, Bull. 297, blz. 453);

- dat de wet geen volstrekte gelijkheid vereist die, in de praktijk, omzeggens nooit voorkomt; men kan ermee volstaan de aangegeven inkomsten te vergelijken met die van belastingplichtigen die een beroep van dezelfde aard uitoefenen en de verhouding te bewaren tussen de belangrijkheid van de vergeleken inkomsten en die van de aangenomen vergelijkingspunten (Brussel, 4.1.1954, Szezucki, Bull. 303, blz. 232; Luik, 13.7.1954, Lhermitte, Bull. 308, blz. 433; Cass., 5.6.1962, Bourgeois, Bull. 395, blz. 665);

- dat de wet de vergelijking oplegt met soortgelijke bedrijven en niet met bedrijven die in soortgelijke omstandigheden worden geëxploiteerd, al schrijft zij niettemin voor dat "volgens het geval" rekening moet worden gehouden met de in art. 342, WIB 92, bedoelde bijzonderheden (Cass., 4.1.1955, Sampermans, Pas. 1955, I, 447); dat hieruit volgt dat de administratie, met inachtneming van de eigen bijzonderheden van het geval, gerechtigd is de aanslag op een hogere basis te vestigen dan die van de soortgelijke belastingplichtigen wier winst als vergelijkingspunt heeft gediend (Cass., 14.2.1956, Deschamps, Bull. 324, blz. 171);

- dat art. 342, WIB 92, niet de vergelijking oplegt met bedrijven die in dezelfde omstandigheden worden geëxploiteerd, doch wel de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen die hun bedrijf op verschillende manieren kunnen uitbaten; dat zulks uitdrukkelijk blijkt uit de tekst die voorschrijft, naar het geval, de verschillende exploitatievoorwaarden in aanmerking te nemen (Cass., 18.2.1958, Suttor, weduwe Couvreur en consoorten, Bull. 341, blz. 142);

- dat het, voor een wettelijke toepassing van art. 342, WIB 92, voldoende is dat de vergelijking gebeurt met belastingplichtigen die bedrijven van dezelfde soort exploiteren die voldoende punten van gelijkenis vertonen (Cass., 13.1.1959, Vercammen, Bull. 351, blz. 131; 29.10.1963, Deltour, Bull. 414, blz. 2884; 15.9.1964, André-Delsemme, Bull. 421, blz. 1437);

- dat de wet de vergelijking voorschrijft met de normale inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen en, niet noodzakelijk, met die van belastingplichtigen die in identieke voorwaarden verkeren; om de belastbare grondslag bij toepassing van art. 342, WIB 92, vast te stellen, moet een zekere vrijheid van beoordeling worden gelaten, daar de winst van de soortgelijke belastingplichtigen noodzakelijk sommige bestanddelen bevatten die verschillen van de winstbestanddelen die bij de belastingplichtige zijn bevonden; dat het genoemde artikel eveneens voorschrijft, naar het geval, rekening te houden met de bijzonderheden die het opsomt, bijzonderheden die door de rechter soeverein in feite worden beoordeeld (Cass., 26.3.1963, Claeys, Bull. 412, blz. 2086); dat die beginselen eveneens gelden wanneer de belastbare grondslag wordt vastgesteld bij vergelijking met de nettowinstmarges van soortgelijke belastingplichtigen (Cass., 24.1.1961, Brabants, Bull. 378, blz. 1421);

- dat art. 342, WIB 92, niet voorschrijft dat de als vergelijkingspunt gekozen belastingplichtige in dezelfde koopwaar, en nog veel minder in dezelfde artikelen als de belastingplichtige zelf, handel zou drijven; dat het evenmin vereist dat de als vergelijkingspunt gekozen belastingplichtige eenzelfde brutowinst zou hebben behaald of alleen handel zou drijven in koopwaren die dezelfde brutowinst opleveren (Cass., 29.10.1963, Deltour, Bull. 414, blz. 2884);

- dat de vaststelling van de belastbare grondslag overeenkomstig art. 342, WIB 92, een zekere vrijheid onderstelt, daar de winst van de soortgelijke belastingplichtigen noodzakelijk verschillen vertoont. Dat artikel schrijft de vergelijking voor met soortgelijke en niet met in identieke omstandigheden geëxploiteerde ondernemingen en het bepaalt dat, volgens het geval, rekening moet worden gehouden met de bijzonderheden welke het opsomt (Cass., 24.1.1961, Brabants, Bull. 378, blz. 1421; id., 6.11.1962, NV Etn. Billiet en Cie, Bull. 402, blz. 2302; id., 16.11.1965, NV De Vierklaver, Bull. 436, blz. 1915);

- dat de rechtsvorm of het statuut van de onderling vergeleken belastingplichtigen geen rol speelt. Art. 342, WIB 92, vereist slechts dat belastbare werkzaamheden objectief worden vergeleken, ongeacht door welke rechtspersoon deze worden uitgeoefend (Brussel, 2.2.1988, CV Coöperatieve Producenten Federatie, Bull. 677, blz. 1896).

2. Verschillende winstmarges

Nummer 342/10

Uit de enkele omstandigheid dat de vergelijkingspunten verschillende percenten van brutowinst ten opzichte van hun inkopen doen uitkomen, vloeit niet voort dat de vergelijkingspunten niet gelijksoortig zijn (Cass., 30.3.1965, PVBA "Relais du Comte Jean", Bull. 427, blz. 240).

De feitenrechter heeft soeverein in feite kunnen oordelen dat de vergelijkingspunten soortgelijk zijn en heeft daaruit afgeleid dat, gelet op die soortgelijkheid, het gemiddelde van de vergeleken winst de meeste waarborg bood (Cass., 30.3.1965, PVBA "Relais du Comte Jean", Bull. 427, blz. 240).

De feitenrechter is niet verplicht de factoren nader te bepalen die het verschil van de brutowinstmarges rechtvaardigen; hij moet evenmin aantonen dat de belastingplichtige in betere omstandigheden heeft geëxploiteerd dan de vergelijkingspunten waarvan de winstmarges ofwel gelijk zijn aan ofwel lager zijn dan die welke door hem worden aangegeven. Het bepalen van de belastbare inkomsten bij vergelijking sluit inderdaad niet in zich dat de administratie voor de vaststelling van de belastbare grondslag niet mag steunen op een hogere winstmarge dan die welke voor enkele van de vergelijkingspunten werd aangenomen (Cass., 18.10.1966, Defour, Bull. 447, blz. 2124).

3. Belastingplichtigen die verscheidene beroepswerkzaamheden uitoefenen

Nummer 342/11

Er werd gevonnist :

- dat de administratie rekening mag houden met de beoordelingselementen die ze bij verschillende handels- en nijverheidsbedrijven inwint, wanneer het onmogelijk is voor de vergelijking van art. 342, WIB 92, belastingplichtigen te vinden die gelijktijdig dezelfde werkzaamheden uitoefenen als de te belasten belastingplichtige (Luik, 30.1.1953, Depraeter); het feit dat iemand een drievoudige bedrijvigheid uitoefent, belet immers niet dat hij, voor ieder van zijn drie werkzaamheden een belastingplichtige is soortgelijk aan degenen die slechts één van die werkzaamheden uitoefenen (Cass., 9.2.1954, Depraeter, Pas. 1954, I, 514);

- dat geen enkele bepaling verbiedt de belastbare winst van de belastingplichtigen die tegelijkertijd verscheidene beroepswerkzaamheden uitoefenen te bepalen door vergelijking met de normale winst en baten van soortgelijke belastingplichtigen (Cass., 20.5.1958, Piron, Bull. 344, blz. 345);

- dat, om de belastbare winst te bepalen van een belastingplichtige die verschillende handelsactiviteiten uitoefent, de administratie, wanneer niemand in de omgeving een dergelijke veelvuldige werkzaamheid uitoefent, als vergelijkingspunten de inkomsten mag nemen van belastingplichtigen die ieder één van die werkzaamheden uitoefenen (Cass., 24.11.1959, De Haes, Pas. 1960, I, 364);

- dat het niet verboden is op de vergelijking te steunen om het resultaat van één enkele tak van werkzaamheid van een belastingplichtige te bepalen.

De vergelijking blijft geldig wanneer de administratie tijdens het onderzoek de brutowinst wijzigt, om met de bijzonderheden van de exploitatie rekening te houden (Brussel, 27.1.1965, Brigmanne).

4. Belastingplichtigen die handel drijven in verschillende waren

Nummer 342/12

Wanneer de belastingplichtige handel drijft in produkten van uiteenlopende aard die in onderscheiden handelszaken zouden kunnen worden verhandeld, hoeft de aanslagambtenaar die de vergelijkingsmethode toepast, de winst niet uit te splitsen die op elke soort van produkten betrekking heeft, noch de vergelijking te beperken tot de inkomsten van belastingplichtigen die een handel zouden drijven in alle waren die de belastingplichtige in zijn handelszaak verhandelt (Cass., 10.1.1956, Gillot, Pas. 1956, I, 443).

5. Belastingplichtigen die hun geschriften afsluiten op een andere datum dan de soortgelijke belastingplichtigen

Nummer 342/13

Er blijkt noch uit art. 342, WIB 92, noch uit enige andere wettelijke bepaling dat de soortgelijke belastingplichtigen slechts degenen mogen zijn wier in aanmerking te nemen beroepswerkzaamheid werd uitgeoefend gedurende gans de duur van het tijdperk waarin de belastingplichtige de belastbare winst of baten verkreeg; aldus mag het feit dat de belastingplichtige, in tegenstelling met zijn concurrenten, zijn geschriften afsluit op een andere datum dan deze laatsten, geen hinderpaal vormen voor de vergelijking (Cass., 3.2.1959, Ramis, Pas. 1959, I, 568; id., 17.1.1961, VGN Entreprises Foulon, Bull. 379, blz. 1620).

6. Varia

Nummer 342/14

De procedure van art. 342, WIB 92, onderstelt dat de belastbare winst van een bepaalde persoon, voor een belastbaar tijdperk, wordt vastgesteld bij vergelijking met die welke voor hetzelfde tijdperk door soortgelijke belastingplichtigen zijn behaald. Aan de bewijskracht van het vermoeden, gehecht aan de vergelijking, is immers niet voldaan wanneer de vergeleken inkomsten geen betrekking hebben op hetzelfde aanslagjaar (Luik, 18.1.1955, Defays).

Evenwel belet het eenjarigheidsbeginsel van de belasting niet dat de bedrijfsresultaten van de betrokken belastingplichtige zelf over een vroeger of later jaar dan datgene dat wordt onderzocht, in aanmerking zouden worden genomen als bij art. 342, WIB 92 bedoelde "alle andere nuttige inlichtingen" (Cass., 25.9.1981, De Sutter).

In dezelfde gedachtengang is nog gevonnist dat noch het eenjarigheidsbeginsel, noch art. 342, WIB 92, beletten dat de administratie het resultaat van een vergelijking zou verminderen door rekening te houden met andere nuttige inlichtingen, zoals het feitelijke vermoeden dat blijkt uit het onderzoek van vorige aanslagjaren van de betrokken belastingplichtige (Brussel, 31.5.1976, SV Pharmacies Coopératives Bruxelloises in vereffening, Bull. 556, blz. 2185).

E. AANTAL SOORTGELIJKE BELASTINGPLICHTIGEN

Nummer 342/15

Art. 342, WIB 92, bepaalt dat de vergelijking moet betrekking hebben op de normale winst en baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen.

F. BASISGEGEVENS VAN DE VERGELIJKING

1. Algemeen

Nummer 342/16

De ontstentenis van bewijskrachtige gegevens verstrekt door de belastingplichtige, kan de administratie niet ontheffen van de verplichting de aanslag te steunen op concrete gegevens en ten minste op die welke in art. 342, WIB 92, zijn opgesomd. Elke aanslag die niet aan dergelijke vereiste voldoet, is willekeurig en bijgevolg onwettelijk (Brussel, 23.2.1944, "Société Cinétave"; Luik, 11.3.1944, Reynders).

Nummer 342/17

Wordt de vergelijkingsprocedure aangewend, dan is het nodig dat de vermoedelijke winst of baten werkelijk steunen op de vergelijking van sommige gegevens, geput uit de aangifte of ingewonnen naar aanleiding van een onderzoek, met de gegevens van dezelfde aard betreffende soortgelijke belastingplichtigen. De aanslagambtenaar mag noch eigenmachtig, noch willekeurig te werk gaan en hij moet ervoor zorgen dat zijn aanslagen op een veilige en beredeneerde techniek gegrond zijn.

In dit verband heeft hij de volgende verplichtingen :

1° de soortgelijke belastingplichtigen, die als referentie in aanmerking komen, oordeelkundig kiezen;

2° de winst vaststellen door een rationele vergelijking te maken van alle gegevens die een overwegende invloed hebben op de opbrengsten, met de gegevens betreffende de soortgelijke belastingplichtigen en daarbij letten, volgens het geval, op de eigen omstandigheden van de uitoefening van het beroep;

3° een behoorlijk ingevuld drukwerk 276 A aan het aanslagdossier toevoegen (zie hierna).

Alleen een overeenkomstig die richtsnoeren uitgevoerde vergelijking voldoet aan de vereisten van de wet; ze sluit het bewijs in zich dat de belaste inkomsten een normaal karakter hebben.

2. Rechtspraak

Nummer 342/18

De Hoven hebben tal van arresten gewezen omtrent de gegevens die bij de vergelijking kunnen dienen. Ze strekken ertoe, de regels van die keuze vast te leggen, zodanig dat de toestanden waarmee men het geval van een belastingplichtige vergelijkt degelijk overeenstemmen en in de hoogst mogelijke mate verwantschap vertonen, met inachtneming van de in art. 342, WIB 92, opgesomde produktiviteitscriteria.

Nummer 342/19

De gegevens tot vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen die in art. 342, WIB 92, zijn opgesomd, blijken louter tot voorbeeld te strekken, zoals mag worden afgeleid uit de termen van die wetsbepaling : "volgens het geval", en "alsmede van alle andere nuttige inlichtingen" (Cass., 4.3.1952, Dotremont, Pas. 1952, I, 410).

Nummer 342/20

Die gegevens moeten geenszins worden samengevoegd en mogen zelfs afzonderlijk in aanmerking worden genomen (Brussel, 23.6.1952, Duchâteau).

Nummer 342/21

De administratie mag slechts rekening houden met alle nuttige inlichtingen die zich tot het vaststellen van de belastbare winst lenen, zoals uitdrukkelijk is bepaald in art. 342, WIB 92; aldus is het voor de administratie niet mogelijk de belastbare winst van een kunstschilder te bepalen naar de normale winst van soortgelijke belastingplichtigen. De waarde van een schilderij hangt inderdaad uitsluitend af van omstandigheden die aan de kunstschilder eigen zijn : zijn talent, zijn faam, de smaak van het publiek, de publiciteit, enz. (Brussel, 21.11.1950, Sterck).

Nummer 342/22

Noch art. 342, WIB 92, noch enige andere wettelijke bepaling sluit van de vergelijkingspunten de inkomsten uit van soortgelijke belastingplichtigen wier aanslag op een geraamd bedrag is gevestigd ingevolge een bericht van wijziging of een aanslag van ambtswege mits zij geen aanleiding hebben gegeven tot een bezwaarschrift in de vormen en termijnen bij de wet bepaald (Cass., 25.10.1955, Quinet, Pas. 1956, I, 172; id., 11.10.1956, Hariga, Pas. 1957, I, 129).

Daarentegen past het niet als vergelijkingspunten belastingplichtigen te kiezen waarvan de aanslag op het ogenblik van de vergelijking wordt betwist.

Nummer 342/23

De beslissing is naar recht verantwoord wanneer het arrest dat, op eisers verweer dat hij niet was ingelicht nopens de wijze waarop de als vergelijkingspunten in aanmerking genomen inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen werden gevestigd en berekend, antwoordt dat de belastingplichtige die bij vergelijking wordt aangeslagen de inkomsten van de als vergelijkingspunten gekozen soortgelijke belastingplichtigen niet mag betwisten en evenmin de wijze waarop die inkomsten zijn vastgesteld (Cass., 28.1.1982, Descamps, Bull. 624, blz. 185).

Nummer 342/24

Wanneer een landbouwer verzuimt het juiste bedrag van de winst uit zijn landbouwbedrijf door middel van een boekhouding of bewijskrachtige gegevens te staven, mag de administratie die winst forfaitair bepalen volgens een schaal die ze heeft opgemaakt met inachtneming van het gemiddelde rendement van de oogsten, van de opbrengst van de tot de veestapel behorende dieren en van de in de verschillende streken van de provincie bepaalde prijzen zomede van de diverse beroepskosten (Luik, 16.1.1942, Dethise, Bull. 171, blz. 144).

Evenzo, is de administratie, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens en zelfs indien de betrokkene de toepassing van de in overleg met de beroepsgroeperingen opgestelde forfaitaire grondslagen niet heeft aangenomen, gemachtigd om de aanslag van een belastingplichtige te vestigen op een inkomen, dat overeenkomstig die grondslagen werd vastgesteld; die handelwijze is een bijzondere toepassing van het algemene beginsel van de taxatie bij vergelijking, die door art. 342, WIB 92, werd ingesteld (Cass., 18.12.1956, Leonard, Pas. 1957, I, 422) (zie eveneens 342/39).

Nummer 342/25

De economische waarde van een prestatie wordt normaal weergegeven door het voor die prestatie uitbetaalde loon. De winstmarge kan dan ook worden bepaald rekening houdend met het gezamenlijke bedrag van de uitbetaalde lonen, zonder onderscheid te maken tussen de geschoolde en niet geschoolde werkkrachten, vermits het tekort aan rendement en de mindere bezoldiging tegen elkaar opwegen (Gent, 28.11.1951, Tige).

G. PRAKTISCHE UITVOERING VAN DE VERGELIJKING

Nummer 342/26

Art. 342, WIB 92, maakt het mogelijk de inkomsten vast te stellen met inachtneming van de normale winst of baten van tenminste drie soortgelijke belastingplichtigen, maar preciseert niet hoe de vergelijking praktisch moet worden uitgevoerd.

Dienomtrent is inzonderheid gevonnist :

- dat het bedrag van de belastbare grondslag wettelijk kan worden bepaald op het gemiddelde van de normale inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen die oordeelkundig werden uitgekozen (Cass., 18.10.1966, Consoorten Defour, Pas. 1967, I, 233);

- dat, hoewel art. 342, WIB 92, oplegt de winst van de belastingplichtige te vergelijken met de normale winst van soortgelijke belastingplichtigen, die verplichting toch de mogelijkheid niet uitsluit om, bij die vergelijking, het gemiddelde van die normale winst in aanmerking te nemen in zover dit gemiddelde verantwoord is (Cass., 26.11.1968, Defour André en Defour Géral, Pas. 1969, I, 303, Bull. 468, blz. 1770);

- dat, wanneer de administratie de aanslag vaststelt aan de hand van drie vergelijkingspunten en tussen de drie in aanmerking genomen coëfficiënten slechts een gering verschil bestaat, zij, ver van het gemiddelde van de coëfficiënten te moeten bepalen, zich kan beroepen op het vergelijkingspunt dat het best overeenstemt met de omstandigheden waarin verzoeker zijn beroepswerkzaamheid uitoefent (Luik, 24.6.1971, Fraipont, Bull. 499, blz. 1423).

H. NOTA 276 A

Nummer 342/27

Om aan te tonen dat de vergelijkingsmethode oordeelkundig werd toegepast, voegt de Hfd.cr. bij het aanslagdossier een omstandige nota (model 276 A), waarin voor ieder van de als vergelijkingspunt in aanmerking genomen belastingplichtigen, de criteria en gegevens worden vermeld die de soortgelijkheid in de uitoefening van het beroep, de handel of de nijverheid, aantonen.

De voor- en de keerzijde van het drukwerk 276 A moet behoorlijk zijn ingevuld, ten einde het Hof van beroep, in geval van voorziening, in staat te stellen zijn controle met kennis van zaken uit te oefenen.

I. IDENTIFICATIE VAN SOORTGELIJKE BELASTINGPLICHTIGEN - BEROEPSGEHEIM

Nummer 342/28

De waarde van het vermoeden dat de wet aan de vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen toekent is niet afhankelijk van de identificatie van die belastingplichtigen en de administratie moet de identiteit van deze laatsten niet kenbaar maken (zie ook 342/3, 2e lid; Cass., 20.2.1986, Degauqier, Bull. 658, blz. 361).

Deze rechtspraak is bovendien gegrond op de bepalingen van art. 337, WIB 92, die aan de ambtenaren en beambten de volstrekte geheimhouding opleggen aangaande de winst van de belastingplichtigen.

Nummer 342/29

Er is eveneens gevonnist :

- dat de Hfd.cr. zijn vergelijkingspunten niet aan de belastingplichtige mag mededelen (Cass., 17.11.1953, Chenot, 2 arresten, Pas. 1954, I, 219);

- dat de belastingplichtige niet kan eisen dat de aanslagdossiers van de soortgelijke belastingplichtigen waarmee hij is vergeleken, bij het debat worden overgelegd (Luik, 14.4.1972, Marx, Bull. 509, blz. 1421).

J. DOOR DE BELASTINGPLICHTIGE TE LEVEREN TEGENBEWIJS

Nummer 342/30

Gevonnist dat :

- wanneer de administratie de belastbare winst bij vergelijking met de normale inkomsten van soortgelijke belastingplichtigen heeft bepaald, de belastingplichtige positieve en controleerbare gegevens moet aanbrengen om dit bewijs te weerleggen; die gegevens moeten echter niet uitsluitend uit zijn eigen handelsbedrijf worden geput (Cass., 5.6.1962, Bourgeois, Bull. 395, blz. 665);

- als de administratie, bij toepassing van art. 342, WIB 92, regelmatig het bewijs heeft geleverd dat de wet haar oplegt, de belastingplichtige dit bewijs niet kan ontzenuwen door, eenvoudig te beweren dat hij de bij ministeriële besluiten vastgestelde prijzen in acht heeft genomen; hij moet te dien einde positieve en controleerbare gegevens voorleggen (Luik, 21.11.1952, Déré; 20.2.1952, Keil, en id., 27.2.1952, Bayet);

- de betrokkene tevergeefs zou doen gelden dat hij, wegens de prijsreglementering, niet in staat zou geweest zijn de door de administratie toegepaste brutowinstmarge te behalen, daar dezelfde reglementering voor de soortgelijke belastingplichtigen bestond (Brussel, 27.11.1952, Wathelet).

III. FORFAITAIRE GRONDSLAGEN VAN AANSLAG

A. ALGEMEEN

Nummer 342/31

Art. 342, WIB 92, stelt de administratie in staat, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen vast te stellen voor de aanslag van belastingplichtigen die geen voldoende rekeningen houden.

B. INDIENEN VAN DE AANVRAGEN

Nummer 342/32

De besprekingen met de beroepsgroeperingen met het oog op het vaststellen van forfaitaire grondslagen van aanslag worden op aanvraag van die groeperingen aangeknoopt; deze moeten uiterlijk op 1 februari van het jaar volgend op datgene waarin de winst is behaald, gedetailleerde en becijferde voorstellen bij de Gew.dir. der directe belastingen indienen of, wanneer ook forfaitaire grondslagen worden vastgesteld inzake BTW, bij het Secretariaat van het College belast met het onderzoek der forfaits (Rijksadministratief Centrum, Financietoren, Kruidtuinlaan 50, bus 39, 1010 Brussel) of bij het Hoofdbestuur der directe belastingen (Rijksadministratief Centrum, Financietoren, Kruidtuinlaan 50, bus 32, 1010 Brussel).

In dit opzicht mag het niet ontgaan dat art. 342, WIB 92, voor de administratie een mogelijkheid en niet een verplichting heeft ingesteld de forfaitaire grondslagen van aanslag in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen vast te stellen (Cass., 8.7.1946, Dequidt, Pas. 1946, I, 290).

C. TOEPASSING VAN DE FORFAITAIRE GRONDSLAGEN

1. Gebrek aan bewijskrachtige gegevens

Nummer 342/33

Uit de tekst van art. 342, WIB 92, blijkt dat alleen bij gebreke van bewijskrachtige gegevens geleverd, hetzij door de belastingplichtige, hetzij door de administratie, de bepaling van de belastbare winst geschiedt naar de normale winst van soortgelijke belastingplichtigen en dat, voor deze bepaling, de administratie, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag mag vaststellen (Cass., 29.11.1943, Druart, Bull. 194, blz. 95).

De werkelijkheid en het bedrag van een beroepsverlies bedoeld in art. 23, § 2, 1e lid, 2°, WIB 92, kan evenwel niet worden bewezen aan de hand van forfaitaire grondslagen van aanslag.

Nummer 342/34

In de praktijk bepalen de met de beroepsgroeperingen gesloten akkoorden dat de taxatieambtenaar de toepassing van het forfait mag weigeren :

- indien hij in staat is te bewijzen dat de werkelijke winst aanzienlijk hoger is dan de forfaitair bepaalde winst;

- indien hij vaststelt, hetzij dat de belastingplichtige de bescheiden die inzake BTW voor verrichtingen met betrekking tot zijn beroepswerkzaamheden zijn voorgeschreven, niet geëist of uitgereikt heeft, hetzij dat de betrokkene zijn verplichtingen inzake het houden van boeken en bescheiden niet is nagekomen;

- en tevens, wat de landbouwers betreft, ingeval van niet overlegging van het berekeningsblad of van een analoog, eventueel met een computer opgesteld document.

2. Normaal uitgeoefend beroep

Nummer 342/35

De toepassing van een forfaitaire grondslag van aanslag vereist niet dat bij de berekening van die grondslag al dezelfde gegevens zouden voorhanden zijn als die welke zich voordoen in de verschillende gevallen waarin die grondslag in aanmerking wordt genomen (Cass., 18.12.1962, Baeckelandt, Bull. 404, blz. 75).

Het forfaitair stelsel mag nochtans niet worden gebruikt voor de belastingplichtigen die hun bedrijvigheid kennelijk niet onder normale omstandigheden uitoefenen. Anders handelen zou er op neerkomen het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid te miskennen.

Indien de belastingplichtige beweert dat hij zich in uitzonderlijk ongunstige exploitatievoorwaarden bevindt, moet hij dat aantonen, zoniet bestaat er geen reden om voor hem van de forfaitaire grondslag van aanslag af te wijken, (Cass., 18.12.1962, Baeckelandt, Bull. 404, blz. 75).

Er werd eveneens gevonnist dat men van de overeenkomstig de wet in overleg met de beroepsgroeperingen opgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag slechts mag afwijken ingeval de belastingplichtige positieve en controleerbare gegevens, tegen het forfait in, voorlegt waaruit de uitzonderlijke exploitatievoorwaarden blijken (Cass., 25.9.1956, Laurent, Pas. 1957, I, 53; 23.10.1956, Dooms, Pas. 1957, I, 181; 3.2.1966, Galloo, Bull. 438, blz. 223).

3. Integrale toepassing van het forfait

Nummer 342/36

Een forfait vormt een geheel en aan de belastingplichtigen mag niet worden toegestaan, naar eigen goeddunken, één van de gegevens die hen aangaan, te aanvaarden en volledig of gedeeltelijk die te verwerpen welke hun het minst voordelig voorkomen (Gent, 5.6.1951, Iserbyt).

Nummer 342/37

Belastingplichtigen die in hun aangifte de forfaitaire aanslag verkiezen drukken, door het feit zelf, hun wil uit in te stemmen met de gezamenlijke toepassingsregelen van de in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen vastgestelde forfaitaire grondslag van aanslag.

Bij het opstellen van de modaliteiten betreffende de forfaitaire berekening van de winst, is het wel verstaan dat de belastingplichtigen die op basis van forfaitaire grondslagen van aanslag wensen te worden belast, dit stelsel in zijn geheel dienen te aanvaarden. Die belastingplichtigen mogen dus geen aanspraak maken op de vermindering van dit forfaitair bedrag wegens verliezen of beroepskosten, andere dan die waarvan de aftrek, mits behoorlijke verantwoording, uitdrukkelijk buiten het forfait werd toegestaan.

De belastingplichtigen die oordelen dat zij de aanslag overeenkomstig de forfaitaire grondslagen in hun geheel genomen, niet kunnen aanvaarden, moeten, onder controle van de administratie, het bedrag vaststellen en aangeven van de door hen werkelijk behaalde winst (zie 342/35).

Nummer 342/38

Indien de gegevens van het forfait niet kunnen worden behouden wanneer het tegenbewijs wordt geleverd, kan dit laatste natuurlijk slechts slaan op al de grondslagen van aanslag zonder onderscheid, zowel die van het actief als van het passief.

Door aanvoering te zijnen bate van een gunstiger tarief, b.v. de berekening van de werkelijke kosten van de exploitatie en niet meer een forfait, legt de verzoeker zichzelf de verplichting op door middel van bewijskrachtige gegevens (art. 342, WIB 92) het werkelijke bedrag van zijn beroepsinkomsten vast te stellen (Luik, 6.6.1951, Pieraerts, Bull. 270, blz. 292).

4. Belastingplichtigen die geen lid zijn van een beroepsgroepering

Nummer 342/39

De administratie mag het forfait toepassen op de belastingplichtigen die geen lid zijn van de betrokken beroepsgroepering en het niet eens zijn met de grondslagen van dat forfait (Gent, 27.3.1962, Goudenhooft). Inderdaad, de aanslag volgens de forfaitaire grondslag is een bijzondere toepassing van de taxatie bij vergelijking ingesteld door art. 342, WIB 92, en de toestemming van de belastingplichtige nopens een wettelijke wijze van taxatie is door de wet niet vereist (Cass., 18.12.1956, Leonard, Pas. 1957, I, 422) (zie 342/24).

5. Verificatie van de aangiften

Nummer 342/40

De toepassing van de percenten of de eenheidswinstcijfers zou tot onaanvaardbare resultaten leiden indien de door de belastingplichtige aangegeven basisgegevens onjuist zijn. De taxatieambtenaren moeten zich dus inzonderheid beijveren om de juistheid na te gaan van het inkoopcijfer, alsmede van andere gegevens die als grondslag dienen voor de berekening van de forfaitaire winst, zoals, b.v. :

- voor de brood- en banketbakkers, het aantal zakken bloem, de hoeveelheden verwerkte produkten (verbeterende produkten, enz.), het aantal gekochte broodzakken, enz.;

- voor de caféhouders, de soort gebruikte glazen, de toegepaste tarieven, de hoeveelheden ingekochte dranken;

- voor de slagers, het gewicht van het ingekochte vlees (levend, geslacht, enz.);

- voor de kappers, het tewerkgesteld personeel en de toegepaste prijzen;

- voor de apothekers, de gegevens die voorkomen op de tariferingsborderellen of op de bij de instellingen "derde-betaler" ingediende facturen;

- enz.

Nummer 342/41

Het onderzoek van de beroepskosten en van sommige algemene kosten met individueel karakter moet voor iedere belastingplichtige worden gedaan, wat het mogelijk zal maken, eensdeels, over een ernstig controlemiddel te beschikken wat de juistheid van de beoordelingsgrondslagen betreft die moeten worden aangegeven, en anderdeels, het contact tussen de taxatieambtenaar en de betrokken belastingplichtigen te bewaren.

Nummer 342/42

Wat de bedrijven of beroepen betreft waarvoor geen aanvraag tot het aanvatten van besprekingen met het oog op het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van aanslag werd gedaan, of waarvoor dergelijke aanvraag niet tot een akkoord heeft geleid, wordt overgegaan tot de individuele taxatie van de belastingplichtigen volgens de gewone regels.

D. LANDBOUWBEDRIJVEN

1. Forfaitaire semi-brutowinst en bijkomende winst

Nummer 342/43

De forfaitaire semi-brutowinst wordt vastgesteld rekening houdende met de resultaten van het geheel van de handelingen en werkzaamheden die behoren tot het beroep van landbouwer dat in normale omstandigheden wordt uitgeoefend.

Daarentegen is bij de berekening van de barema's geen rekening gehouden met :

- de winst uit werkzaamheden die sommige belastingplichtigen gelijktijdig met het beroep van landbouwer uitoefenen en de bijkomende winst die anderen behalen door produkten van hun exploitatie in de handel te brengen buiten de gebruikelijke handelsweg;

- sommige tegemoetkomingen, premies, vergoedingen, toelagen, enz.;

- door de landbouwer ontvangen interesten wegens uitstel van betaling van door hem gedane leveringen.

Nummer 342/44

De forfaitaire grondslagen van aanslag van de landbouwers bevatten de nodige toelichtingen met betrekking tot de aard van de posten die niet in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de semi-brutowinst en de regels voor het vaststellen van de bijkomende winst.

2. Gemiddelde per landbouwstreek

Nummer 342/45

Gevonnist dat :

- de voor de taxatie van de landbouwwinst opgemaakte grondslagen een algemeen gemiddelde per streek zijn en rekening houden met de onvoldoende opbrengst van sommige gronden, met de algemeen geldende prijzen, enz. Wanneer het een heel grote exploitatie betreft, is het normaal dat het rendement van sommige percelen nu eens lager dan eens hoger dan het gemiddelde is (Brussel, 11.7.1952, Wilmet; Luik, 14.1.1953, Renaville);

- de forfaitaire grondslagen van de landbouwwinst rekening houden, en alleen rekening mogen houden, met de gemiddelde kwaliteit van de gronden van de streek (Cass., 3.2.1966, Galloo, Bull. 438, blz. 223).

3. Afbakening van de landbouwstreken

Nummer 342/46

De administratie heeft terecht de belastbare winst bepaald, rekening houdende met de gegevens van de forfaitaire grondslagen wanneer zij zich houdt aan de bij koninklijk besluit vastgestelde afbakening van de landbouwstreken.

Het enkel advies van een Rijkslandbouwkundige, waarop de belastingplichtige zich beroept om te beweren dat de geëxploiteerde gronden tot een andere streek behoren dan die welke de administratie in aanmerking heeft genomen, is niet van die aard dat het een uit een wettekst voortvloeiend vermoeden ontzenuwt (Brussel, 15.10.1952, Wwe Defalque).

Nummer 342/47

Verder mag uit het feit dat het KI toegekend aan de gronden van een landbouwer minder is dan datgene van de aangrenzende gemeenten die tot dezelfde streek behoren, niet worden afgeleid dat de forfaitaire grondslag vastgesteld voor die streek niet toepasselijk is, want, zoals dit het geval is met elke op een gemiddelde gesteund forfait, kan een uitbater profijt halen uit de voordelen van het forfait en een andere de nadelen ervan ondergaan (Gent, 27.1.1965, Galloo).

4. Aftrekbare lonen

Nummer 342/48

De landbouwexploitanten die naar de forfaitaire grondslagen van aanslag verwijzen, moeten ze in hun geheel aanvaarden, met inbegrip van de forfaitaire vaststelling van de aftrekbare lonen. De belastingplichtige is er niet toe gerechtigd de aftrek te vorderen van de zogezegde werkelijk betaalde lonen, daar de prijs van de arbeidskracht geen aan de betrokkene eigen motief voor afwijking is, doch integendeel eigen is aan gans de streek waarin het bedrijf is gelegen (Brussel, 11.12.1950, Mary, en Gent, 5.6.1951, Iserbyt; Luik, 12.12.1951, Schoonbroodt; 20.2.1952, Tasiaux; 30.4.1952, Dardenne).

Nummer 342/49

De berekening van het semi-bruto-inkomen per hectare op de grondslag van het forfait billijkt de vaststelling, op dezelfde grondslag, van de aftrekbare lonen (Brussel, 11.12.1950, Mary).

5. Exceptionele verliezen

a) Grondbeginselen

Nummer 342/50

De forfaitaire winst, die in iedere landbouwstreek of onderafdeling van landbouwstreek van toepassing is, houdt rekening met de normale verliezen, inbegrepen de opbrengstverminderingen van de oogsten te wijten aan rampspoedige gebeurtenissen (droogte, overvloedige regenval, vorst, enz.), die van invloed zijn geweest op de landbouwresultaten voor de hele streek of onderafdeling van streek.

Bijgevolg mogen enkel van de forfaitaire winst worden afgetrokken, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die in het landbouwforfait zijn bepaald, de exceptionele verliezen :

- inzake teelten, indien die verliezen te wijten zijn aan feiten (bv. wervelwind en hagel) die slechts in sommige gemeenten of in sommige bedrijven verwoestingen hebben aangericht;

- inzake veestapel, indien ze worden veroorzaakt door abnormale ziekten of sterften van de dieren.

Het betreft hier alleen exceptionele verliezen inzake teelten en inzake veestapel; verliezen inzake materieel en inrichtingen zijn dus uitgesloten.

De uitzonderlijke verliezen mogen van de forfaitair vastgestelde landbouwwinst worden afgetrokken in de mate dat zij niet zijn vergoed.

Dergelijke verliezen zijn echter volledig aftrekbaar wanneer de exploitant schadeloos is gesteld door een vergoeding die onder de in art. 25, 6° en 28, 1e lid, 3°, WIB 92, bedoelde belastbare vergoedingen is te rangschikken en die in principe een gunstiger aanslagstelsel ondergaat dan in geval van globalisatie van de inkomsten.

Gevonnist dat de verliezen ingevolge de algemene ongure weersomstandigheden van het jaar niet moeten worden aangenomen, wanneer de betrokkene niet bewijst dat die verliezen voortvloeien uit de eigen omstandigheden van zijn bedrijf (Brussel, 20.6.1962, Bedoret).

Dit arrest preciseert "dat er dus rekening werd gehouden met de voor de vaststelling van de forfaitaire grondslagen in acht genomen omstandigheden; dat verzoeker, door die grondslagen aan te nemen, hun berekening heeft aanvaard zowel voor de percelen die het aangenomen gemiddelde niet hebben voortgebracht, als voor die welke weinig of niet hebben geleden en bijgevolg meer dan het gemiddelde voortbrachten".

M.a.w., de forfaitaire grondslagen moeten, uit hoofde van de schade door de natuurelementen veroorzaakt aan de teelten, slechts worden gewijzigd voor bedrijven die exceptionele verliezen hebben geleden ten gevolge van het slechte weder waarvan zij de enige slachtoffers zijn geweest of ten gevolge van het slechte weder dat enkel op bepaalde plaatsen van de landbouwstreek waarin zij gelegen zijn, heeft gewoed.

De aftrek van de exceptionele verliezen mag slechts worden toegestaan mits voorlegging van alle bewijsstukken betreffende de werkelijkheid en het bedrag van die verliezen : proces-verbaal van vaststelling van schade aan teelten (zie 342/51 en 52), attest van het Gemeentebestuur, van de dierenarts, getuigschrift van het destructiebedrijf, enz.

b) Exceptionele verliezen in de teelten

Nummer 342/51

De aftrek van de exceptionele verliezen inzake land- en tuinbouwteelten mag slechts geschieden mits voorlegging van de door de Commissie tot vaststelling van schade aan teelten opgemaakte processen-verbaal.

Er is gevonnist dat het door de Commissie tot vaststelling van schade aan teelten opgemaakte proces-verbaal niet als bewijsstuk geldt en het derhalve niet in aanmerking kan worden genomen in de zin van de toepassingsregelen en -modaliteiten van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor de landbouwers wanneer de vastgestelde verliezen niet te wijten zijn aan lokale rampspoedige gebeurtenissen doch wel aan vorstschade die de resultaten van de hele streek heeft beïnvloed. Anderzijds bevat het proces-verbaal niet alle essentiële vereiste vermeldingen - o.a. de aanduiding van de bekomen opbrengst na de schade in kg per ha (Gent, 28.11.1989, Clarebout-Boeraave).

Hierna wordt de regeling (de tekst van die reglementering werd door de landbouwverenigingen en de departementen van Financiën, Binnenlandse Zaken en Landbouw goedgekeurd; de tekst is door de Minister van Landbouw als bijlage aan zijn circ. 19.2.1982 nr. A/632.13/14/156 aan de burgemeester van alle gemeenten toegezonden) ter zake uiteengezet; het door de hogergenoemde commissie te gebruiken model van proces-verbaal van vaststelling is opgenomen onder 342/52.

Inleiding

Wanneer in het gebied van een rijkslandbouwkundig of van een rijkstuinbouwkundig ingenieur, door overmacht zoals onweder, hagelslag, overstroming of andere rampen, aan land- en tuinbouwteelten in open lucht of onder glas plaatselijk schade wordt aangericht die de beroepsinkomsten van de landbouwers of tuinders in aanzienlijke mate kan verminderen, neemt voormelde ambtenaar contact op met de burgemeester van de betrokken gemeente om met de geteisterden één van de eerstvolgende dagen te vergaderen; de burgemeester kan eveneens het initiatief nemen voor de vergadering.

Tijdens die vergadering geeft de rijkslandbouwkundig of de rijkstuinbouwkundig ingenieur aan de belanghebbenden alle technische inlichtingen om de gevolgen van de schade te beperken en zet hij uiteen onder welke voorwaarden de geteisterden eventueel vermindering van onroerende voorheffing kunnen bekomen en, indien zij volgens forfaitaire grondslagen worden belast, de geleden verliezen van hun belastbare winst kunnen aftrekken. Daartoe vraagt hij aan de burgemeester van de betrokken gemeente de schade te laten vaststellen door de Commissie tot vaststelling van schade aan teelten.

Algemeen principe

In geval van uitzonderlijke en plaatselijke schade :

- verstrekt de Staat aan de landbouwers en tuinders de nodige technische inlichtingen om de gevolgen van de schade tot een minimum te beperken;

- vergoedt hij, voor een bij koninklijk besluit erkende ramp, de schade aan private goederen veroorzaakt door natuurrampen, zoals bedoeld bij de W 12.7.1976 (Rampenfonds);

- verleent hij vermindering van onroerende voorheffing en laat hij de aftrek toe van de geleden beroepsverliezen voor het vaststellen van het in de inkomstenbelastingen belastbare nettoberoepsinkomen.

Weerslag van de schade op de onroerende voorheffing

De onroerende voorheffing is altijd volledig verschuldigd wanneer de slechte weersomstandigheden geen ander gevolg hebben dan de vernietiging van de oogsten, zonder schade te berokkenen aan het erf.

Wanneer daarentegen dit laatste schade heeft geleden die van aard is om een vermindering van ten minste 25 % van het kadastrale inkomen mede te brengen, kan een evenredige teruggave van de hogergenoemde voorheffing worden bekomen. Te dien einde moet een aanvraag tot de bevoegde directeur der belastingen in de vorm en binnen de termijnen bepaald in de art. 366 en 371, WIB 92, worden gericht.

Invloed van de schade op de vaststelling van de belastbare inkomsten

Bij het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor de landbouwers en de tuinders wordt in iedere landbouwstreek rekening gehouden met de algemene verliezen, met inbegrip van de opbrengstverminderingen te wijten aan rampspoedige gebeurtenissen (droogte, overvloedige regenval, vorst, enz.) die van invloed zijn geweest op de landbouwresultaten voor de hele streek of onderafdeling van streek. Die forfaitaire grondslagen worden inderdaad berekend op grond van de gemiddelde rendementen die per streek of onderafdeling van streek worden vastgesteld en die rekening houden met de verliezen met een algemeen karakter.

Bijgevolg mogen inzake verliezen aan teelten van de forfaitaire winst slechts de uitzonderlijke verliezen worden afgetrokken die te wijten zijn aan uitzonderlijke feiten (wervelwind en hagel bijvoorbeeld) die slechts in sommige gemeenten of in sommige bedrijven verwoestingen hebben aangericht. Wanneer die verliezen vergoed worden door een verzekering of door de Staat, mogen zij slechts worden afgetrokken voor het deel dat niet werd vergoed.

Op te merken dat het hier slechts gaat om uitzonderlijke schade aan teelten. De uitzonderlijke schade aan materieel, bedrijfsinstallaties en veestapel - waarvoor specifieke voorschriften bestaan - zijn dus uitgesloten.

Vaststelling van de schade aan teelten

Voor de schade die slechts in sommige gemeenten of in sommige bedrijven het beroepsresultaat heeft beïnvloed en waarmede geen rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de forfaitaire grondslagen van aanslag, moet de schade worden vastgesteld door de Commissie tot vaststelling van schade aan teelten :

1° op het ogenblik dat de schade wordt veroorzaakt;

2° en bij het oogsten.

De twee vaststellingen zijn onontbeerlijk :

- de eerste om te bepalen dat de schade te wijten is aan een plaatselijk uitzonderlijk feit en om de aard van de teelten en de betrokken oppervlakten nauwkeurig te preciseren;

- de tweede om de opbrengst te ramen die na de schade op het betrokken perceel is bekomen.

Commissie tot vaststelling van schade aan teelten

Oprichting van de commissie

Iedere burgemeester van een gemeente met landbouwers of tuinders wordt verzocht een officiële commissie op te richten, genoemd Commissie tot vaststelling van schade aan teelten en samengesteld als volgt :

1° de burgemeester of een door de burgemeester gemachtigde schepen, voorzitter;

2° de insp. (A of BC) of de Hfd.cr. der directe belastingen van het gebied of hun gemachtigde;

3° de rijkslandbouwkundig ingenieur of zijn gemachtigde;

4° een expert-landbouwer door de burgemeester aangewezen;

5° een expert-landbouwer door de rijkslandbouwkundig ingenieur aangewezen.

Het is aan te raden in een plaatsvervanger te voorzien voor elk van de experts-landbouwers bedoeld in 4° en 5°.

In de gemeenten waar de tuinbouw van overwegend belang is, past het dat één van de aangewezen experts-landbouwers bijzonder onderlegd is in tuinbouwaangelegenheden. Ook zal de rijkslandbouwkundig ingenieur indien nodig een beroep doen op de medewerking van de rijkstuinbouwkundig ingenieur.

Wanneer hij het nodig acht mag de ambtenaar der belastingen zich eveneens laten bijstaan door een ter zake bijzonder onderlegde medewerker.

De experts-landbouwers die worden aangewezen, ontvangen hiervan een schriftelijke notificatie. Dit schrijven geldt als "aanstelling".

Werking van de commissie

Wanneer wegens rampspoedige gebeurtenissen belangrijke schade in een gemeente is veroorzaakt en wanneer uit contacten en uit de voorafgaande vergadering blijkt dat het om plaatselijke uitzonderlijke schade gaat, roept de burgemeester de commissie samen met het oog op de officiële vaststelling van de schade. Wat de administratie der directe belastingen betreft moet de oproeping alsmede alle briefwisseling met betrekking tot de werking van de commissie gericht worden aan de Hfd.cr. van het gebied.

De commissie zetelt slechts geldig wanneer ze officieel werd uitgenodigd door de burgemeester en indien ten minste drie effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig zijn.

In zeer uitgestrekte gemeenten mag de burgemeester, in samenwerking met de rijkslandbouwkundig ingenieur, subcommissies oprichten - samengesteld zoals hiervoor is bepaald - die steeds onder zijn voorzitterschap of onder dat van zijn gemachtigde moeten werken.

De opdracht van de leden van de commissies wordt niet vergoed.

Proces-verbaal van vaststelling

Van elke vaststelling wordt een proces-verbaal - waarvan het model in 342/52 is opgenomen - opgesteld in vijf exemplaren, dat op eer wordt getekend door de aanwezige leden van de commissie. Een exemplaar wordt onmiddellijk na de eerste vaststelling toegezonden aan de Hfd.cr. der directe belastingen van het gebied en de 4 andere moeten bij de tweede vaststelling, behoorlijk aangevuld met de na de schade bekomen opbrengst, zonder verwijl worden toegezonden respectievelijk aan de rijkslandbouwkundig ingenieur, aan de Hfd.cr. der directe belastingen, aan de geteisterde landbouwer of tuinder en het laatste exemplaar aan het Gemeentebestuur waar het in het archief wordt bewaard.

Wanneer de leden van de commissie geen akkoord kunnen bereiken omtrent de schatting van de oppervlakte van het gehele perceel, van de beschadigde oppervlakte of van de na de schade bekomen opbrengst, moet het proces-verbaal in de rubriek "opmerkingen" het gebrek aan akkoord, zomede de door de leden verdedigde uiterste standpunten met betrekking tot het bestanddeel waarover verschil van mening bestaat, vermelden.

Nummer 342/52

MODEL VAN PROCES-VERBAAL VAN VASTSTELLING

PROCES-VERBAAL VAN VASTSTELLING VAN SCHADE AAN TEELTEN

Provincie : ....................

Arrondissement : ........................

Gemeente : ...................................

De Commissie voor vaststelling van schade aan teelten, officieel uitgenodigd door mevrouw de/de heer burgemeester, heeft op het hierna vermelde bedrijf de hieronder aangeduide schade, veroorzaakt door rampspoedige gebeurtenissen, vastgesteld.

Naam van de geteisterde exploitant (in hoofdletters) :

......................................................

Voornamen :

..............................................................

Adres : ....................................................

Nr. .........

Postnummer : .........

Gemeente : ........................................

Telefoonnummer : .........................................................

Totale oppervlakte van het bedrijf : .....................................

Oorzaak van de schade : ..................................................

Datum van de teistering : ................................................

Percelen plaatsnaam

Aard van de teelt

Oppervlakte van het hele perceel

Vernietigde of

beschadigde oppervlakte

Slechts in te vullen op het ogenblik van de tweede vaststelling (bij het oogsten) ; schatting van de na beschadiging overblijvende oogst (*)

Op het gehele perceel

Op de vernietigde of beschadigde oppervlakte

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

(*) Verplicht uit te drukken in kg. per ha of per are. Voor sommige tuinbouwteelten mag een andere aangepaste vermelding gebruikt worden (bv. aantal stuks per are of per centiare).

Opmerkingen

:............................................................

............................................................

............................................................

............................................................

............................................................

De ondergetekenden, leden van de Commissie tot vaststelling van schade aan teelten, verklaren op hun eer dat dit proces-verbaal van vaststelling van schade aan teelten oprecht en volledig is.

Voor de eerste vaststelling (op het ogenblik dat de schade veroorzaakt werd) is de commissie ter plaatse geweest op . . . . . om . . . uur en heeft ze dit proces-verbaal opgemaakt.

Voor de tweede vaststelling (op het ogenblik van de oogst) is de commissie ter plaatse geweest op . . . . . om . . . uur en heeft ze dit proces-verbaal aangevuld.

Eerste vaststelling

Tweede vaststelling

Naam

Handtekening

Naam

Handtekening

De burgemeester of de gemachtigde schepen

De rijkslandbouwkundig ingenieur of zijn gemachtigde

De inspecteur (A) of hoofdcontroleur der directe belastingen van het gebied of hun gemachtigde

De expert-landbouwer aangewezen door de burgemeester

De expert landbouwer aangewezen door de rijkslandbouwkundig ingenieur

Voor akkoord

De geteisterde exploitant

N.B. : Proces-verbaal op te maken in 5 exemplaren waarvan één onmiddellijk na de eerste vaststelling wordt toegezonden aan de Hfd.cr. der directe belastingen van het gebied en de vier andere, bij de tweede vaststelling behoorlijk aangevuld met de na de schade bekomen opbrengst, zonder verwijl worden toegezonden aan respectievelijk de rijkslandbouwkundig ingenieur, de Hfd.cr. der directe belastingen, de geteisterde landbouwer of tuinder en het laatste exemplaar aan het gemeentebestuur waar het in het archief wordt bewaard.

c) Exceptionele verliezen in de veestapel

Nummer 342/53

Exceptionele verliezen inzake de veestapel zijn slechts aftrekbaar mits de volgende bescheiden met betrekking tot de werkelijkheid en het bedrag van de verliezen worden overgelegd :

- sterfte : attesten uitgereikt door een erkend destructiebedrijf;

- ziekte : attesten uitgereikt door de behandelende dierenarts, eventueel bekrachtigd door analyseuitslagen (twee attesten per ziekte : één bij het begin van de ziekte, het andere - dat alle gegevens vermeldt om het verlies te berekenen - bij het einde van de ziekte) en, voor bepaalde besmettelijke ziekten, attesten van het gemeentebestuur of van de diergeneeskundige inspecteur.

Inzake brucellose moet slechts één attest met alle nodige gegevens worden overgelegd. Voor schurft wordt de verplichting van aangifte bij het gemeentebestuur echter niet altijd gerespecteerd.

Die documenten moeten, zodra zij zijn opgemaakt, door de belastingplichtige aan de taxatiedienst worden toegezonden. Die verplichting geldt niet voor de door het destructiebedrijf uitgereikte attesten en de verkoopdocumenten aan een veekoopman voor dieren die ten gevolge van ongeval of ziekte ten spoedigste aan de slachterij of aan een sterilisatiefabriek moeten worden geleverd.

Alleen de bewijskrachtige documenten worden na verificatie en visering door de insp.BC of door de Hfd.cr. aan de betrokken landbouwers teruggezonden, die ze bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen moeten voegen.

Indien de attesten slechts na de betekening van het bericht van wijziging zijn ingediend, en niet tijdens de ziekte, is de administratie niet in de mogelijkheid de noodzakelijke onderzoekingen in te stellen, en mogen de aangevoerde verliezen bijgevolg door de taxatieambtenaar niet worden aanvaard (Luik, 23.11.1988, Ferber- Martin, Bull. 689, blz. 2571).

E. AANWENDEN VAN ANDERE TAXATIEMETHODES

Nummer 342/54

Het bestaan van forfaitaire grondslagen van aanslag sluit het aanwenden van andere taxatiemethodes niet uit (Cass., 27.2.1951, Kedziersky, Pas. 1951, I, 429), maar zulks moet, wel te verstaan, door ernstige gegevens verantwoord zijn (zie 342/34).

Er is ook gevonnist dat de omstandigheid, dat de oorspronkelijke aanslag volgens een forfait is gevestigd, de administratie niet kan verhinderen, mits ze ernstige gegevens aanvoert, een andere taxatiemethode toe te passen voor het vestigen van een aanvullende aanslag, b.v. raming van de belastbare inkomsten volgens tekenen en indiciën (Cass., 12.12.1967, Franchois, R., Bull. 458, blz. 2002).

Evenwel kan een forfaitaire taxatie niet zonder meer door een taxatie bij vergelijking met drie soortgelijke belastingplichtigen worden vervangen (Luik, 21.4.1988, inzake J. Lucker). De administratie moet vooraf het bewijs leveren dat de forfaitaire taxatie niet met de werkelijkheid overeenstemt. Dit kan b.v. door aan te tonen dat de belastingplichtige zijn bedrijvigheid kennelijk niet in normale omstandigheden uitoefent (zie 342/35).

F. GEGEVENS VOOR DE VERGELIJKING

Nummer 342/55

Wanneer de administratie toepassing heeft gemaakt van de in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag moet ze bovendien geen rekening houden met de in art. 342, § 1, WIB 92, opgesomde gegevens voor de vergelijking, daar de forfaitaire grondslagen van aanslag juist tot doel hebben de verdere inachtneming van die bijzonderheden overbodig te maken (Cass., 4.12.1962, Steyaert, Bull. 403, blz. 2619).

IV. COLLECTIEVE AKKOORDEN INZAKE BEROEPSKOSTEN

A. ALGEMEEN

Nummer 342/56

De in art. 342, § 1, 4e lid, WIB 92, bedoelde akkoorden kunnen zowel op plaatselijk als op gewestelijk of nationaal vlak tot stand worden gebracht.

Die akkoorden hebben betrekking op uitgaven en lasten waarvoor het niet gebruikelijk is bewijsstukken te vragen of te krijgen (Kamer, zitting, 1972-1973, Verslag van de Commissie voor Financiën, doc. 521/7, blz. 31).

Inzonderheid worden bedoeld :

1° kosten die doorgaans als "representatiekosten" worden aangemerkt;

2° bepaalde kosten betreffende het gemengde gebruik van een wagen (benzine, olie, onderhoud, toebehoren van geringe waarde, enz.);

3° gewone kosten van onderhoud van de beroepslokalen (onderhoudsprodukten en -materieel, enz.);

4° bepaalde toevallige reiskosten voor beroepsdoeleinden (gemeenschappelijk vervoer, taxi's, enz.).

Tot op heden zijn er collectieve akkoorden gesloten voor de advocaten, de gerechtsdeurwaarders, de exploitanten van automatische ontspanningstoestellen, en de zelfstandige opvangmoeders.

B. ADVOCATEN

Nummer 342/57

Het collectief akkoord omvat de volgende kosten :

1° representatiekosten en diverse kosten;

2° reis- en congreskosten in het buitenland;

3° autokosten.

1. Representatiekosten en diverse kosten

a) Bedoelde kosten

Nummer 342/58

1° Representatiekosten (recepties, geschenken, standing en analoge beroepsverplichtingen);

2° onderhoudsprodukten voor de bedrijfslokalen;

3° kleine kantoorkosten;

4° bijdragen van sociale aard (liefdadigheidsinstellingen, enz.) niet bedoeld in art. 104, 1e lid, 3°, WIB 92;

5° allerlei tijdschriften zonder factuur.

b) Berekening van het forfait

Nummer 342/59

Het forfait wordt berekend op het brutobedrag van de in kolom 3 van het dagboek ingeschreven honoraria, dat wil zeggen vóór aftrek van de aan confraters, medewerkers, enz. betaalde sommen en van beroepskosten van welke aard ook :

- 3 % op de eerste schijf van 1.000.000 F [vanaf 01.01.2002 : 25.000,00 euro];

- 2 % op de tweede schijf van 1.000.000 F [vanaf 01.01.2002 : 25.000,00 euro];

- 1 % op de derde schijf van 1.000.000 F [vanaf 01.01.2002 : 25.000,00 euro];

- op de honoraria boven 3.000.000 F [vanaf 01.01.2002 : 75.000,00 euro]: nihil.

Die percenten worden verhoogd :

- met 2 % voor de deken, de vice-deken, de stafhouders, de secretarissen van de Nationale Orde, de dauphin, de voorzitter van het Verbond van advocaten, de voorzitters van de jonge balie;

- met 1 % voor de leden van de Algemene raad van de Nationale Orde, de leden van de raden van de Orde, de leden van de directiecomités van de jonge balie, de nationale ondervoorzitters en secretarissen van het Verbond van Belgische advocaten, de in België wonende leiders van "Union internationale des avocats" en van de consultatieve commissie van de balies van de landen van de EEG.

De verhogingen van 2 % en 1 % mogen niet worden samengevoegd; zij worden berekend pro rata (in twaalfden) van de duur van het mandaat. Het spreekt vanzelf dat de advocaten de terugbetalingen van kosten, die ze zouden ontvangen om hun mandaat uit te voeren, in hun ontvangsten moeten boeken.

De toepassing van het forfait inzake representatiekosten en diverse kosten belet het sluiten van een individueel akkoord voor die kosten.

In het forfait is er rekening mee gehouden dat het beroepsmatige deel van de restaurant- en receptiekosten en van de kosten voor relatiegeschenken vanaf aj. 1990 nog slechts tot 50 % aftrekbaar is.

2. Reis- en congreskosten in het buitenland

Nummer 342/60

De reiskosten in het buitenland, voor zover hun aard van aftrekbare beroepskosten werkelijk is aangetoond, mogen forfaitair worden geraamd op 1.000 F [vanaf 01.01.2002 : 25,00 euro] per dag. Deze som omvat de kosten voor eten en de andere diverse verblijfkosten, uitgenomen voor het vervoer en de hotelkosten (overnachting en ontbijt).

Forfaits van meer dan 1.000 F [vanaf 01.01.2002 : 25,00 euro] mogen worden aangenomen, wanneer ze worden gerechtvaardigd door de omstandigheden in het land waar de belastingplichtige zijn opdracht vervult.

3. Autokosten

Nummer 342/61

De kosten betreffende het gebruik van een wagen voor de beroepswerkzaamheid (verzekering, afschrijving, onderhoud, herstellingen en belasting) moeten met bewijsstukken worden gestaafd.

De kostprijs van de brandstof, van de olie (tussen twee olieverversingen in) en van het wassen mag forfaitair worden berekend op grond van de afgelegde kilometers. Bij de berekening van de kosten en van het forfait moet er rekening mee worden gehouden dat het beroepsmatige deel van de autokosten, andere dan brandstof- en financieringskosten, vanaf het aj. 1990 nog slechts voor 75 % aftrekbaar is.

4. Toepassingsvoorwaarden

Nummer 342/62

1° De forfaits zijn van toepassing voor belastingplichtigen natuurlijke personen. Het forfait voor representatiekosten en diverse kosten mag door advocaten, die deel uitmaken van een feitelijke vereniging, van hun aandeel in de baten worden afgetrokken voor zover, eensdeels, geen enkele in het forfait begrepen uitgave ten laste van de feitelijke vereniging is gelegd en aldaar als dusdanig is geboekt, en, anderdeels, aan de hierna gestelde toepassingsvoorwaarden voldaan is.

2° De belastingplichtige moet zijn beroep in zodanige omstandigheden uitoefenen dat mag worden aangenomen dat hij, in feite, in een normale mate de kosten moet dragen die door de forfaits worden gedekt.

3° De toepassing van de forfaits mag niet samengaan met de aftrek van kosten van dezelfde categorieën die met bewijsstukken zouden worden gestaafd.

4° De toepassing van het forfait is niet verplicht; de belastingplichtige mag zijn beroepskosten post per post bewijzen.

5° De forfaits zijn, tot herroeping, van toepassing op de inkomsten van de aj. 1990 en volgende, voor zover de toepassing ervan vóór taxatie door de belastingplichtige gevraagd is.

De niet in het collectief akkoord begrepen beroepskosten moeten met bewijsstukken worden gestaafd of verantwoord worden door andere bewijsmiddelen indien de stukken vernietigd, gestolen of door onachtzaamheid verloren zijn. Indien de advocaat het bedrag van de desbetreffende kosten op die manier niet kan verantwoorden, kan hij met de aanslagambtenaar een individueel akkoord sluiten om die kosten op een vast bedrag te ramen, voor zover hij hem de redelijke overtuiging van de echtheid van die kosten kan bijbrengen (zie commentaar op art. 50, WIB 92).

Het akkoord geldt alleen voor de advocaten en mag niet bij analogie voor een ander beroep worden toegepast.

C. GERECHTSDEURWAARDERS

Nummer 342/63

Het akkoord omvat de volgende kosten :

1° representatiekosten en diverse kosten;

2° drank voor het personeel;

3° beslagkosten;

4° autokosten.

1. Representatiekosten en diverse kosten

a) Bedoelde kosten

Nummer 342/64

1° Representatiekosten (recepties, geschenken, standing en analoge beroepsverplichtingen);

2° onderhoudsprodukten voor de bedrijfslokalen;

3° kleine kantoorkosten;

4° bijdragen van sociale aard (liefdadigheidsinstellingen, enz.) die niet onder de bepalingen van artikel 104, 1° lid, 3°, WIB 92 vallen;

5° allerlei tijdschriften zonder factuur;

6° parkeermeter-, tram-, taxi en andere kleine reiskosten;

7° allerlei fooien.

b) Berekening van het forfait

Nummer 342/65

Het forfait wordt berekend op het totaal van de in de kolommen b en c van het dagboek ingeschreven honoraria :

- 3 % op de eerste schijf van 1.000.000 F [vanaf 01.01.2001: 30.500 EUR];

- 2 % op de tweede schijf van 1.000.000 F [vanaf 01.01.2001: 30.500 EUR];

- 1 % op de derde schijf van 1.000.000 F [vanaf 01.01.2001: 30.500 EUR];

- op de honoraria die 3.000.000 F [vanaf 01.01.2001: 91.500 EUR] overtreffen : nihil.

Die percenten worden verhoogd :

- met 2 % voor de syndicus-voorzitter van de Raden der arrondissementskamers en de voorzitter van de Nationale Kamer;

- met 1 % voor de leden van de Raden der arrondissementskamers, de leden van het Directiecomité van de Nationale Kamer, de leden van de Vaste Raad van de Nationale Kamer, en de leden van de Internationale Unie van de Gerechtsdeurwaarders en Gerechtelijke Officieren.

De verhogingen van 2 % en 1 % mogen niet worden samengevoegd; zij worden berekend pro rata (in twaalfden) van de duur van het mandaat. Het spreekt vanzelf dat de gerechtsdeurwaarders de terugbetalingen van kosten, die ze zouden ontvangen om hun mandaat uit te voeren in hun ontvangsten moeten boeken.

In het forfait is ermee rekening gehouden dat vanaf aj. 1990 het beroepsmatige deel van de restaurant- en receptiekosten en van de kosten voor relatiegeschenken slechts tot 50 % aftrekbaar is en dat het beroepsmatige deel van de parkeermeter- en taxikosten slechts tot 75 % aftrekbaar is.

2. Drank voor het personeel

Nummer 342/66

25 F [vanaf 01.01.2002 : 0,65 euro] per werkdag en per persoon.

3. Beslagkosten

Nummer 342/67

Voor zover ze samen 310 F [vanaf 01.01.2001: 9,45 EUR] niet overtreffen, worden de aan de getuigen en aan de politieambtenaren betaalde sommen beschouwd als de terugbetaling van werkelijke kosten en moet de verkrijger niet worden bekendgemaakt. Het bedrag van 310 F wordt verondersteld per beslag het gemiddelde te zijn, van de hier beoogde sommen en moet worden vermenigvuldigd met het totale aantal beslagen per jaar.

4. Autokosten

Nummer 342/68

De kosten betreffende het gebruik van een wagen voor de beroepswerkzaamheid (verzekering, afschrijving, onderhoud, herstellingen en belasting) moeten met bewijsstukken worden gestaafd.

De kostprijs van de brandstof mag forfaitair worden berekend op grond van de afgelegde kilometers.

Bij de vaststelling van de kosten moet er rekening mee worden gehouden dat het beroepsmatige deel van de autokosten, andere dan brandstof- en financieringskosten, vanaf aj. 1990, slechts tot 75 % aftrekbaar is.

5. Toepassingsvoorwaarden

Nummer 342/69

1° De forfaits zijn van toepassing op natuurlijke personen. Het forfait voor representatiekosten en diverse kosten mag door gerechtsdeurwaarders die deel uitmaken van een feitelijke vereniging, van hun aandeel in de baten worden afgetrokken voor zover, eensdeels, geen enkele in de forfaits begrepen uitgave ten laste van de feitelijke vereniging is gelegd en aldaar als dusdanig is geboekt, en, anderdeels, aan de hierna gestelde toepassingsvoorwaarden voldaan is.

2° De belastingplichtige moet zijn beroep in zodanige omstandigheden uitoefenen dat mag worden aangenomen dat hij, in feite, in een normale mate de kosten moet dragen die door de forfaits worden gedekt.

3° De toepassing van de forfaits mag niet samengaan met de aftrek van kosten van dezelfde categorie die door bewijsstukken zouden worden gestaafd.

4° De toepassing van het akkoord is niet verplicht; de belastingplichtige mag zijn beroepskosten post per post bewijzen.

5° De forfaits zijn tot herroeping van toepassing op de inkomsten van het aj. 1990 en volgende, voor zover de toepassing ervan, voor taxatie, door de belastingplichtige gevraagd is.

6° Het collectief akkoord belet het sluiten van een individueel akkoord voor :

- de representatiekosten en de diverse kosten;

- de kosten van drank voor het personeel;

- de beslagkosten.

6. Andere uitgaven

Nummer 342/70

De niet in het collectief akkoord begrepen beroepskosten moeten met bewijsstukken worden gestaafd of verantwoord worden door andere bewijsmiddelen indien de stukken vernietigd, gestolen of door onachtzaamheid verloren zijn.

Zo moeten de hierna vermelde kosten in principe als volgt worden bewezen :

- geschenken aan het personeel : door overlegging van de aankoopfacturen en bekendmaking van de verkrijger;

- slotenmakerskosten : door overlegging van facturen;

- vervoerkosten van in beslag genomen voorwerpen : door overlegging van facturen;

- bezoldiging van werklieden voor het weghalen van in beslag genomen voorwerpen : door overlegging van facturen of door bekendmaking van de verkrijgers.

Indien de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de desbetreffende kosten op die manier niet kan verantwoorden, kan hij met de taxatieambtenaar een individueel akkoord sluiten om die kosten op een vast bedrag te ramen, voor zover hij hem de redelijke overtuiging van de echtheid ervan kan bijbrengen (zie commentaar op art. 50, WIB 92).

D. EXPLOITANTEN VAN AUTOMATISCHE ONTSPANNINGSTOESTELLEN

Nummer 342/71

Ten aanzien van de exploitanten van automatische ontspanningstoestellen is de toepassing van het forfait vastgelegd in het collectief akkoord afhankelijk van verschillende voorwaarden die in 342/74 opgesomd zijn.

Het akkoord omvat de kosten die de aard van representatiekosten hebben.

1. Representatiekosten

Nummer 342/72

Bedoeld zijn de hierna opgesomde kosten die door de exploitant van speelautomaten of door een van zijn personeelsleden (klantenwerver, vervoerder, technicus, hersteller, incasseerder) worden gedaan tijdens hun verplaatsingen in het kader van de eigenlijke uitbating van de speelautomaten:

- de consumpties die aan de exploitanten van drankgelegenheden of aan hun klanten worden aangeboden;

- de telefoonkosten;

- de parkeerkosten;

- de kosten van dezelfde aard die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd.

Worden hier niet bedoeld de andere kosten die ook de aard van representatiekosten hebben maar die verplicht met bewijsstukken moeten worden gestaafd, zoals : aankopen van geschenken en bloemen, receptie-en restaurantkosten.

2. Berekening van het forfait

Nummer 342/73

De representatiekosten zijn forfaitair vastgesteld op 2 % van het bedrag van de bruto-ontvangsten (exclusief BTW) die voortkomen van de eigenlijke uitbating van de speelautomaten.

De ontvangsten van de verkoop of de verhuring van speelautomaten worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het bedoelde forfait daar het de representatiekosten met betrekking tot dat deel van de werkzaamheid niet bevat.

3. Toepassingsvoorwaarden

Nummer 342/74

1° De belastingplichtige moet zijn beroep in zodanige omstandigheden uitoefenen dat mag worden aangenomen dat hij, in feite in een normale mate de kosten moet dragen die door het forfait zijn gedekt.

2° De toepassing van het forfait mag niet samengaan met de aftrek van door bewijsstukken gestaafde kosten die in het forfait begrepen zijn.

3° De toepassing van het forfait is niet verplicht; de belastingplichtige mag ervan afwijken door zijn beroepskosten, post per post, te bewijzen.

4° Het forfait geldt, tot herroeping, voor de inkomsten van de aj. 1981 en volgende voor zover de toepassing ervan, vóór taxatie, door de belastingplichtige wordt gevraagd.

De aanslagambtenaar mag de toepassing van het forfait weigeren :

- indien hij in staat is te bewijzen dat de werkelijke representatiekosten aanzienlijk lager zijn dan de forfaitair bepaalde kosten;

- indien hij vaststelt, hetzij dat de belastingplichtige de bescheiden die inzake BTW voor de verrichtingen met betrekking tot zijn beroepswerkzaamheid zijn voorgeschreven, niet geëist of uitgereikt heeft, hetzij dat de betrokkene zijn verplichtingen inzake het houden van boeken en bescheiden niet is nagekomen.

4. Diversen

Nummer 342/75

Naast de forfaitaire aftrek waarvan hiervoren sprake is, mag geen enkele beroepskost worden aangenomen die niet door bewijsstukken is gestaafd, uitgenomen in geval van diefstal, verlies of vernietiging.

De overeenkomst geldt alleen voor de exploitanten van speelautomaten en mag niet, bij analogie, voor een ander beroep worden toegepast.

E. ZELFSTANDIGE OPVANGMOEDERS

Nummer 342/76

Ten aanzien van zelfstandige opvangmoeders is de toepassing van het in het collectief akkoord vastgelegde forfait afhankelijk van de voorwaarden die opgesomd zijn in 342/78.

Het akkoord omvat al de beroepskosten van de betrokken opvangmoeders, behoudens de eventuele bijdragen inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen.

1. Bedrag van het forfait

Nummer 342/77

De beroepskosten van de betrokken opvangmoeders zijn vastgesteld op basis van een forfaitair bedrag van 350 F per kind en per oppasdag (Voor het aj. 1990 was dit bedrag vastgesteld op 290 F) [vanaf aanslagjaar 2001: 12,15 EUR]. Dat bedrag wordt niet opgesplitst in verhouding tot de dagelijkse aanwezigheidsduur van het kind. De aftrek van het forfait is evenwel beperkt tot het voor de opvang ontvangen bedrag wanneer dit laatste lager is dan 350 F (Voor het aj. 1990 was dit bedrag vastgesteld op 290 F) [vanaf aanslagjaar 2001: 12,15 EUR].

2. Toepassingsvoorwaarden

Nummer 342/78

1° Het forfait is alleen van toepassing op zelfstandige opvangmoeders. Het geldt niet voor de opvangmoeders van de gesubsidieerde sector, waarvan de tegemoetkomingen worden geacht uitsluitend de uitgaven voor onderhoud, opvoeding en behandeling van de kinderen te vertegenwoordigen.

2° De toepassing van het forfait is niet verplicht; de belastingplichtige mag zijn beroepskosten post per post bewijzen.

3° De toepassing van het forfait mag niet samengaan met de aftrek van andere wegens de opvangactiviteit vastgestelde beroepskosten die met bewijsstukken worden gestaafd, evenmin als met de forfaitaire aftrek voor beroepskosten.

4° Het forfait is, tot herroeping, van toepassing op de inkomsten van de ajn 1990 en volgende, voor zover de belastingplichtige de toepassing ervan vraagt in zijn aangifte in de personenbelasting.

V. MINIMUMWINST DIE BELASTBAAR IS TEN NAME VAN VREEMDE FIRMA'S DIE IN BELGIE WERKZAAM ZIJN

A. KB/WIB 92

Nummer 342/79

Art. 182. - § 1. De minimumwinst die belastbaar is ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn en volgens de vergelijkingsprocedure neergelegd in artikel 342, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 belastbaar zijn, wordt bepaald als volgt :

1° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of boomkwekerijen : forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belastingplichtigen die in dezelfde landbouwstreek een soortgelijk beroep uitoefenen;

2° ondernemingen behorend tot de :

a) scheikundige nijverheid : 900.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

b) voedingsnijverheid : 500.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

c) metaalnijverheid, fijn mechanische nijverheid en bedrijven, ondernemingen die niet-energetische delfstoffen winnen en verwerken, bouwnijverheid en alle andere niet sub a en b, hierboven vermelde nijverheidsbedrijven en -ondernemingen : 300.000 F per personeelslid (gemiddeld getal over het beschouwde jaar);

3° ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector :

a) groothandel, kleinhandel, vervoer, horeca, ingenieurs- en studiebureaus, informatica en elektronica en andere diensten aan ondernemingen : 100 F per 1.000 F omzet, met een minimum van 300.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

b) tussenpersonen in handel en vervoer : 100 F per 1.000 F omzet, met een minimum van 600.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

c) banken, krediet- en wisselinstellingen : 1.000.000 F per personeelslid (gemiddeld getal over het beschouwde jaar);

d) verzekeringen : 100 F per 1.000 F geïnde premies;

e) alle andere bedrijven en ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : 100 F per 1.000 F omzet, met een minimum van 300.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar).

§ 2. Het bedrag van de overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare winst mag in geen geval lager zijn dan 400.000 F.

§ 3. De overeenkomstig in § 1 vastgestelde belastbare inkomsten omvatten niet de in artikel 228, § 2, 8°, g, (lees art. 228, § 2, 9°, g van hetzelfde Wetboek) bedoelde meerwaarden.

B. ALGEMEEN

Nummer 342/80

Wanneer een buitenlandse firma over geen bewijskrachtige bescheiden beschikt betreffende haar in België behaalde winst, moet die winst worden vastgesteld, ofwel volgens de gewone vergelijkingsprocedure vermeld in art. 342, § 1, 1e lid, WIB 92, ofwel op grond van andere wettelijke of feitelijke vermoedens die het mogelijk maken de aanslag te vestigen op een grondslag die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

Art. 342, § 2, WIB 92, bepaalt dat de Koning, rekening houdend met de in het 1e lid van § 1 van hetzelfde artikel vermelde gegevens (aangewende kapitaal, omzet, aantal werklieden, benuttigde drijfkracht, huurwaarde van de in bedrijf genomen gronden, alsmede alle andere nuttige inlichtingen), de minimumwinst vaststelt, die belastbaar is ten name van zulke firma's.

Alleen bij ontstentenis van elke nauwkeuriger grondslag of nog wanneer de op grond van andere vermoedens bepaalde winst minder bedraagt dan die welke voortvloeit uit de toepassing van de minima bepaald in art. 182, KB/WIB 92, zijn die minima van toepassing.

Er wordt opgemerkt dat de buitenlandse ondernemingen slechts onderworpen zijn aan de bepalingen van de W 17.7.1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en aan de bepalingen van het KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, voor hun in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden. De bepalingen van het KB 8.10.1976 zijn nochtans niet van toepassing op de ondernemingen bedoeld bij art. 12 en 16, §§ 1 en 2, 2e lid, W 17.7.1975 (zie 342/89 betreffende de buitenlandse verzekeringsondernemingen).

De boeken, rekeningen en verantwoordingsstukken betreffende de bijkantoren en centra van werkzaamheden moeten in België worden bewaard.

Nummer 342/81

Art. 182, KB/WIB 92, legt die belastbare minimumwinst als volgt vast:

1° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of boomkwekerijen : forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belastingplichtigen die in dezelfde landbouwstreek een soortgelijk beroep uitoefenen;

2° ondernemingen behorend tot de :

a) scheikundige nijverheid : 900.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

b) voedingsnijverheid : 500.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

c) metaalnijverheid, fijn mechanische nijverheid en bedrijven, ondernemingen die niet-energetische delfstoffen winnen en verwerken, bouwnijverheid en alle andere niet sub a en b hierboven vermelde nijverheidsbedrijven en -ondernemingen : 300.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

3° ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector :

a) groothandel, kleinhandel, vervoer, horeca, ingenieurs- en studiebureaus, informatica en electronica en andere diensten aan ondernemingen : 100 F per 1.000 F omzet, met een minimum van 300.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

b) tussenpersonen in handel en vervoer : 100 F per 1.000 F omzet, met een minimum van 600.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

c) banken, krediet- en wisselinstellingen : 1.000.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar);

d) verzekeringen : 100 F per 1.000 F geïnde premies;

e) alle andere bedrijven en ondernemingen uit de handelssector en de dienstverlenende sector : 100 F per 1.000 F omzet, met een minimum van 300.000 F per personeelslid (gemiddeld aantal over het beschouwde jaar).

Het bedrag van de aldus vastgestelde belastbare winst mag in geen geval lager zijn dan 400.000 F.

De belastbare inkomsten omvatten echter niet de in art. 228, §2, 9°, g, WIB 92, vermelde meerwaarden.

De in art. 182, KB/WIB 92, vermelde bedragen gelden met ingang van het aj. 1992.

Nummer 342/82

Het forfaitaire stelsel moet worden geweigerd aan de belastingplichtige die vroeger boekhouddocumenten tot staving van zijn aangifte heeft verstrekt; m.a.w. de buitenlandse belastingplichtige wiens aanslag eenmaal werd vastgelegd volgens de uitslag van boekhoudgeschriften, moet later normaal worden belast op grond van zijn boekhouding. De belastingplichtige, mag naargelang van de omstandigheden, het voor hem voordeligste aanslagstelsel niet kiezen.

Nummer 342/83

Gerechtelijke uitspraken :

- de buitenlandse ondernemingen die in België zaken doen en geen uittreksel overleggen uit een overeenkomstig de voorschriften van de wetgeving op de boekhouding gevoerde comptabiliteit of geen bescheiden die de juistheid van de aangegeven inkomsten voldoende rechtvaardigen, moeten volgens de in art. 248, WIB (thans art. 342, WIB 92), beoogde vergelijkingsprocedure worden aangeslagen, met dien verstande dat de aldus geraamde winst niet minder mag bedragen dan die voortvloeiende uit de toepassing van de minima vermeld in art. 146, § 1, KB/WIB (thans art. 182, § 1, KB/WIB 92)waarnaar de administratie zich niet dient te schikken indien ze over andere bewijskrachtige gegevens beschikt (Brussel, 27.1.1961, NV naar Zwitsers recht, Triosa; 23.10.1962, vennootschap naar Zwitsers recht, "Constructions mécaniques du Leman", bevestigd bij Cass., 16.2.1966, Bull. 443, blz. 1395);

- ook al wordt de minimumwinst belastbaar ten name van buitenlandse firma's die in België werkzaam zijn, vastgesteld bij koninklijk besluit, toch behoudt de administratie het recht de aanslag te regelen, niet op grond van die minimumwinst, maar volgens de normale winst van soortgelijke belastingplichtigen, rekening houdend met alle nuttige inlichtingen. Verder verplicht geen enkele bepaling de administratie dezelfde methode eenvormig voor verschillende boekjaren toe te passen (Cass., 11.10.1937, Compagnie centrale des émeris et abrasifs, Pas. 1937, I, 272);

- de gegevens overgelegd tot staving van haar aangifte in de belasting van niet-inwoners door een vennootschap naar buitenlands recht die in België over een inrichting beschikt, moeten, hoewel ze niet noodzakelijk naar een overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van koophandel gevoerde boekhouding moeten verwijzen, een geldige verificatie mogelijk maken en moeten samengesteld zijn uit boekhoudkundige gegevens die de werkelijkheid weergeven en die onderzocht kunnen worden in de zetel waar de verrichtingen van de buitenlandse maatschappij in België plaatshebben. Zo de overgelegde gegevens het niet mogelijk maken het resultaat van de Belgische exploitatie te bepalen, stelt de administratie terecht de belastbare winst vast bij toepassing van art. 2 van het KB van 16.4.1963 dat art. 146 KB/WIB (thans art. 182, KB/WIB 92) is geworden (Brussel, 24.3.1971, NV naar Spaans recht "Plus Ultra", Bull. 504, blz. 290).

Nummer 342/84

Het bedrag van de belastbare winst berekend zoals hierboven is bepaald, mag niet minder bedragen dan 400.000 F, tenzij natuurlijk een lagere uitslag voortvloeit uit een regelmatige boekhouding of uit andere voldoende bewijskrachtige bescheiden.

Dit minimum is een absoluut forfait dat niet mag worden verminderd naar verhouding tot het aantal maanden beroepswerkzaamheid.

Nummer 342/85

Zoals bepaald in § 3 van art. 182, KB/WIB 92 omvat de volgens § 1 van hetzelfde artikel bepaalde forfaitaire minimumwinsten uiteraard niet de meerwaarden die een niet-rijksinwoner behaalt op in België gelegen ongebouwde onroerende (of ermee gelijkgestelde) goederen of op zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen, naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel in omstandigheden als vermeld in art. 90, 8°, WIB 92.

Die meerwaarde is immers belastbaar als divers inkomen en als zodanig onderworpen aan de bijzondere aanslag als vermeld in art. 301, WIB 92.

Wanneer de verwezenlijkte meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen evenwel als winst worden gekwalificeerd op grond van art. 228, § 2, 3° (aanhef) of 3°, a, WIB 92, zijn zij begrepen in de forfaitaire minimumwinst.

Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat meerwaarden die zijn verwezenlijkt op ongebouwde onroerende goederen van land- en tuinbouwondernemingen, geëxploiteerd door een natuurlijke persoon, volledig en onvoorwaardelijk vrijgesteld zijn als beroepsinkomsten onverminderd de belastbaarheid als divers inkomen (cf. art. 228, § 2,9°, g en 301, WIB 92) .

Nummer 342/86

Verder is de forfaitaire winst die belastbaar is ten name van buitenlandse ondernemingen die in België werkzaam zijn, een absoluut minimum, dat de aftrek van welke beroepskost ook, uitsluit. Het bij het forfait ingestelde vermoeden kan immers slechts worden teniet gedaan door het bewijs van het juiste bedrag van de belastbare inkomsten (Cass., 11.10.1937, Compagnie centrale des émeris et abrasifs, Pas. 1937, I, 272; Brussel, 14.12.1961, NV naar Zwitsers recht, "Durand et Hughenin", Bull. 406, blz. 769, bevestigd bij Cass., 24.9.1963, Bull. 406, blz. 776).

Nummer 342/87

Met betrekking tot het gemiddeld aantal personeelsleden, maakt voornoemd art. 182, KB/WIB 92, geen enkel onderscheid tussen productieve en niet productieve of halfproductieve werkkrachten, leerjongens of geschoolde medewerkers (Brussel, 8.1.1966, NV naar Indonesisch recht, Soetan Sjahsam Corporation, Bull. 437, blz. 140).

C. ONDERNEMINGEN DIE HUN FISCALE WOONPLAATS IN EEN LAND HEBBEN WAARMEE BELGIE EEN OVEREENKOMST TOT HET VERMIJDEN VAN DUBBELE BELASTING HEEFT GESLOTEN

Nummer 342/88

Bij gebrek aan een regelmatige boekhouding of aan andere afdoende gegevens die het mogelijk maken de winst te bepalen die moet worden toegerekend aan een Belgische vaste inrichting van een onderneming die haar fiscale woonplaats in een land heeft waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten, mag de Belgische belasting worden gevestigd op een belastbare grondslag die volgens de Belgische wetgeving wordt bepaald, wat o.m. de mogelijkheid insluit de methode van vergelijking, met inbegrip van de bij art. 182, KB/WIB 92, bepaalde forfaits, toe te passen.

Er moet trouwens worden aangestipt dat sommige overeenkomsten uitdrukkelijk in de toepassing van de rechtsmiddelen van de nationale wetgeving voorzien (methode van vergelijking en toepassing van de forfaitaire minima). Maar er mag ook op die wijze worden gehandeld indien geen enkele bepaling in die zin uitdrukkelijk in de overeenkomsten voorkomt, aangezien geen enkele verdragsbepaling uitdrukkelijk de toepassing van die methoden verbiedt. Terzake wordt verwezen naar 7/413 en volgende, Com. OV.

Indien er een dubbele belasting uit voortvloeit, kunnen de bevoegde autoriteiten, in het kader van de minnelijke regeling, met elkaar overleg plegen om in de mate van het mogelijke de dubbele belasting uit te schakelen. Dit overleg kan slechts plaatsvinden door bemiddeling van het Hoofdbestuur (directie I/3 A) waarbij, langs hiërarchische weg, verslag moet worden uitgebracht.

D. BUITENLANDSE VERZEKERINGSONDERNEMINGEN

Nummer 342/89

Die ondernemingen zijn slechts onderworpen aan het KB 17.11.1994 betreffende de jaarrekening van de verzekeringsondernemingen (Bull. 746, blz. 189), voor de door hen in België gevestigde bijhuizen en exploitatiezetels.

De jaarrekening - een geheel dat de balans, de resultatenrekening en de toelichting omvat - wordt elke jaar afgesloten op 31 december en wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van voormeld KB. Zij wordt medegedeeld aan de Controledienst voor de verzekeringen, samen :

- met een gedetailleerde balans;

- met de gedetailleerde technische en niet-technische rekeningen opgesteld per activiteitengroep (leven en niet-leven) en uitgesplitst per activiteit.

Nummer 342/90

Eenvormigheidshalve heeft de administratie voor bepaalde problemen die gewoonlijk betwistingen doen ontstaan, een regeling getroffen. Zo werd ertoe besloten, in overleg met de afgevaardigden van de verzekeraars, de navolgende richtlijnen in acht te nemen:

1° Brandverzekering

Behoudens verantwoording, zal de totale premiereserve voor lopende risico's geen 50 % van de nettopremies te boven mogen gaan, zegge het brutobedrag, met uitsluiting van de toeslagen of kosten, verminderd met de aan de herverzekeraars afgestane premies (zie 183/17, 1°, d).

2° Zeeverzekering

Herverzekeringen. - Wanneer de tot herverzekering afgestane premies de door de herverzekeraars terugbetaalde sommen te boven gaan, zullen de vennootschappen dienaangaande ophelderingen en verantwoording moeten verstrekken.

Premiereserve voor lopende risico's. - Het bedrag van 50 % van de premies, vooraf verminderd met de toeslagen of kosten en met de aan de herverzekeraars afgestane premies, zal ook hier niet mogen worden overschreden, behoudens verantwoording.

Reserve voor bekende maar niet geregelde schaden. - Ingeval van twijfel nopens het bedrag van die reserve, moet een gedetailleerde opgave van de ramingen worden overgelegd.

Interest van reserves. - Vast te stellen naar het gemiddelde bedrag van de algemene balans.

3° Levensverzekering

Zoals voor de zeeverzekering, wat de herverzekeringen en de interest van reserves betreft.

Reserve voor bekende maar niet geregelde schaden. - De gedetailleerde opgave moet eventueel worden overgelegd.

Wiskundige reserve. - Zij zal kunnen worden verhoogd ten belope van een deel der geïnde premies en van het bedrag van de opgebrachte interest, en verminderd met het bedrag van de betaalde schade en van de afkoop van verzekeringen.

Premies afgedragen aan de maatschappelijke zetel. - De Belgische agenturen of bijkantoren van buitenlandse maatschappijen dragen premies af aan de maatschappelijke zetel. Die premies worden ofwel onmiddellijk, ofwel op het einde van het jaar, gedurende hetwelk zij werden geïncasseerd, ingezonden. In het eerste geval, moet worden aangenomen dat die sommen interest hebben opgebracht die bij het batig saldo van de verrichtingen moeten worden gevoegd. Om die interest te berekenen, moet men op het einde van het jaar het totaal van de naar de maatschappelijke zetel gezonden sommen bepalen; men moet er de overschrijvingen van aftrekken welke door die zetel werden gedaan met het oog op het regelen van de schade of andere uitgaven en de aldus bekomen uitkomst moet worden gedeeld door twee, om rekening te houden met het feit dat de remises en de ontvangsten op verscheidene tijdstippen van het jaar geschieden. Het voor de berekening van de interest te beschouwen bedrag is het gemiddelde bedrag zoals het uit de algemene balans voortvloeit. Zo de premies worden overgedragen op het einde van het jaar waarin zij worden geïnd, moet men geen interest rekenen, omdat die gelden zelf in België interest hebben opgebracht waarvan de Belgische zetel het genot heeft gehad.

Interest van reserves. - De vennootschappen beleggen hun reserves in België of in het buitenland. Voor die welke in België worden belegd, moet men de opgebrachte interest in aanmerking nemen; voor die in het buitenland belegd, moet men het gemiddelde percent in beschouwing nemen, zoals het blijkt uit de gegevens van de algemene balans.

Herverzekeringen. - Eventueel moet men al de verrichtingen aangaande herverzekeringen in de Belgische geschriften aantekenen : geïnde brutopremies, gedeelten van premies aan herverzekeraars afgestaan en deelhebbing van deze laatsten in de betaling van de schade.

Ten slotte werd overeengekomen dat de vennootschappen bij hun resultatenrekening een door twee leiders van de maatschappelijke zetel ondertekende verklaring moeten voegen waarbij de juistheid van de inzake herverzekeringen aangegeven cijfers wordt bevestigd.

Nummer 342/91

Bij gebrek aan bewijskrachtige bescheiden en wanneer de op grond van andere vermoedens bepaalde winst, minder bedraagt dan die welke voortvloeit uit de toepassing van de minima bepaald in art. 182, § 1, 3°, d, KB/WIB 92 (zie 342/81), moet de forfaitaire winst voor de buitenlandse verzekeringsondernemingen worden berekend op het bedrag van de brutopremies met inbegrip van die welke aan de herverzekeraars zijn afgestaan.

Onder brutopremies moet worden verstaan, alle vervallen premies, betaald of niet, met inbegrip van de commissies, makelaarslonen, emolumenten of andere kosten, maar met uitsluiting van de BTW en de annulaties.

E. AANKOOPKANTOREN

Nummer 342/92

Art. 182, § 1, 3°, e, KB/WIB 92, is van toepassing op de aankoopkantoren van buitenlandse firma's, met het gevolg dat hun belastbare nettowinst eventueel forfaitair wordt bepaald op 300.000 F per personeelslid; die kantoren incasseren inderdaad in België normaal zelf geen ontvangsten en hun winst bestaat gewoonlijk slechts in de besparing van kosten ten voordele van de in het buitenland gevestigde firma's.

Het is wel verstaan dat het hier de eigenlijke aankoopkantoren betreft. Zijn dus bedoeld, de buitenlandse ondernemingen die zich, door middel van in België gelegen vaste inrichtingen, beperken tot de aankoop in ons land, uitsluitend voor eigen rekening, van producten en goederen, bestemd om één of meer verkoopinrichtingen of werkplaatsen die de belastingplichtige in het buitenland exploiteert, van koopwaren te bevoorraden.

F. AANKOOPAGENTEN

Nummer 342/93

Worden integendeel niet bedoeld de firma's die, door bemiddeling van in België gelegen vaste inrichtingen, in het land zaken doen in de hoedanigheid van aankoopagenten, d.w.z., als commissionairs of makelaars, die commissie- of makelaarsverrichtingen doen voor rekening van derden en wier werk normaal door deze laatsten wordt bezoldigd. De minimumwinst die belastbaar is ten name van deze aankoopagenten moet eventueel worden vastgesteld, rekening houdende met de omzet met betrekking tot dat werk en met het aantal in de onderneming tewerkgestelde personeelsleden.