Commentaar van art. 375, WIB 92
Onderafdeling IV - Beslissing van de directeur
Art. 375, WIB 92
| 375/0 | |
| 375/1-41 | |
| A. Ambtenaar die bevoegd is om over het bezwaarschrift te beslissen | 375/1 |
| 375/2-29 | |
| 375/30-38 | |
| 375/39-41 |
Nummer 375/0
Art. 375. - De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige.
Het is hem niet toegelaten in zijn beslissing belastingsupplementen te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
De kennisgeving van de beslissing aan de belastingschuldige geschiedt bij ter post aangetekende brief.
A. AMBTENAAR DIE BEVOEGD IS OM OVER HET BEZWAARSCHRIFT TE BESLISSEN
Nummer 375/1
Krachtens art. 375, WIB 92, zijn de hiernavermelde ambtenaren bevoegd om over de bezwaarschriften uitspraak te doen :
- de gewestelijk directeur der belastingen;
- de plaatsvervanger van de gewestelijk directeur. Luidens art. 8, § 2, W 27.7.1983 (V 877 - Bull. 296, blz. 337) duidt het woord "directeur" immers op de ambtenaar die met de leiding van de provinciale of gewestelijke directie is belast of zijn plaatsvervanger. Ingeval de gewestelijk directeur zijn ambt niet meer uitoefent of daartoe wettelijk is verhinderd, kan hij, luidens voormeld art. 8, § 2, worden vervangen door hem die daar tot voordien door de bevoegde overheid is aangewezen of door de ambtenaar die hem ingevolge de regels van de hiërarchie van ambtswege vervangt (Cass., 30.1.1980, Kleynen, Bull. 600, blz. 2498);
- de door de gewestelijk directeur of door zijn plaatsvervanger daartoe gedelegeerde ambtena(a)r(en).
Vermits de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar die over een bezwaarschrift uitspraak doet een rechterlijke handeling stelt (zie 375/9), moet hij voldoen aan de regel inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter; die regel is inderdaad een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges toepassing vindt (Cass. 14.12.1989, Peters; Cass. 23.3.1990, Van San, Bull. 704, blz. 862).
Wanneer de ambtenaar die een bezwaarschrift heeft waarover hij als plaatsvervanger van de gewestelijk directeur of als gedelegeerde ambtenaar uitspraak moet doen vaststelt dat het bezwaarschrift is gericht tegen een aanslag die hij zelf heeft gevestigd, dient hij de directeur daarvan onmiddellijk in kennis te stellen, waarna hij door de directeur van het dossier moet worden ontheven. De beslissing dient dan door een andere ambtenaar te worden getroffen (zie eveneens 374/4 en 376/1).
1. Vorm van de beslissing
Nummer 375/2
Door de wet wordt geen enkele wezenlijke vorm opgelegd, waarin de beslissing van de directeur (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) dient te worden getroffen.
Aldus is de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) ertoe gerechtigd zijn beslissing op te stellen in de vorm van een gewone brief (Brussel, 9.3.1966, Vansteen J.).
Vorenbedoelde ambtenaren zijn er door geen enkele wettelijke bepaling toe verplicht de aandacht van de belastingplichtige te vestigen op het fatale karakter van de vervaltermijn bepaald bij art. 379, WIB 92, Het weglaten van deze inlichting blijft zonder uitwerking (Luik, 28.11.1953, Quertinmont).
2. Taal van de beslissing
Nummer 375/3
De directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar moet zijn beslissing opstellen in de taal die hem wordt opgelegd door het KB van 18.7.1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (V 1146).
3. Geen termijn voor het treffen van de beslissing
Nummer 375/4
Geen enkele wetsbepaling verplicht de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar binnen een bepaalde termijn uitspraak te doen over een bezwaarschrift of maakt de geldigheid van zijn beslissing afhankelijk van de inachtneming van een vastgestelde termijn.
4. Verplichting de beslissing te motiveren
Nummer 375/5
Art. 375, WIB 92, legt aan de directeur der belastingen of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar uitdrukkelijk de verplichting op hun beslissingen te motiveren.
De motivering is niet aan sacramentele vormen gebonden : het is voldoende dat uit de voorstelling en de bewoordingen van de beslissing duidelijk de redenen blijken waarom de in het bezwaarschrift opgeworpen grieven werden afgewezen (Brussel, 9.3.1966, Vanstaen J.).
Een beslissing die niet aan die vormvereiste voldoet, is evenwel uiteraard niet nietig, vermits het gebrek aan motivering niet belet dat de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar uitspraak heeft gedaan nopens het bezwaarschrift, maar het Hof van beroep kan, in geval van voorziening, de beslissing wegens gebrek aan motivering nietig verklaren. Dit brengt nochtans de nietigheid van de aanslag niet mede (Gent, 9.1.1951, Acar).
De wettelijke verplichting tot motivering verkrijgt een bijzonder belang, gelet op het beginsel dat de beslissing van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een rechtsprekende handeling is waaraan het gezag van gewijsde is verbonden (zie 375/10), gezag dat kan worden ingeroepen tegen de aanslag die, eventueel, naderhand op dezelfde belastingbestanddelen wordt gevestigd en het voorwerp van een nieuwe en onderscheiden inkohiering is (zie commentaar op art. 355, WIB 92).
5. Gemotiveerde beslissing die niet alle ingeroepen bezwaren weerlegt
Nummer 375/6
Wanneer de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) heeft nagelaten zich over een punt van het bezwaarschrift uit te spreken, is de belastingplichtige, die zijn bezwaarschrift handhaaft ertoe gehouden een voorziening bij het Hof van beroep in te dienen, daar het verzuim te beslissen gelijk staat met een verwerping.
Inderdaad, de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar ontdoet zich van het bezwaarschrift door erover te beslissen. Hij kan door een nieuw bezwaarschrift geen kennis nemen van een betwisting waarover hij had moeten beslissen, daar het tweede bezwaarschrift, ingediend om een bij het eerste bezwaarschrift reeds gevraagde ontheffing te bekomen, zonder voorwerp is (Cass., 6.2.1962, Grisar, Bull. 390, blz. 1640).
Nummer 375/7
De beslissing die, als enige reden voor verwerping van het bezwaarschrift, het feit inroept dat de belastingplichtige geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging van de Insp. om bewijskrachtige stukken over te leggen, is niet naar volle recht gemotiveerd, wanneer blijkt dat de mogelijkheid bestond van antwoord op verscheidene voorgebrachte middelen, ondanks het ontbreken van de gevraagde stukken (Gent, 9.1.1951, Acar) (zie 374/21 tot 23).
6. Kenmerken van de beslissing
Nummer 375/8
De beslissing van de directeur, of van de door hem gedelegeerde ambtenaar waarbij uitspraak wordt gedaan op de aanslag welke het voorwerp is van een bezwaarschrift door de belastingplichtige ingediend overeenkomstig art. 375, WIB 92, is een rechtsprekende handeling waaraan het gezag van het gewijsde is verbonden en waardoor de zaak aan de directeur (of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar) wordt onttrokken (Cass., 1.10.1957, SA Charbonnages de Tamines, Pas. 1958, I, 79).
a) Rechtsprekende handeling
Nummer 375/9
De beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over een betwisting is een rechtsprekende handeling die kan worden gelijkgesteld met een vonnis; de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar beschikt inderdaad over een rechtsprekende bevoegdheid.
b) Gezag van het rechterlijk gewijsde
Nummer 375/10
Het gezag van het rechterlijk gewijsde verbonden aan de beslissing van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar is verschillend van het gezag verbonden aan rechterlijke beslissingen in burgerlijke en strafzaken (zie commentaar op art. 340, WIB 92).
Zijn wettelijke grondslag ligt niet in de art. 1350 en 1351, BW en in de art. 23 tot 27, Ger.W maar in de algemene rechtsbeginselen van de directe belastingen en in de art. 65 en 66, SWIB of de art. 375 en 377, WIB 92 Cass., 3.5.1973, Maerschalck, Bull. 519, blz. 1228).
Dit heeft noodzakelijkerwijze tot gevolg dat geen nieuwe aanslag kan worden gevestigd die geheel of ten dele onverenigbaar is met wat definitief omtrent een vorige aanslag werd gevonnist.
Opdat het zou mogen worden opgeworpen, is niet vereist, zoals zulks in burgerlijke zaken het geval is, dat het geschil hetzelfde voorwerp heeft en op dezelfde oorzaak berust (art. 23, Ger.W); daarentegen bestaat het, zoals in burgerlijke zaken, slechts tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid.
Daar het, ten slotte, van openbare orde is, moet het ambtshalve door de rechter worden opgeworpen en kan het door de partijen in elke stand van het geding worden voorgedragen.
Nummer 375/11
Wat het gezag van het rechterlijk gewijsde betreft dat verbonden is aan de beslissing van de directeur (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) werd het volgende gevonnist :
- om de omvang van het gewijsde te beoordelen moet niet alleen worden gelet op het dispositief van de beslissing, maar ook op de redenen die er het noodzakelijk fundament van zijn (Cass., 16.11.1960, Wed. Krivine, Bull. 377, blz. 1183; 22.1.1963, NV Belgische Margarine Unie, Bull. 406, blz. 785).
Daaruit vloeit voort dat, wanneer een arrest van het Hof van beroep de redenen van de beslissing geheel of gedeeltelijk weert, het dispositief dat op de aldus geweerde redenen steunt, het gezag van het rechterlijk gewijsde verliest en niet mag worden uitgevoerd, ook al heeft het arrest het niet uitdrukkelijk vernietigd (zie voormeld arrest van 22.1.1963);
- de beslissingen van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) hebben slechts het gezag van het gewijsde wanneer die uitspraak doen over een bezwaarschrift ingediend overeenkomstig art. 366, WIB 92 (Cass., 20.10.1960, Joret, Bull. 376, blz. 1016). Dat is dus niet het geval met de beslissing waarbij de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar ontheffing van ambtswege verleent op grond van art. 376, WIB 92.
Nummer 375/12
Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen het "gezag van het gewijsde" en de "kracht van het gewijsde" :
- de bepaling van het gezag van het gewijsde werd hierboven reeds gegeven;
- de kracht van het gewijsde wordt geregeld door art. 28, Ger.W dat luidt als volgt :
"Iedere beslissing gaat in kracht van gewijsde zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen.".
De beslissing van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, die niet het voorwerp van een voorziening in beroep is, verkrijgt dus kracht van gewijsde, van het ogenblik af dat de termijn van 40 dagen, binnen welke een voorziening had kunnen ingediend worden, is verstreken.
c. Het onttrekken van de betwisting aan de Gew.dir. of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar
Nummer 375/13
De beslissing van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) beëindigt de administratieve fase van het geschil tussen de belastingplichtige en de administratie; de voorziening van de belastingplichtige voor het Hof van beroep luidt de gerechtelijke fase in van het geschil waarover het Hof van beroep zich in eerste en laatste aanleg uitspreekt (Cass., 13.11.1962, Dustin, Bull. 402, blz. 2208).
Nummer 375/14
In dit verband werd gevonnist dat :
- de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) van zijn bevoegdheid is ontheven door zijn beslissing over het bezwaarschrift, zelfs wanneer hij heeft nagelaten zich uit te spreken over een punt van het bezwaarschrift (zie 375/6);
- wanneer een beslissing een bezwaarschrift wegens laattijdigheid heeft verworpen en de betwiste aanslag dus blijkt gehandhaafd, heeft de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) zijn macht volledig uitgeput en kan hij niet meer opnieuw optreden. Het komt alsdan aan het Hof van beroep, waarbij het geschil in zijn geheel wordt aanhangig gemaakt door de voorziening van de belastingplichtige, toe te beslissen over de grond alsmede over de gronden van niet- ontvankelijkheid en de excepties, zonder zich daaraan te kunnen onttrekken, behoudens zo het niet bevoegd is (Cass., 14.2.1938, "Société Industriëlle et commerciale électro-mécanique", Pas. 1938, I, 42);
- wanneer de Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) uitspraak heeft gedaan over een bezwaarschrift, vermag de administratie niet meer, buiten de in de wet bepaalde uitzonderingen, de aanslag zoals hij uit die beslissing voortvloeit, te wijzigen of te vernietigen (Cass., 18.10.1958, Godisiabois, Bull. 354, blz. 387; 3.1.1961, Piot, Bull. 377, blz. 1217). Indien de beslissing het voorwerp is van een voorziening in beroep en de administratie in haar besluiten instemt met een door de belastingplichtige gevraagde ontheffing, heeft dit niet tot gevolg de machten van het Hof van beroep te beperken of dit Hof te ontslaan van zijn verplichting de gehele betwisting, waartegen de voorziening gericht was en gericht blijft, te onderzoeken (ibidem).
7. Brieven die als een eenvoudige vraag om inlichtingen moeten worden beschouwd
Nummer 375/15
De brieven, die aan de Gew.dir. worden gericht en die te beschouwen zijn als eenvoudige vragen om inlichtingen, moeten tot beschikking worden doorgezonden aan de Hfd.crs., aan de Leid. CTK of aan de Ontv., die de gepaste inlichtingen aan de betrokkenen dienen te verstrekken.
8. Bezwaarschriften die niet-ontvankelijk zijn omdat zij niet werden ingediend in de wettelijke vormen
Nummer 375/16
Een brief die niet ondertekend of niet gemotiveerd is mag niet als een bezwaarschrift worden beschouwd; dergelijke aanvraag moet niet voor onderzoek aan de Insp., Hfd.cr., Ontv., enz., worden toegezonden.
De opsteller van een dergelijke brief, moet door de Gew.dir. of door de door hem gedelegeerde ambtenaar onmiddellijk, bij aangetekend schrijven, ervan in kennis worden gesteld dat zijn verzoekschrift niet ontvankelijk is vermits het niet kan worden beschouwd als een regelmatig bezwaarschrift in de zin van de artikelen 366 en 371, WIB 92. Hiertoe zal het volgende model van antwoord worden gebruikt dat, naargelang de omstandigheden, dient te worden aangepast en dat het gebruikelijk ontvangstbericht vervangt.
De niet-ondertekende of niet-gemotiveerde brief van de belastingplichtige dient ter directie te worden bewaard om, in geval van betwisting voor het Hof van beroep, als bewijsstuk te dienen.
Het antwoord van de directeur of van de door hem gedelegeerde ambtenaar moet worden beschouwd als een beslissing in de zin van art. 375, WIB 92.
Vermits anderzijds in de brief die de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar tot de opsteller van een niet-ondertekende brief richt de ingeroepen grieven niet ten gronde worden besproken, verhindert dat de belastingplichtige niet, binnen de wettelijke termijn, een nieuw bezwaarschrift in te dienen, zelfs indien de grieven identiek zijn aan deze die in de oorspronkelijke brief werden ingeroepen.
Model van antwoord. Administratie van de directe belastingen.
.................., .....19..
Directie: ..........
Nr. ................
Bijlage:
M............... Ik heb de eer U ontvangst te melden van uw brief van ............
......................
Daar deze brief
- niet is ondertekend (1);
- geen welbepaalde motieven, in rechte of in feite, bevat welke van aard zijn als betwisting te gelden van de aanslag, waarvan U het voorwerp bent geweest (1); kan hij niet worden beschouwd als een regelmatig bezwaarschrift in de zin van de art. 366 en 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en kan er, bijgevolg, geen gevolg worden aan gegeven.
Hoogachtend. (1)
Voor de Directeur: (1)
De .........
De Heer ................ ........................ te.....................
(1) Het overbodige schrappen.
9. Bezwaarschriften die niet-ontvankelijk zijn wegens laattijdigheid
Nummer 375/17
Wanneer een bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijnen is ingediend, moet de beslissing beperkt blijven tot het vaststellen van de niet-ontvankelijkheid en, zelfs subsidiair, de grond van de betwisting niet aanraken.
10. Rechten en plichten van de directeur of van de door hem gedelegeerde ambtenaar
Nummer 375/18
De directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar moet zich ertoe beperken in de beslissing enkel uitspraak te doen over de grieven die door de belastingplichtige in zijn bezwaarschrift (art. 366, WIB 92) of in een later verzoekschrift (art. 372, WIB 92) zijn aangevoerd.
Dit betekent dat hij in zijn beslissing geen ontheffing mag verlenen die niet voortspruit uit een door de bezwaarindiener regelmatig opgeworpen grief (zie evenwel 375/24 en 25), noch supplementen kan vestigen, zelfs niet als compensatie met een rechtmatig bevonden ontheffing (wat dit laatste punt betreft zie evenwel 375/29).
Nummer 375/19
Rekening houdend, mutatis mutandis, met de gevestigde rechtspraak van het Hof van cassatie in verband met de bevoegdheid van het Hof van beroep (zie commentaar op art. 377), moet worden aangenomen dat de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar, aangezien de belastingzaken van openbare orde zijn, binnen de perken van zijn bevoegdheid tot kennisneming verplicht is de bestanddelen van de zaak die hem regelmatig is onderworpen in feite en in rechte te beoordelen en de aanslag eventueel te verantwoorden door andere redenen dan die welke de aanslagambtenaar heeft doen gelden.
Nummer 375/20
Om de juiste draagwijdte van de grieven te bepalen, dient men zich echter niet te houden aan een letterlijke interpretatie van de door de belastingplichtige gebruikte bewoordingen; er moet integendeel worden uitgemaakt wat juist achter de bewoordingen van het bezwaarschrift schuil gaat en wat werkelijk door de belastingplichtige wordt aangevochten, m.a.w. de feitelijke en juridische bestanddelen die tot grondslag van de door de belastingplichtige betwiste aanslag hebben gediend (zie ook commentaar op art. 377).
Aldus kan de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar de beoordeling van de feiten door de aanslagambtenaar staven met andere gegevens (bv. nieuwe redenen tot staving van de thesis dat de belastingplichtige functies gelijkaardig met die van bestuurder uitoefent - zie ook Cass., 17.9.1968, Goldberg, Bull. 464, blz. 924).
Steunende op de werkelijkheid, mag hij aan de feiten een interpretatie geven welke verschilt van die van de aanslagambtenaar (bv. winstgevende bezigheid of bedrijf, baten of diverse inkomsten, meerwaarden op activa of bedrijfsverrichting - zie Cass., 15.4.1969, Mousset, Bull. 473, blz. 552; Gent, 15.6.1973, Coene, J.P.D.F. 1974, blz. 79; Cass., 27.4.1965, Cromphout, Bull. 422, blz. 1630; Cass. 3.5.1991, Pollentier, Bull. 717, blz. 1645).
Hij mag een verrichting anders beoordelen of kwalificeren dan de aanslagambtenaar heeft gedaan (hij mag bv. beslissen dat een bedrag als liberaliteit is betaald, terwijl de belastingplichtige voorhoudt dat een verbintenis tot niet-mededinging is vergoed en de aanslagambtenaar van zijn kant de aanslag heeft gebaseerd op een cessie van cliënteel, Cass., 19.11.1968, CV Laiterie St.-Michel, Bull. 468, blz. 1762).
De Gew.dir. (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) mag ook een andere thesis aanhouden dan die van de aanslagambtenaar wat betreft de kwalificering of de beoordeling van een overeenkomst (bv. verkoop of huurceel; huurceel ten name van een natuurlijke persoon of van een rechtspersoon, Cass., 16.10.1962, Baudinet, Bull. 400, blz. 1822).
Nummer 375/21
Hij gaat de perken van zijn bevoegdheid tot kennisneming niet te buiten wanneer hij, in het kader van een grief betreffende de toepassing van een bepaald bewijsmiddel, hieraan de nodige verbeteringen brengt, zonder evenwel dit bewijsmiddel door een ander te vervangen (zie evenwel 375/23 en 375/26).
De Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar blijft eveneens binnen de perken van zijn bevoegdheid tot kennisneming, wanneer hij een juiste kwalificatie geeft aan een bewijsmiddel of een procedure die door de aanslagambtenaar verkeerd is omschreven (bv. wettelijk vermoeden - art. 342 - door de aanslagambtenaar ingeroepen terwijl het klaarblijkelijk een feitelijk vermoeden betreft - art. 340 - Luik, 16.5.1975, Loyens, Bull. 542, blz. 1466; procedure van wijziging van aangifte verkeerdelijk als ambtshalve aanslagprocedure omschreven).
Nummer 375/22
Het feit dat de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar in de beslissing enkel uitspraak mag doen over de grieven die de bezwaarindiener heeft aangevoerd, belet niet dat hij, in geval van gehele of gedeeltelijke inwilliging van die grieven, bij de herberekening van de aanslagen, de te verlenen ontheffing moet doorvoeren met inachtneming van alle wijzigingen die krachtens de wet uit die inwilliging voortvloeien (bv. vermindering van het bruto-inkomen waaruit wijzigingen voortvloeien in de berekening van forfaitaire beroepskosten, aftrekken, enz. ...).
Nummer 375/23
Daarentegen gaat de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar de perken van zijn bevoegdheid tot kennisneming te buiten :
- wanneer hij de aanslag verantwoordt, verbetert of vernietigt op grond van een middel in feite of in rechte dat totaal vreemd is aan de ingeroepen grief (hij mag zich bv. niet bezig houden met de ontvangsten wanneer de grief betrekking heeft op de beroepskosten; hij mag niet beslissen dat het advies van de fiscale commissie nietig is wanneer enkel het bedrag van het door de fiscale commissie vastgestelde inkomen is betwist);
- wanneer hij een aanslag verantwoordt of verbetert op grond van een totaal ander bewijsmiddel dan door de aanslagambtenaar is ingeroepen (rechtvaardiging door middel van tekenen en indiciën van een inkomen dat bepaald is op grond van niet-passende vergelijkingspunten);
- wanneer hij in een beslissing over een bezwaarschrift tegen een aanslag waarvan de basis is bepaald op grond van art. 341, WIB 92, indiciën of verantwoordingselementen wijzigt die vreemd zijn aan de in het bezwaarschrift ingeroepen grieven.
Zie evenwel 375/29 in verband met het akkoord van de belastingplichtige, gegeven in de loop van het onderzoek van het bezwaarschrift.
11. Ambtshalve door de directeur of door de door hem gedelegeerde ambtenaar te onderzoeken punten
Nummer 375/24
Er zijn zekere punten die de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar ambtshalve moet onderzoeken alvorens tot het onderzoek ten gronde van de grieven over te gaan.
Hij moet inderdaad ambtshalve nagaan of er geen beletselen zijn die het vestigen van de belasting verhinderen (de prescriptie of het gezag van het rechterlijk gewijsde).
12. Onderzoek van een bezwaarschrift dat een overbelasting als bedoeld in art. 376, WIB 92, aan het licht brengt
Nummer 375/25
Wanneer ter gelegenheid van het onderzoek van een bezwaarschrift een overbelasting als bedoeld in art. 376, § 1 of § 3, WIB 92, aan het licht komt, moet de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar in de beslissing over het bezwaarschrift, terzelfdertijd de passende ontheffingen van ambtswege verlenen.
13. In welke gevallen moet de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar ingevolge een ingeroepen grief de nietigheid van een aanslag vaststellen ?
Nummer 375/26
De Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar heeft niet de macht om de onwettelijkheid van een aanslag wegens het niet in acht nemen van een op straffe van nietigheid voorgeschreven substantiële formaliteit te herstellen.
Aldus kan hij, wanneer hij kennis neemt van een grief waarbij wordt ingeroepen dat een substantiële formaliteit betreffende het bericht van wijziging, voorgeschreven bij art. 346, WIB 92, niet is nageleefd, de door de aanslagambtenaar begane onwettelijkheid niet herstellen (Cass., 30.10.1956, Van Haecht, Pas. 1957, I, 217; 17.12.1957, Delforge, Pas. 1958, I, 417), maar moet de aanslag worden vernietigd.
Met ingang van 1.1.1987 is vereist dat, wanneer de administratie gebruik maakt van het bewijsmiddel bedoeld in art. 342, § 1, lid 1, WIB 92, zij in het bericht van wijziging van aangifte of in het bericht van aanslag van ambtswege het bedrag van de winsten of baten van 3 soortgelijke belastingplichtigen mededeelt, zomede de gegevens die nodig zijn voor het verhoudingsgewijze bepalen van de winsten of baten van de betrokken belastingplichtige (zie commentaar op art. 346 en 351). Indien het onderzoek van de grieven van het bezwaarschrift aantoont dat die formaliteit niet is nageleefd of de vergelijkingsmethode niet op oordeelkundige wijze is toegepast, moet de aanslag ook worden vernietigd.
Dit is eveneens het geval wanneer de grief betrekking heeft op een onherstelbaar gebrek in het aangewende bewijsmiddel (minder dan 3 vergelijkingspunten - art. 342, WIB 92).
14. Aanvaarding door de directeur of door de door hem gedelegeerde ambtenaar brengt de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift mee
Nummer 375/27
Door een bezwaarschrift naar de grond af te wijzen, neemt de directeur (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) het bestaan en de regelmatigheid ervan aan (Cass., 25.2.1946, Compagnie auxiliaire d'Electricité, Pas. 1946, I, 89; 22.4.1952, Royal Automobile Club, Pas. 1952, I, 526).
15. Afstand van bezwaarschrift
Nummer 375/28
Door van zijn bezwaarschrift afstand te doen, ziet de belastingplichtige af van de betwistingen die hij had aangevoerd.
Vanaf de afgifte van de regelmatige akte van afstand is de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar ervan ontslagen de ingetrokken grieven in zijn beslissing te beantwoorden.
De Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar stelt de regelmatigheid van de afstand vast bij beslissing.
16. Akkoord van de belastingplichtige in de loop van het onderzoek van het bezwaarschrift
Nummer 375/29
Door een akkoord op de door de administratie voorgestelde cijfers tijdens het administratief onderzoek van het bezwaarschrift, heeft de belastingplichtige ten belope van bedoelde cijfers, afstand gedaan van de in het bezwaarschrift opgeworpen grieven (Cass., 16.3.1956, Blancquart, Pas. 1956, I, 761).
Behoudens bewijs van een vergissing in feite of in rechte of van een wilsgebrek heeft de belastingplichtige binnen de perken van deze afstand niet het recht om de onwettelijkheid en de onregelmatigheid in te roepen van de in het bezwaarschrift bedoelde aanslagen (ibid.).
Zelfs in de veronderstelling dat de administratie bij het bepalen van de belastbare basis een misslag heeft begaan volgt daaruit niet automatisch dat verzoeker in zijnen hoofde het bewijs levert van de vergissing die een door hem op een bepaald cijfer gegeven akkoord nietig maakt (Luik, 20.1.1961, Malherbe).
C. KENNISGEVING VAN DE BESLISSING AAN DE BELASTINGPLICHTIGE
1. Algemeen
Nummer 375/30
Het door de Gew.dir. of het door de door hem gedelegeerde ambtenaar ondertekende origineel van de beslissing blijft in het dossier van het bezwaarschrift berusten. Aan de belastingplichtige wordt, bij ter post aangetekende brief, een afschrift toegezonden.
Wanneer het toegezonden afschrift niet met de oorspronkelijke beslissing overeenstemt, mag het door een regelmatige kennisgeving worden vervangen, met dien verstande dat de termijn van beroep, in dit geval, slechts vanaf de geldige kennisgeving ingaat (Cass., 10.1.1961, Arckens, en consoorten, Bull. 378, blz. 1415).
2. Aan wie dient de kennisgeving van de beslissing te geschieden?
Nummer 375/31
De kennisgeving van de beslissing wordt aan de belastingplichtige zelf gedaan; nochtans zal de kennisgeving alleen aan de volmachtdrager geschieden indien de belastingplichtige schriftelijk erom heeft verzocht.
Hetzelfde geldt wanneer een advocaat als volmachtdrager van de belastingplichtige is opgetreden, met dien verstande dat de advocaat in ieder geval moet worden ingelicht dat een beslissing is getroffen.
3. De belastingplichtige is na het indienen van zijn bezwaarschrift overleden
Nummer 375/32
In dit geval moet de kennisgeving, in beginsel, worden gedaan aan het adres waar de nalatenschap is opengevallen, met vermelding naar gelang van het geval, van naam en voornaam van de overlevende echtgenoot en van iedere erfgenaam.
Nochtans, om de belanghebbenden in staat te stellen hun volledige rechten op een eventuele voorziening in beroep uit te oefenen, is het gepast een afschrift van de beslissing te zenden aan het persoonlijk adres van ieder van hen.
Indien al die personen of sommigen onder hen worden vertegenwoordigd door een aan de administratie bekende gemeenschappelijke mandataris, wordt de kennisgeving, wat de lastgevers betreft, geldig aan die mandataris gedaan.
Indien de belastingplichtige overlijdt nadat de beslissing werd getroffen, doch vóór het verstrijken van de termijn om een voorziening bij het Hof van beroep in te dienen, moet, overeenkomstig art. 56 van het Ger.W tot een nieuwe kennisgeving van de beslissing worden overgegaan aan de woonplaats van de overledene (zie commentaar op art. 379).
Overeenkomstig lid 3 van voormeld artikel, kan die kennisgeving aan de erfgenamen gezamenlijk worden gedaan, zonder opgave van hun naam en hoedanigheid. Iedere betrokkene kan nochtans het verval wegens het verstrijken van de termijn inroepen indien blijkt dat hem geen kennisgeving werd gedaan.
Gaat het om een onbeheerde nalatenschap (zie commentaar opart. 300), dan geschiedt de kennisgeving aan de curator.
4. Aan welk adres wordt het afschrift van de beslissing toegezonden ?
Nummer 375/33
De toezending van het afschrift van de beslissing geschiedt regelmatig aan het adres door de belastingplichtige vermeld in het bezwaarschrift of, indien het afschrift aan de mandataris moet worden toegezonden, aan het adres van de mandataris vermeld in het bezwaarschrift.
Het is zonder belang of het in het bezwaarschrift vermelde adres een werkelijk domicilie, een verblijfplaats of een vakantieadres is.
Er werd inderdaad gevonnist dat :
- door de wet niet is opgelegd dat de kennisgeving van de beslissing van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) moet geschieden aan de woonplaats van de belastingplichtige, met uitsluiting van zijn verblijfplaats; geldig is de kennisgeving van de beslissing aan de gewone verblijfplaats van de belastingplichtige in het bezwaarschrift speciaal aangeduid (Cass., 12.6.1962, Ferdman, Bull. 389, blz. 1459);
- van de beslissing geldig kennis kan worden gegeven op het vakantieadres aangeduid in het bezwaarschrift (Brussel, 25.5.1965, De Smet).
5. Hoe geschiedt de kennisgeving van de beslissing ?
Nummer 375/34
De kennisgeving van de beslissing geschiedt door aanbieding van de aangetekende omslag met een afschrift van deze beslissing overeenkomstig de beginselen van de postreglementering (MB 12.1.1970, BS 23.4.1970; Antwerpen 13.4.1976, J.D.F., 1977, blz. 147 en Cass., 24.10.1977, Meljado, Pas. 1978, I, 240).
Overeenkomstig deze reglementering, moet worden aangenomen dat er "aanbieding" is van de aangetekende zending wanneer :
- ofwel de brief aan de geadresseerde zelf of aan een daartoe gemandateerde tegen aftekening wordt afgegeven of door de bestemmeling of diens gevolmachtigde wordt geweigerd;
-ofwel de brief, wegens afwezigheid van de bestemmeling of van een gemandateerde, op het ogenblik van de aanhuisbestelling, niet kan worden uitgereikt en de postbode een bericht achterlaat waarbij de bestemmeling wordt uitgenodigd de aangetekende zending aan het loket van het aangeduide postkantoor af te halen (Brussel 30.5.1989, Verhard, Bull. 693, blz. 1012).
Daarentegen is er geen "aanbieding" geweest wanneer de aangetekende zending aan de Gew.dir. of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar wordt terugbezorgd voorzien van een van de volgende vermeldingen "Onbekend", "Vertrokken zonder adres op te geven", "Woont niet meer op het aangeduide adres", "Vertrokken naar ..".
Nummer 375/35
Praktisch gezien komt zulks hierop neer :
a) De aangetekende zending wordt niet aan de Gew.dir. of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar terugbezorgd
Er bestaat, althans voor de in het binnenland te bestellen zending, een vermoeden dat er "aanbieding" is geweest daags nadat de brief aan de Regie der posterijen werd toevertrouwd.
Door vast te stellen dat het afschrift van de beslissing ter post werd afgegeven om aangetekend te worden verzonden, dat zulke kennisgeving normaal 24 uur vergt, dat de kennisgeving de betrokkene heeft bereikt en dat het niet bewezen is dat een abnormaal voorval de afgifte van de aangetekende brief zou hebben vertraagd, heeft de rechter over de grond vermoedens aangehaald, waaruit hij door een soevereine feitelijke beoordeling, wettelijk heeft kunnen afleiden dat de beslissing werkelijk werd overhandigd daags na de verzending aan de belastingplichtige (Cass., 19.10.1954, Meurisse, Pas. 1955, I, 140).
Indien de dag volgende op die van de verzending een zondag of een wettelijke feestdag is, dagen waarop het Bestuur der posterijen de aangetekende omslagen niet afgeeft, dient te worden vermoed dat de omslag de eerstvolgende werkdag werd afgeleverd (Brussel, 17.11.1954, Noefnet).
Dit vermoeden mag voor het Hof van beroep teniet worden gedaan door het bewijs te leveren dat de "aanbieding" op een latere datum is geschied.
b) De aangetekende zending wordt wel aan de Gew.dir. of aan de door hem gedelegeerde ambtenaar terugbezorgd
- de terugbezorgde zending is voorzien van het etiket "Afwezig de ........, Bericht afgegeven op ......... te ....... u. aan M. ......." of van het etiket "Huis gesloten, Bericht in de bus gestoken op ......... te ......... u.".
Alsdan moet worden aangenomen dat er, overeenkomstig de postreglementering "aanbieding" is geweest en dient de termijn gesteld in art. 379, WIB 92, berekend in functie van de op het etiket aangeduide datum, wat niet belet dat er onmiddellijk pogingen worden gedaan opdat de beslissing de geadresseerde werkelijk zou bereiken (beslissing opnieuw verzenden onder gewone omslag met brief waarvan model hierna voorkomt);
- de terugbezorgde zending is voorzien van het etiket "Onbekend", "Vertrokken zonder adres op te geven", "Woont niet meer op het aangeduide adres", "Vertrokken naar .........". Alsdan moet het nieuwe adres van de betrokkene worden opgezocht en moet tot een nieuwe kennisgeving bij aangetekend schrijven worden overgegaan.
Model
Administratie der directe belastingen.
Directie:
............, ...19.. M...........,
Ik heb de eer U een afschrift toe te zenden van mijn beslissing dd........... betreffende - uw
bezwaarschrift(en) dd......... (1);
- het (de) bezwaarschrift(en) dat (die) U op ............ namens .................................. heeft ingediend (1).
Dit afschrift werd reeds op .............. (2) door de postdiensten onder aangetekende omslag aan uw adres aangeboden doch werd – door U of een gevolmachtigde geweigerd (1);
- ondanks de uitnodiging, nadien niet op het postkantoor afgehaald (1).
Ik vestig er uw aandacht op dat de termijn van veertig dagen gesteld in artikel 379 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen om tegen deze beslissing in beroep te komen, te berekenen overeenkomstig de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek, begon te lopen daags na de eerste aanbieding, d.w.z. op ...(3).
Hoogachtend,
De.................
(1) Schrappen wat niet past.
(2) Datum vermeld op het etiket dat door de postbode op de omslag werd gekleefd.
(3) De datum vermelden van de dag volgend op deze vermeld op het etiket gekleefd op de omslag.
6. Aangetekende brief houdende de beslissing geadresseerd aan de belastingplichtige zelf, doch in ontvangst genomen door een derde. Bewijs van volmacht. Gevolgen
Nummer 375/36
Wanneer de aangetekende omslag met de beslissing van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) niet aan de belastingplichtige zelf wordt aangeboden, behoort het aan de administratie, in geval van betwisting, te bewijzen, overeenkomstig de regelen van het gemeen recht, dat de omslag de belastingplichtige heeft bereikt of dat de persoon, aan wie hij werd overhandigd, volmacht had om hem namens de belastingplichtige in ontvangst te nemen. Doch het bewijs van een gewone, zelfs stilzwijgende, volmacht volstaat (Cass., 18.5.1956, Hulster, Pas. 1956, I, 1001 - zie ook Cass., 17.3.1964, Demeyere, Bull. 411, blz. 1886).
Wat de aangetekende brieven betreft houdende de beslissing die werden afgegeven aan de echtgenote van de belastingplichtige, werd gevonnist dat:
- wanneer de belastingplichtige geen opmerking heeft gemaakt nopens een onregelmatige of laattijdige toezending van de aangetekende omslag, maar zich heeft gedragen alsof hij persoonlijk de omslag op tijd had ontvangen, moet worden aangenomen dat hij zonder voorbehoud de door de postbode onderstelde volmacht aan zijn echtgenote, door haar de aangetekende omslag te overhandigen, heeft bevestigd (Brussel, 30.6.1954, Saligot);
- de stilzwijgende volmacht welke derden bij de gehuwde vrouw mogen onderstellen, naar de stand van onze zeden en gebruiken, onbetwistbaar de inontvangstneming door de echtgenote van een voor haar man bestemd aangetekend schrijven omvat (Brussel, 20.4.1955, Moureau, Bull. 313, blz. 187).
- afgezien van de omstandigheid dat het in ontvangst nemen van de voor haar man bestemde briefwisseling normaal in de bevoegdheid van de echtgenote valt, het feit dat de belastingplichtige de bekwaamheid van zijn echtgenote niet betwist om de aangetekende omslag met de beslissing van de Gew.dir. (of van de door hem gedelegeerde ambtenaar) in ontvangst te nemen, aantoont dat de echtgenote, ter uitvoering van een stilzwijgende volmacht, deze bekwaamheid werkelijk bezat. Alsdan is het zonder belang te weten of de echtgenote de aangetekende omslag wel aan de man heeft afgegeven (Gent, 15.4.1953, Vander Schueren).
7. Bestaan van de beslissing waarvan niet bij ter post aangetekende zending kennis werd gegeven, maar wel bij gewone brief
Nummer 375/37
De wet heeft het bestaan van de beslissing van de Gew.dir. of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet afhankelijk gemaakt van de formaliteit van aantekening ter post van de omslag welke de beslissing behelst (Cass., 22.12.1953, Heyndrickx, Pas. 1954, I, 356). De kennisgeving door aantekening ter post dient hoofdzakelijk om de termijn van beroep te doen lopen. Immers, de formaliteit van aantekening ter post heeft tot doel, zonder betwisting, de datum van de kennisgeving vast te stellen (Luik, 28.11.1953, Quertinmont; Brussel, 13.4.1954, NV "P.J. Billard Cie").
8. Kennisgeving van de beslissing aan de aanslagambtenaar, de ontvanger en desgevallend aan de inspecteur en aan de Gew.dir. van de BBI
Nummer 375/38
De aanslagambtenaar, de ontvanger en desgevallend de inspecteur zullen, hetzij door een afschrift, hetzij door middel van een drukwerk 178 G in kennis worden gesteld van de getroffen beslissing.
Wanneer het bezwaarschrift werd ingediend tegen een aanslag waarvan de grondslag door de Bijzondere Belastinginspectie werd vastgesteld, wordt een afschrift van de beslissing toegezonden aan de directeur van de BBI die dit doorzendt aan de inspecteur die de betwiste belastbare grondslag heeft vastgesteld.
1. Vereffening van de ontheffingen
Nummer 375/39
Er wordt verwezen naar de commentaar op art. 376.
2. Voorschriften na het definitief worden van de beslissing
Nummer 375/40
Het bepaalde in de commentaar op art. 410 moet worden nageleefd.
3. Beslissing over een bezwaarschrift, nadat voorheen reeds een beslissing werd getroffen omtrent dezelfde aanslag op grond van art. 376, WIB 92
Nummer 375/41
Het feit dat reeds, bij toepassing van art. 376, § 1 of§ 3, WIB 92, een beslissing werd getroffen omtrent een bepaalde aanslag, verhindert niet dat de Gew.dir. of de door hem gedelegeerde ambtenaar nadien bij een beslissing op grond van art. 375, WIB 92, uitspraak kan doen over de grieven geformuleerd in een regelmatig bezwaarschrift, zonder te worden beperkt door de vroegere beslissing op grond van art. 376, § 1 en § 3, WIB 92. Inderdaad, de beslissing in verband met de in art. 376, § 1 en § 3, WIB 92 bedoelde overbelastingen, hebben niet het gezag van het gewijsde van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over een overeenkomstig art. 366, WIB 92, ingediend bezwaarschrift (zie Cass., 20.10.1960, Joret, Bull. 376, blz. 1016).
