Commentaar van art. 7, WIB 92
Afdeling II - Inkomen van onroerende goederen
Onderafdeling I - Belastbare inkomsten
| 7/0 | |
| 7/1-3 | |
| 7/1 | |
| 7/2 | |
| 7/3 | |
| 7/4-7.1 | |
| 7/4-6.5 | |
| 7/7-7.1 | |
| 7/8-20.1 | |
| 7/8-19.2 | |
| 7/20-20.1 | |
| 7/21 | |
| 7/22 | |
| 7/Bijlage |
Nummer 7/0
Art. 7 [De huidige tekst van art. 7, WIB 92, is van toepassing met ingang van aj. 1998]. - § 1. Inkomsten van onroerende goederen zijn :
1° voor niet verhuurde onroerende goederen :
a) voor in België gelegen goederen :
- het kadastraal inkomen wanneer het gaat om ongebouwde onroerende goederen of de in artikel 16 vermelde woning;
- het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere goederen betreft;
b) voor in het buitenland gelegen goederen : de huurwaarde;
2° voor verhuurde onroerende goederen :
a) voor in België gelegen goederen verhuurd aan een natuurlijke persoon die ze noch geheel, noch gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid:
- het kadastraal inkomen wanneer het ongebouwde onroerende goederen betreft;
- het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere goederen betreft;
b) het kadastraal inkomen, wanneer die goederen in België zijn gelegen, onvereenkomstig de pachtwetgeving zijn verhuurd en door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt;
bbis) het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het gaat om gebouwde onroerende goederen verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is, met het oog op het ter beschikking stellen ervan:
- aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt;
- aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken;
c) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen dat niet lager mag zijn dan het kadastraal inkomen, wanneer het andere in België gelegen ongebouwde onroerende goederen betreft, of het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct. wanneer het andere in België gelegen gebouwde onroerende goederen betreft;
d) het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen wanneer het in het buitenland gelegen onroerende goederen betreft;
3° de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.
§ 2. Wanneer een huurvoordeel bestaat in een eenmaal door de huurder gedane uitgave, wordt het bedrag ervan over de gehele duur van het huurcontract verdeeld [ Art. 7, § 2, WIB 92, wordt besproken in het kader van de commentaar op art. 13, WIB 92 (zie 13/5, 3°)].
Nummer 7/1
De inkomsten van onroerende goederen vormen de eerste categorie van inkomsten waaruit de grondslag van de PB is samengesteld.
Het belastbare inkomen van een onroerend goed dat in aanmerking moet worden genomen verschilt naargelang :
- het onroerend goed al dan niet verhuurd is;
- het onroerend goed in België of in het buitenland gelegen is;
- het onroerend goed gebouwd of ongebouwd is;
- het gaat om een woning die in aanmerking komt voor de woningaftrek of om een ander onroerend goed;
- de hoedanigheid van de huurder (natuurlijke persoon of niet);
- de aanwending (voor privé- of beroepsdoeleinden) van het onroerend goed;
- de terbeschikkingstelling van het gebouwd onroerend goed (al of niet uitsluitend als woning gebruikt).
De inkomsten van onroerende goederen omvatten eveneens de bedragen verkregen bij vestiging of overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten.
B. TIJDELIJK VAN OV VRIJGESTELDE INKOMSTEN
Nummer 7/2
Inkomsten van onroerende goederen die krachtens bijzondere wetsbepalingen tijdelijk van OV zijn vrijgesteld (zie 253/121 tot 145) moeten in de aanslagbasis van de PB worden opgenomen (onroerende goederen zonder beroepskarakter), of worden geacht te zijn begrepen in het beroepsinkomen (voor de beroepswerkzaamheid gebruikte onroerende goederen). Die vrijstellingen hebben inderdaad uitsluitend betrekking op de OV en niet op het KI.
C. DOOR DE BELASTINGPLICHTIGE VOOR HET UITOEFENEN VAN DE BEROEPSWERKZAAMHEID GEBRUIKTE ONROERENDE GOEDEREN
Nummer 7/3
Krachtens art. 37, eerste lid, WIB 92, worden de inkomsten van (gebouwde of ongebouwde) onroerende goederen of delen van onroerende goederen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de schuldenaar van de PB in België of in het buitenland zijn gebruikt, als beroepsinkomsten aangemerkt. Die onroerende goederen of delen van onroerende goederen moeten bijgevolg niet in aanmerking worden genomen om het bedrag vast te stellen van het netto-inkomen van onroerende goederen, dat als zodanig lastens de bedoelde belastingplichtige aan de PB onderworpen is (zie 37/6).
III. NIET-VERHUURDE ONROERENDE GOEDEREN
A. IN BELGIE GELEGEN ONROERENDE GOEDEREN
1. Belastbaar inkomen (art. 7, § 1, 1°, a, WIB 92)
a) Algemeen
Nummer 7/4
Wat betreft de in België gelegen onroerende goederen die niet worden verhuurd en niet door de eigenaar voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid worden gebruikt, moet onderscheid worden gemaakt tussen :
- de ongebouwde onroerende goederen en de in art. 16, WIB 92, vermelde woning;
- de andere onroerende goederen.
b) Ongebouwde onroerende goederen en in art. 16, WIB 92, vermelde woning
Nummer 7/4.1
Het aan de PB onderworpen inkomen is beperkt tot het geïndexeerde kadastraal inkomen (KI) (zie 7/6 - zie ook 9/1 in geval van vaststelling of wijziging van het KI tijdens het belastbare tijdperk).
De in art. 16, WIB 92, vermelde woning is de woning ( of het deel van de woning) waarop de woningaftrek wordt toegepast (zie 16/14 tot 25).
c) Andere onroerende goederen
Nummer 7/4.2
Het aan de PB onderworpen inkomen is het geïndexeerde KI (zie 7/6 - zie ook 9/1 in geval van vaststelling of wijziging van het KI tijdens het belastbare tijdperk), verhoogd met 40 % [De verhoging met 40 % is van toepassing met ingang van aj. 1998. Voor de aj. 1995 tot 1997 is de verhoging gelijk aan 25 %.] (zie 7/6.1).
Terzake worden inzonderheid de tweede verblijven en de gratis ter beschikking van derden gestelde gebouwen bedoeld.
2. Kadastraal inkomen - Wijze van vaststelling
Nummer 7/5
Het KI wordt vastgesteld overeenkomstig de art. 471 tot 504, WIB 92.
Dit inkomen, dat het gemiddelde normale netto-inkomen van één jaar vertegenwoordigt (art. 471, § 2, WIB 92) wordt, per kadastraal perceel, vastgesteld door de Administratie van het Kadaster, die terzake alleen bevoegd is (zie art. 472, WIB 92).
Er wordt een KI vastgesteld voor alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillage die onroerend zijn van nature of door hun bestemming.
Aan de onroerende goederen door bestemming wordt evenwel slechts een KI toegekend wanneer ze blijvend aan het erf zijn verbonden of op blijvende wijze voor de dienst en de exploitatie zijn bestemd en voor zover ze ingevolge hun gewicht, hun afmetingen, hun wijze van plaatsing of werking, moeten dienen om normaal blijvend te worden gebruikt op de plaats waar ze zich bevinden of om tijdens het gebruik ter plaatse te blijven.
Onder materieel en outillage worden verstaan, met uitsluiting van de lokalen, afdaken en hun onmisbaar toebehoren, alle toestellen, machines en andere installaties dienstig voor een nijverheids, handels- of ambachtsbedrijf (zie art. 471, § 3, WIB 92).
Het KI van gebouwde en ongebouwde onroerende goederen wordt in het algemeen vastgesteld :
- ofwel op basis van de normale netto-huurwaarde (afgeleid van de werkelijke huurprijs) van een bepaald aantal gelijkaardige percelen;
- ofwel bij vergelijking met gelijkaardige onroerende goederen waarvan het KI definitief is geworden.
Onder de normale netto-huurwaarde moet worden verstaan het normale bruto-inkomen verminderd met de volgende onderhouds- en herstellingskosten :
- 40 % voor de gebouwde onroerende goederen (art. 477, WIB 92);
- 10 % voor de ongebouwde onroerende goederen (art. 479, WIB 92).
Wat het materieel en de outillage betreft, wordt het KI berekend door het in art. 478, WIB 92, bepaalde tarief van 5,3 % toe te passen op hun gebruikswaarde.
De gebruikswaarde is gelijk aan 30 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde als nieuw, eventueel vermeerderd met de kosten van de opeenvolgende veranderingen (art. 483, WIB 92). Geen KI wordt toegekend aan het materieel en de outillage waarvan de gebruikswaarde per kadastraal perceel een door de Koning vastgesteld minimum niet bereikt, zonder dat dit minimum 160.000 F mag overtreffen (art. 484, WIB 92) .
De Administratie van het Kadaster gaat om de tien jaar over tot een algemene perequatie van de kadastrale inkomens (zie art. 487, WIB 92), maar zij kan in de loop van voormelde periode, in bepaalde gevallen overgaan tot een buitengewone of speciale herziening (zie art. 487 tot 493, WIB 92).
De inwerkingtreding van de nieuwe kadastrale perequatie is echter uitgesteld; art. 30, W 28.12.1990 (Bull. 702, blz. 208) heeft een tijdelijke afwijking op art. 486, WIB 92 ingevoerd, die bepaalt dat het referentietijdstip voor de uitvoering van de volgende algemene perequatie op 1.1.1994 wordt vastgesteld.
Buiten de algemene perequaties gaat de Administratie van het Kadaster over tot de schatting van het kadastraal inkomen van de nieuw opgerichte gebouwde onroerende goederen en van het in gebruik genomen nieuw materieel of outillage, zomede tot de herschatting van de kadastrale inkomens van de vergrote, herbouwde of aanzienlijk gewijzigde onroerende goederen van alle aard (zie art. 494, § 1, WIB 92) met dien verstande dat deze nieuwe KI's worden geacht te bestaan vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het feit waarvan de aangifte bij art. 473, WIB 92, is voorgeschreven.
Overeenkomstig de bepalingen van laatstgenoemd artikel, is de belastingplichtige er inderdaad toe gehouden, uit eigen beweging, binnen 30 dagen volgend op de gebeurtenis, bij de Administratie van het Kadaster aan te geven :
- de ingebruikneming of de verhuring, indien deze de ingebruikneming voorafgaat, van de nieuw opgerichte of herbouwde onroerende goederen;
- de voltooiing van de werken aan de gewijzigde gebouwde onroerende goederen;
- de verandering in de wijze van exploitatie, de omvorming of de verbetering van ongebouwde onroerende goederen;
- de ingebruikstelling van nieuw of toegevoegd materieel of outillage, alsook de wijziging of de definitieve buitengebruikstelling van materieel of outillage.
De kadastrale inkomens worden zowel medegedeeld aan de belastingplichtige als aan de Administratie der directe belastingen die de OV ten kohiere brengt.
De bezwaren tegen het KI zijn geregeld door de art. 497 tot 503, WIB 92. Krachtens de bewoordingen van laatstvermeld artikel, heeft de eventuele wijziging van het kadastraal inkomen ingevolge een bij de Administratie van het Kadaster ingediend bezwaarschrift, uitwerking zelfs ten opzichte van de reeds ten kohiere gebrachte aanslagen welke op grondslag van dat inkomen werden vastgesteld.
Uit het vorenstaande volgt dat de Administratie der directe belastingen zich niet bemoeit met de vaststelling van het KI. Ze is nochtans bevoegd om bepaalde vrijstellingen of verminderingen van het KI te verlenen.
3. Indexatie van de KI's
Nummer 7/6
Aangezien de nieuwe kadastrale perequatie is uitgesteld, heeft de wetgever beslist de KI's vanaf het inkomstenjaar 1991 (aanslagjaar 1992 in de PB) te indexeren (zie 518/4 tot 9).
Het in 7/4.1 en 4.2 bepaalde belastbare inkomen wordt bijgevolg gevormd door het geïndexeerde KI of door het geïndexeerde KI, verhoogd met 40 % [De verhoging met 40 % is van toepassing met ingang van aj. 1998. Voor de aj. 1995 tot 1997 is de verhoging gelijk aan 25 %.].
4. Verhoging van de KI's
a) Algemeen
Nummer 7/6.1
Teneinde de aan de gehele bevolking gevraagde inspanning evenwichtig te verdelen en het KI dichter bij de reële huurwaarde te brengen, heeft de Wetgever beslist, boven de in 7/6 vermelde indexatie, het KI van sommige onroerende goederen met 40 % [De verhoging met 40 % is van toepassing met ingang van aj. 1998. Voor de aj. 1995 tot 1997 is de verhoging gelijk aan 25 %.] te verhogen.
b) Welke onroerende goederen ?
Nummer 7/6.2
De verhoging met 40 % (zie ook 7/9.1, 7/17.1 en 7/19) is van toepassing op het KI van :
- de gebouwde onroerende goederen,
- die in België gelegen zijn,
- en niet verhuurd zijn,
- en die niet voor de in art. 16, WIB 92, vermelde woningaftrek in aanmerking komen (zie commentaar op dat artikel).
Nummer 7/6.3
Wanneer een gebouwd onroerend goed slechts gedeeltelijk niet- verhuurd is en niet voor de woningaftrek in aanmerking komt, moet echter slechts een gedeelte van het geïndexeerde KI met 40 % worden verhoogd.
c) Berekening van de verhoging
Nummer 7/6.4
De verhoging met 40 % wordt toegepast na indexatie van het KI (zie 7/6); zij wordt dus in de hiernavermelde volgorde berekend :
1° toepassing van de indexeringscoëfficiënt (zie 518/7) op het KI of het gedeelte van het KI dat voor verhoging met 40 % in aanmerking komt;
2° afronding van het aldus bekomen resultaat (zie 518/8);
3° verhoging van het afgeronde bedrag met 40 %.
Voorbeeld
Vakantiewoning met een KI van 35.000 F.
De eigenaar houdt die woning tot zijn beschikking.
Die vakantiewoning komt niet voor de woningaftrek in aanmerking.
Belastbaar inkomen van dat onroerend goed over aj. 1999 (inkomsten 1998) :
- geïndexeerd KI: 35.000 F x 1,2281 [Indexeringscoëfficiënt van het KI voor inkomstenjaar 1998.] = 42.983,5 F;
- na indexatie afgerond KI: 43.000 F;
- verhoging met 40 % : 43.000 F x 1,40 = 60.200 F.
d) Bijzondere gevallen
Nummer 7/6.5
De verhoging met 40 % is niet van toepassing op :
- het geïndexeerde KI van de woning die voor de woningaftek in aanmerking komt, zelfs wanneer dat KI volledig door de in art. 14, eerste lid, WIB 92, vermelde aftrekken (gewone interestaftrek en/of aftrek van erfpacht- en opstalvergoedingen en andere gelijkaardige vergoedingen - zie commentaar op dat artikel) wordt opgeslorpt en dewoningaftrek niet daadwerkelijk wordt toegepast;
- het geïndexeerde KI van de woning die de eigenaar om sociale of beroepsredenen niet persoonlijk betrekt en die voor de woningaftrek in aanmerking komt (zie 16/18) zelfs wanneer die woning gratis ter beschikking van derden is gesteld;
- het geïndexeerde KI van de woning die voor de woningaftrek in aanmerking komt wanneer de belastingplichtige meerdere woningen betrekt (het geïndexeerde KI van de andere woningen wordt daarentegen eventueel wel verhoogd);
- het geïndexeerde KI toegekend aan materieel en outillage.
B. IN HET BUITENLAND GELEGEN ONROERENDE GOEDEREN (ART. 7, § 1, 1°, b, WIB 92)
Nummer 7/7
Het aan de PB onderworpen inkomen van een niet verhuurd en niet voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid gebruikt onroerend goed dat in het buitenland is gelegen, is - behalve in geval van vrijstelling krachtens dubbelbelastingverdrag - gelijk aan de huurwaarde van dat goed (zie 13/8). [Inzake de berekening van de PB m.b.t. die inkomsten : zie 155/3 - 155/6 en 7.]
Nummer 7/7.1
Terzake is de verhoging met 40 % waarvan sprake in 7/6.1 niet van toepassing.
IV. VERHUURDE ONROERENDE GOEDEREN
[Buiten het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige, want anders zijn de ontvangen huurgelden en andere voordelen beroepsinkomsten van die belastingplichtige.]
[De richtlijnen van deze titel zijn mutatis mutandis van toepassing voor verhuurde delen van onroerende goederen (zie echter commentaar op art. 8, WIB 92).]
A. IN BELGIE GELEGEN ONROERENDE GOEDEREN
1. Grondbeginselen
Nummer 7/8
Het door de Wetgever nagestreefde doel is de door de belastingplichtige ontvangen nettohuur (en niet alleen het KI) belasten, telkens wanneer die huur ergens is geboekt of moet worden geboekt (als beroepskost, als uitgave van een openbare overheid, van een VZW enz.) [Hieruit mag niet worden afgeleid dat het belastbare tijdstip bij de eigenaar samenvalt met het ogenblik waarop de huurder het huurgeld als kost boekt (zie voetnoot bij 7/19).], behalve echter voor de gebouwde en ongebouwde onroerende goederen die overeenkomstig de pachtwetgeving zijn verhuurd en door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt (zie 7/10 tot 17) en voor de gebouwde onroerende goederen die zijn verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is, met het oog op het ter beschikking stellen ervan aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt of aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken (zie 7/17.1 tot 17.4).
Daarom bepaalt art. 7, § 1, 2°, WIB 92, een aantal regels, die hierna worden toegelicht.
2. Onroerende goederen die aan een natuurlijke personen zijn verhuurd die ze noch geheel, noch gedeeltelijk voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt (art. 7, § 1, 2°, a, WIB 92)
a) Ongebouwde onroerende goederen
Nummer 7/9
In dit geval is de belastingplichtige alleen belastbaar op het geïndexeerde KI van die ongebouwde onroerende goederen.
b) Andere onroerende goederen
Nummer 7/9.1
Het belastbare inkomen is het geïndexeerde, met 40 % [De verhoging met 40 % is van toepassing met ingang van aj. 1998. Voor de aj. 1995 tot 1997 is de verhoging gelijk aan 25 %.] verhoogde KI van de bedoelde onroerende goederen (zie 7/6 en 7/6.4 ). [ De aanvullende belasting die voortvloeit uit die verhoging mag niet ten laste van de huurder worden gelegd, welke ook de aard en de duur van de bestaande of nieuwe huurovereenkomst is.]
Wanneer een gebouwd onroerend goed slechts gedeeltelijk verhuurd is, moet slechts een gedeelte van het geïndexeerde KI met 40 % worden verhoogd.
c) Bijzonder geval
Nummer 7/9.2
De verhoging met 40 % is niet van toepassing op het geïndexeerde KI van de verhuurde woning die de eigenaar om sociale of beroepsredenen niet persoonlijk betrekt en die voor de woningaftrek in aanmerking komt (zie 16/18).
3. Onroerende goederen die overeenkomstig de pachtwetgeving zijn verhuurd en door de huurder voor land- of tuinbouw worden gebruikt (art. 7, § 1, 2°, b, WIB 92)
a) Welke onroerende goederen ?
Nummer 7/10
Art. 7, § 1, 2°, b, WIB 92, betreft zowel gebouwde als ongebouwde onroerende goederen, voor zover zij in België zijn gelegen.
Derhalve moet geen onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende verhuurde goederen, ongeacht of het hoevegebouwen dan wel landbouwgronden betreft.
Het moet evenwel een onroerend goed betreffen dat verhuurd is overeenkomstig de pachtwetgeving, omschreven in afdeling III van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek en gewijzigd door de W 7.11.1988 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen (V 1958, Bull. 680).
Als pacht wordt inzonderheid beschouwd "de pacht van onroerende goederen die, ofwel vanaf de ingenottreding van de pachter, ofwel krachtens een overeenkomst van partijen in de loop van de pachttijd, hoofdzakelijk gebruikt worden in zijn landbouwbedrijf, met uitsluiting van de bosbouw".
Onder "landbouwbedrijf" wordt verstaan de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop.
Uitdrukkelijk uitgesloten zijn :
- de pacht van onroerende goederen die gebruikt worden voor industriële vetmesterij en industriële fokkerij, onafhankelijk van een landbouwbedrijf;
- de overeenkomsten waarvan het voorwerp een duur van minder dan één jaar gebruik in zich sluit en waardoor de exploitant van gronden en weiden, na de voorbereidings- en bemestingswerken te hebben uitgevoerd, het genot daarvan voor een bepaalde landbouwteelt aan een derde afstaat tegen betaling.
Bovendien worden de in een tuinbouwbedrijf gebruikte gebouwen en terreinen op dezelfde voet behandeld als die van een landbouwbedrijf. Bijgevolg moet geen onderscheid worden gemaakt tussen gewone en speciale teelten.
b) Maximumpachtprijzen
Nummer 7/11
Voor de in pacht gegeven gronden stemmen de toegelaten maximumpachtprijzen overeen met hun KI [Terzake betreft het de niet-geïndexeerde KI's (zie PV nr 5, 14.10.1991, Sen. de Clippele, Bull. VA, Senaat, Zitting 1991-1992, nr. 4, blz. 125).] waarop een coëfficiënt wordt toegepast zoals vastgesteld door de pachtprijzencommissies (cf. art. 2 van de wet tot beperking van de pachtprijzen, zoals bepaald door art. III, W 4.11.1969, en gewijzigd door art. 37, W 7.11.1988).
Nummer 7/12
Voor de in pacht gegeven gebouwen stemt de maximumpachtprijs overeen met hun KI [Terzake betreft het de niet-geïndexeerde KI's (zie PV nr. 5, 14.10.1991, Sen. de Clippele, Bull. VA, Senaat, Zitting 1991-1992, nr. 4, blz. 125)], waarop een coëfficiënt wordt toegepast volgens de procedure en op dezelfde wijze als bepaald in 7/11 (cf. art. 3 van de wet tot beperking van de pachtprijzen, zoals bepaald door art. III, W 4.11.1969, en gewijzigd bij art. 48, § 2, W 19.7.1979 en bij art. 38, W 7.11.1988).
Nummer 7/13
Voor pachtovereenkomsten, opgesteld bij authentieke akte, die voorzien in een eerste gebruiksperiode van 18 jaar, mag de pachtprijs voor gronden verhoogd worden met 36 % en de pachtprijs voor gebouwen met 18 %.
De pachtprijs kan verhoogd worden met 42 % voor gronden en 21 % voor gebouwen, wanneer de eerste gebruiksperiode 21 jaar bedraagt en met 48 % voor gronden en 24 % voor gebouwen wanneer de eerste gebruiksperiode 24 jaar bedraagt.
Wanneer de eerste gebruiksperiode 25 jaar of meer bedraagt, kan de pachtprijs verhoogd worden met 50 % voor gronden en 25 % voor gebouwen.
Na de eerste gebruiksperiode wordt de pachtprijs teruggebracht tot de normale pachtprijs vastgesteld overeenkomstig 7/11 en 7/12.
Nummer 7/14
De Koning kan de pachtprijzen vastgesteld overeenkomstig 7/11 tot 7/13 jaarlijks aanpassen aan de evolutie van de landbouwprijzen, wanneer de evolutie van de landbouwprijzen dit verantwoordt.
Nummer 7/15
De vanaf 15.12.1989 geldende coëfficiënten voor gronden (tabel I) en voor gebouwen (tabel II) waarvan sprake in 7/11 en 12 zijn, per provincie en per landbouwstreek, opgenomen in 7/Bijlage.
c) Belastbaar inkomen
Algemene regel
Nummer 7/16
Bij de eigenaar van zulke onroerende goederen is alleen het (geïndexeerde) KI belastbaar. [Terzake is de verhoging met 40 % waarvan sprake in 7/9.1 niet van toepassing.]
Die regel geldt tevens voor het deel van de hoeve dat tot woning van de landbouwer en zijn gezin dient.
Uitzondering
Nummer 7/17
Wanneer de verhuring niet overeenkomstig de pachtwetgeving gebeurt (b.v. ingevolge het niet-naleven van de bepalingen betreffende de beperking van de pachtprijzen - zie 7/11 tot 15), is het belastingstelsel van toepassing dat hierna in 7/19 wordt besproken (zie terzake ook PV nr 1268, 4.3.1998, Volksv. Barzin, Bull. 785, blz. 1971 en Luik, 8.5.1998, G.B. en A.L., Fiscale Jurisprudentie, 98/216).
4. Gebouwde onroerende goederen verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is, met het oog op het ter beschikking stellen ervan aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt of aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken (art. 7, § 1, 2°, bbis, WIB 92)
a) Welke onroerende goederen ?
Nummer 7/17.1
Voor de toepassing van art. 7, § 1, 2°, bbis, WIB 92, moeten de volgende voorwaarden samen vervuld zijn:
- het moet gaan om de verhuring van gebouwde onroerende goederen;
- die onroerende goederen moeten worden verhuurd aan een rechtspersoon die geen vennootschap is;
- het oogmerk van die rechtspersoon moet bestaan in het ter beschikking stellen [Die voorwaarde is van toepassing met ingang van aj. 1998. Voor de aj. 1996 en 1997 luidde zij als volgt: "het oogmerk van die rechtspersoon moet bestaan in de onderverhuring van die gebouwde onroerende goederen aan één of meer natuurlijke personen om uitsluitend als woning te worden gebruikt".] van die gebouwde onroerende goederen:
- ofwel aan een natuurlijke persoon om uitsluitend als woning te worden gebruikt;
- ofwel aan meerdere natuurlijke personen die ze uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken.
Nummer 7/17.2
Met een in 7/17.1 vermelde rechtspersoon wordt inzonderheid een "sociaal immobiliënkantoor" bedoeld; dit is ofwel de overheid (gemeente, OCMW enz.), ofwel een vereniging zonder winstoogmerk die zich als tussenpersoon aanbiedt tussen de eigenaars en kansarmen die moeilijk toegang krijgen tot de huurmarkt. Uitgesloten zijn in elk geval de huurders die onderworpen zijn aan de Ven.B.
Het in 7/17.1 bedoelde begrip "ter beschikking stellen" omvat niet alleen de onderverhuring in de strikte zin van het woord (d.w.z. met huurovereenkomst en huurinkomsten), doch eveneens het verschaffen van huisvesting, zowel zonder vergoeding als met bijdrage in de kosten.
Het gebruik van de uitdrukking "gezamenlijk" in 7/17.1, impliceert, naast de individuele huisvesting, ook de vormen van collectieve huisvesting zoals bijvoorbeeld een tehuis voor kinderen die werden geplaatst door de Jeugdrechter.
b) Belastbaar inkomen
Nummer 7/17.3
Het belastbare inkomen van de bedoelde onroerende goederen is het geïndexeerde, met 40 % [De verhoging met 40 % is van toepassing met ingang van aj. 1998. Voor de aj. 1996 en 1997 is de verhoging gelijk aan 25 %.] verhoogde, KI van de voormelde goederen (7/6 en 7/6.4).
c) Voorbeeld
Nummer 7/17.4
Een natuurlijke persoon verhuurt aan een OCMW een appartement met een KI van 40.000 F; de totale huurprijs voor het jaar 1998 bedraagt 210.000 F. Het OCMW stelt dit appartement ter beschikking van een kansarme die het uitsluitend als woning gebruikt. Hij betaalt geen huur maar moet wel een maandelijkse bijdrage in de kosten van 1.500 F betalen.
Belastbaar inkomen van dat onroerend goed over aj. 1999 (inkomstenjaar 1998):
- geïndexeerd KI: 40.000 F x 1,2281 = 49.124 F;
- na indexatie afgerond KI: 49.100 F;
- verhoging met 40 %: 49.100 F x 1,40 = 68.740 F.
5. Andere verhuurde ongebouwde en gebouwde onroerende goederen (art. 7, § 1, 2°, c, WIB 92)
a) Welke onroerende goederen ?
Nummer 7/18
Het betreft niet in 7/9 tot 7/17.4 bedoelde onroerende goederen die in België zijn gelegen en zijn verhuurd aan :
- een natuurlijke persoon die de onroerende goederen geheel of gedeeltelijk voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt (zie echter ook commentaar op art. 8, WIB 92);
- een andere dan een natuurlijke persoon (rechtspersoon naar Belgisch of buitenlands publiek- of privaatrecht, vennootschap, vereniging of groepering zonder rechtspersoonlijkheid) [Zie 7/19.1 inzake de gebouwde onroerende goederen die door bepaalde bedrijfsleiders aan hun vennootschap worden verhuurd.]
Nummer 7/18.1
In 7/18, 2° zijn o.a. bedoeld de verhuringen aan [Met uitsluiting van de in 7/17.1 tot 7/17.4 bedoelde verhuring aan een "sociaal immobiliënkantoor".] :
- de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten enz.;
- de intercommunale verenigingen;
- de regieën of administraties met eigen rechtspersoonlijkheid, de autonome overheidsbedrijven (b.v. Belgacom, De Post enz.);
- de openbare instellingen (b.v. BRTN, OCMW enz.);
- binnenlandse handelsvennootschappen en burgerlijke vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen;
- de VZW;
- de landbouwvennootschappen (LV), ongeacht hoe ze belast worden;
- alle buitenlandse vennootschappen, verenigingen en instellingen met rechtspersoonlijkheid;
- alle vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, ongeacht of zij winst nastreven of niet (b.v. tijdelijke verenigingen, feitelijke verenigingen, sportverenigingen enz.).
Nummer 7/18.2
Wanneer het huren van een bijkomende verblijfsgelegenheid in de nabijheid van de plaats van tewerkstelling zodanig door de uitoefening van de beroepswerkzaamheid vereist is dat de uitgaven die ervoor worden gedaan als noodzakelijk voor de uitoefening van die beroepswerkzaamheid moeten worden beschouwd en de huurprijs en -lasten dus als beroepskosten van de huurder worden aangemerkt (zie terzake 52/19 tot 25) [In het tegenovergestelde geval - b.v. wanneer de aftrek van de huurprijs en -lasten als beroepskosten is verworpen - is het in 7/9 tot 9.2 vermelde stelsel van toepassing.], wordt het bedrag van het belastbare inkomen uit de verhuring bij de eigenaar bepaald overeenkomstig de art. 7, § 1, 2°, d en 13, WIB 92 (zie 7/19 voor de vaststelling van het belastbare inkomen) (PV nr 1194, 20.1.1998, Volksv. Tavernier, Bull. 784, blz. 1603).
b) Belastbaar inkomen
Nummer 7/19
De belastingplichtige is belastbaar op het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van de in 7/18 en 18.1 bedoelde onroerende goederen [ Voor de vaststelling van het belastbare inkomen moeten alleen de tijdens het belastbare tijdperk verkregen of ontvangen huurgelden - d.w.z. de huurgelden die door de huurder daadwerkelijk zijn betaald - in aanmerking worden genomen. ] .
Het voormelde nettobedrag mag echter niet lager zijn dan:
- het geïndexeerde KI wanneer het ongebouwde onroerende goederen betreft;
- het geïndexeerde KI verhoogd met 40 % [De verhoging met 40 % is van toepassing met ingang van aj. 1998.] [Voor de berekening van de verhoging: zie 7/6.4.] wanneer het gebouwde onroerende goederen betreft.
Voor de toepassing van die regel worden alle huurgelden en KI's van de gebouwde onroerende goederen enerzijds, en van de ongebouwde onroerende goederen anderzijds, gezamenlijk in acht genomen.
Voor de vaststelling van het nettobedrag van de huurprijs en huurvoordelen wordt verwezen naar de commentaar op art. 13, WIB 92.
6. Bijzondere gevallen
a) gebouwd onroerend goed dat door bepaalde bedrijfsleiders aan hun vennootschap is verhuurd
Nummer 7/19.1
Om te vermijden dat de natuurlijke personen die een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen in een vennootschap, een beroepsinkomen tot een onroerend inkomen zouden omvormen door middel van een overdreven huur voor de in België gelegen gebouwde onroerende goederen die ze aan hun eigen vennootschap verhuren, worden de door de vennootschap betaalde huurprijs en huurvoordelen niet als inkomsten van onroerende goederen maar als bezoldigingen van bedrijfsleider aangemerkt, in zover zij meer dan vijf derden van het gerevaloriseerde KI bedragen (zie 13/3.1).
Dit betekent dat in voorkomend geval die huurprijs en huurvoordelen bij die bedrijfsleider in twee categorieën in de PB belastbare inkomsten moeten worden gesplitst :
- enerzijds wordt een gedeelte van de huurprijs en de huurvoordelen als inkomen van onroerende goederen aangemerkt, namelijk ten belope van vijf derden van het gerevaloriseerde KI [Terzake is de verhoging met 40 % waarvan sprake in 7/9.1 niet van toepassing.];
- anderzijds wordt het gedeelte van de huurprijs en de huurvoordelen dat vijf derden van het gerevaloriseerde KI overschrijdt als een beroepsinkomen aangemerkt.
Voor de bespreking van die bepaling wordt verwezen naar 32/19 tot 42 en 33/32 en 33.
b) Gemeubileerd verhuurd onroerend goed
Nummer 7/19.2
Wanneer een onroerend goed (of een gedeelte daarvan) gemeubileerd wordt verhuurd en wanneer de huurovereenkomst geen afzonderlijke huurprijs bepaalt voor het gebouw en voor het meubilair, wordt de huurprijs van het onroerend goed geacht 60 % (of 3/5) van de totale huurprijs te bedragen.
Het overschot van 40 % (of 2/5) wordt geacht de opbrengst te zijn van de verhuring van de meubels (zie 22/17, tweede lid, 1° en 22/18).
B. IN HET BUITENLAND GELEGEN ONROERENDE GOEDEREN (ART. 7, § 1, 2°, d, WIB 92)
Nummer 7/20
Het aan de PB onderworpen inkomen van een verhuurd onroerend goed dat in het buitenland is gelegen, is - behalve in geval van vrijstelling krachtens dubbelbelastingverdrag - gelijk aan het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen en dit ongeacht of het onroerend goed door de huurder al dan niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid wordt gebruikt [Inzake de berekening van de PB m.b.t. die inkomsten: zie 155/3 - 155/6 en 7.].
Nummer 7/20.1
Terzake is de verhoging met 40 % waarvan sprake in 7/9.1 niet van toepassing.
Voor de vaststelling van het nettobedrag van de huurprijs en huurvoordelen wordt verwezen naar de commentaar op art. 13, WIB 92.
V. BEDRAGEN VERKREGEN BIJ VESTIGING OF OVERDRACHT VAN EEN RECHT VAN ERFPACHT OF VAN OPSTAL OF VAN GELIJKAARDIGE ONROERENDE RECHTEN (ART. 7, § 1, 3°, WIB 92)
Nummer 7/21
Art. 7, § 1, 3°, WIB 92, rangschikt ook onder de inkomsten van onroerende goederen, sommige bedragen die worden verkregen bij de vestiging of de overdracht van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten met betrekking tot een in België of in het buitenland gelegen onroerend goed.
Er wordt aangestipt dat wanneer de eigenaar, erfpachter of opstalhouder het onroerend goed voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt, de bedragen waarvan sprake beroepsinkomsten zijn (zie 37/6, 3°).
Deze categorie van inkomsten van onroerende goederen wordt nader besproken in de commentaar op art. 10, WIB 92.
Nummer 7/22
Terzake wordt verwezen naar 13/10 en inzonderheid naar de voorbeelden 1, 2, 13 en 14.
(*) Coëfficiënten met betrekking tot de pachtprijzen (zie 7/11, 12 en 15)
I. GRONDEN
1. Tijdperk van 15.12.1989 tot 14.12 1995
| Provincie | Periode | |
| 15.12.1989 tot 14.12.1992 | 15.12.1992 tot 14.12.1995 | |
| I. Antwerpen | ||
| 1. Polders | 2,50 | 3,00 |
| 2. Zandstreek | 2,35 | 2,70 |
| 3. Kempenreek | 3,00 | 3,75 |
| II. Brabant | ||
| 1. Zandstreek | 2,15 | 2,36 |
| 2. Kempen | 2,40 | 3,79 |
| 3. Zandleemstreek | 2,14 | 2,31 |
| 4. Leemstreek | 2,14 | 2,40 |
| III. Limburg | ||
| 1. Kempen | 3,85 | 4,20 |
| 2. Zandleemstreek | 2,89 | 2,90 |
| 3. Leemstreek | 2,30 | 2,29 |
| 4. Weidestreek | 2,32 | 2,68 |
| IV. Namen | ||
| 1. Leemstreek | 2,55 | 2,63 |
| 2. Condroz | 2,31 | 2,38 |
| 3. Weidestreek | 2,00 | 2,06 |
| 4. Famenne | 1,90 | 1,96 |
| 5. Ardennen | 2,13 | 2,19 |
| V. Luxemburg | ||
| 1. Ardennen | 2,25 | 2,55 |
| 2. Famenne | 2,20 | 2,40 |
| 3. Weidestreek | 2,20 | 2,85 |
| 4. Jurastreek | 1,96 | 2,45 |
| VI. West-Vlaanderen | ||
| 1. Duinen | 2,37 | 2,70 |
| 2. Polders | 2,37 | 2,65 |
| 3. Zandstreek | 2,42 | 3,10 |
| 4. Zandleemstreek | 2,17 | 2,70 |
| 5. Leemstreek | 2,17 | 2,60 |
| VII. Luik | ||
| 1. Leemstreek | 2,37 | 2,58 |
| 2. Weidestreek | 2,30 | 2,60 |
| 3. Condroz | 2,35 | 2,50 |
| 4. Hoge Ardennen | 2,30 | 2,65 |
| 5. Famenne | 2,30 | 2,37 |
| VIII. Henegouwen | ||
| 1. Zandleemstreek | 2,30 | 2,40 |
| 2. Leemstreek | 2,50 | 2,60 |
| 3. Henegouwse Kempen | 2,20 | 2,30 |
| 4. Condroz | 2,25 | 2,35 |
| 5. Weidestreek | 2,05 | 2,15 |
| 6. Famenne | 2,00 | 2,10 |
| 7. Ardennen | 2,10 | 2,20 |
| IX. Oost-Vlaanderen | ||
| 1. Polders | 2,38 | 3,00 |
| 2. Zandleemstreek | 2,35 | 3,00 |
| 3. Zandstreek | 2,35 | 3,00 |
| 4. Leemstreek | 2,35 | 2,50 |
2. Tijdperk van 15.12.1995 tot 14.12.2001
| Provincie | Periode | |
| 15.12.1995 tot 14.12.1998 | 15.12.1998 tot 14.12.2001 | |
| I. Antwerpen | ||
| 1. Polders | 3,40 | 3,74 |
| 2. Zandstreek | 2,90 | 3,05 |
| 3. Kempen | 4,00 | 4,40 |
| II. Waals Brabant | ||
| 1. Zandstreek | 2,31 | 2,31 |
| 2. Leemstreek | 2,40 | 2,40 |
| III. Vlaams Brabant | ||
| 1. Zandstreek | 2,71 | 3,00 |
| 2. Kempen | 4,36 | 4,58 |
| 3. Zandleemstreek | 2,48 | 2,81 |
| 4. Leemstreek | 2,52 | 2,62 |
| IV. Administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad | ||
| 1. Zandleemstreek | 2,37 | 2,52 |
| V. Limburg | ||
| 1. Kempen | 4,58 | 4,85 |
| 2. Zandleemstreek | 2,90 | 3,00 |
| 3. Leemstreek | 2,08 | 2,25 |
| 4. Grasstreek | 2,68 | 2,68 |
| VI. Namen | ||
| 1. Leemstreek | 2,71 | 2,85 |
| 2. Condroz | 2,45 | 2,57 |
| 3. Grasstreek | 2,12 | 2,23 |
| 4. Famenne | 2,02 | 2,12 |
| 5. Ardennen | 2,26 | 2,37 |
| VII. Luxemburg | ||
| 1. Ardennen | 2,60 | 2,70 |
| 2. Famenne | 2,45 | 2,50 |
| 3. Grasstreek | 2,85 | 2,90 |
| 4. Jurastreek | 2,45 | 2,55 |
| VIII. West-Vlaanderen | ||
| 1. Duinen | 2,88 | 3,00 |
| 2. Polders | 2,83 | 2,95 |
| 3. Zandstreek | 3,38 | 3,80 |
| 4. Zandleemstreek | 3,00 | 3,20 |
| 5. Leemstreek | 2,80 | 3,00 |
| IX. Luik | ||
| 1. Leemstreek | 2,65 | 2,68 |
| 2. Grasstreek | 2,66 | 2,69 |
| 3. Condroz | 2,54 | 2,57 |
| 4. Hoge Ardennen | 2,76 | 2,79 |
| 5. Famenne | 2,47 | 2,50 |
| X. Henegouwen | ||
| 1. Zandleemstreek | 2,48 | 2,58 |
| 2. Leemstreek | 2,68 | 2,79 |
| 3. Henegouwse Kempen | 2,37 | 2,44 |
| 4. Condroz | 2,42 | 2,49 |
| 5. Grasstreek | 2,22 | 2,31 |
| 6. Famenne | 2,17 | 2,24 |
| 7. Ardennen | 2,27 | 2,34 |
| XI. Oost-Vlaanderen | ||
| 1. Polders | 3,00 | 3,20 |
| 2. Zandleemstreek | 3,00 | 3,15 |
| 3. Zandstreek | 3,00 | 3,25 |
| 4. Leemstreek | 2,50 | 2,90 |
II. GEBOUWEN
1. Tijdperk van 15.12.1989 tot 14.12.1995
| Provincie | Periode | |
| 15.12.1989 tot 14.12.1992 | 15.12.1992 tot 14.12.1995 | |
| I. Antwerpen | ||
| 1. Polders | 2,00 | 3,00 |
| 2. Zandstreek | 2,00 | 3,00 |
| 3. Kempenreek | 2,00 | 3,00 |
| II. Brabant | ||
| 1. Zandstreek | 2,00 | 3,00 |
| 2. Kempen | 2,00 | 3,00 |
| 3. Zandleemstreek | 2,00 | 3,00 |
| 4. Leemstreek | 2,00 | 3,00 |
| III. Limburg | ||
| 1. Kempen | 2,00 | 3,00 |
| 2. Zandleemstreek | 2,00 | 3,00 |
| 3. Leemstreek | 2,00 | 3,00 |
| 4. Weidestreek | 2,00 | 3,00 |
| IV. Namen | ||
| 1. Leemstreek | 2,00 | 3,00 |
| 2. Condroz | 2,00 | 3,00 |
| 3. Weidestreek | 2,00 | 3,00 |
| 4. Famenne | 2,00 | 3,00 |
| 5. Ardennen | 2,00 | 3,00 |
| V. Luxemburg | ||
| 1. Ardennen | 2,00 | 2,36 |
| 2. Famenne | 2,00 | 2,20 |
| 3. Weidestreek | 2,00 | 2,70 |
| 4. Jurastreek | 2,00 | 2,45 |
| VI. West-Vlaanderen | ||
| 1. Duinen | 2,00 | 3,00 |
| 2. Polders | 2,00 | 3,00 |
| 3. Zandstreek | 2,00 | 3,00 |
| 4. Zandleemstreek | 2,00 | 3,00 |
| 5. Leemstreek | 2,00 | 3,00 |
| VII. Luik | ||
| 1. Leemstreek | 2,37 | 3,00 |
| 2. Weidestreek | 2,30 | 3,00 |
| 3. Condroz | 2,35 | 3,00 |
| 4. Hoge Ardennen | 2,30 | 3,00 |
| 5. Famenne | 2,30 | 3,00 |
| VIII. Henegouwen | ||
| 1. Zandleemstreek | 2,00 | 2,75 |
| 2. Leemstreek | 2,00 | 2,75 |
| 3. Henegouwse Kempen | 2,00 | 2,75 |
| 4. Condroz | 2,00 | 2,75 |
| 5. Weidestreek | 2,00 | 2,75 |
| 6. Famenne | 2,00 | 2,75 |
| 7. Ardennen | 2,00 | 2,75 |
| IX. Oost-Vlaanderen | ||
| 1. Polders | 2,00 | 3,00 |
| 2. Zandleemstreek | 2,00 | 3,00 |
| 3. Zandstreek | 2,00 | 3,00 |
| 4. Leemstreek | 2,00 | 3,00 |
2. Tijdperk van 15.12.1995 tot 14.12.2001
| Provincie | Periode | |
| 15.12.1995 tot 14.12.1998 | 15.12.1998 tot 14.12.2001 | |
| I. Antwerpen | ||
| 1. Polders | 3,50 | 3,50 |
| 2. Zandstreek | 3,50 | 3,50 |
| 3. Kempen | 3,50 | 3,50 |
| II. Waals Brabant | ||
| 1. Zandstreek | 3,00 | 3,20 |
| 2. Leemstreek | 3,00 | 3,20 |
| III. Vlaams Brabant | ||
| 1. Zandstreek | 3,30 | 3,46 |
| 2. Kempen | 3,30 | 3,46 |
| 3. Zandleemstreek | 3,30 | 3,46 |
| 4. Leemstreek | 3,30 | 3,46 |
| IV. Administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad | ||
| 1. Zandleemstreek | 3,30 | 3,55 |
| V. Limburg | ||
| 1. Kempen | 3,30 | 3,45 |
| 2. Zandleemstreek | 3,30 | 3,45 |
| 3. Leemstreek | 3,30 | 3,45 |
| 4. Grasstreek | 3,30 | 3,45 |
| VI. Namen | ||
| 1. Leemstreek | 3,30 | 3,63 |
| 2. Condroz | 3,30 | 3,63 |
| 3. Grasstreek | 3,30 | 3,63 |
| 4. Famenne | 3,30 | 3,63 |
| 5. Ardennen | 3,30 | 3,63 |
| VII. Luxemburg | ||
| 1. Ardennen | 3,00 | 3,20 |
| 2. Famenne | 3,00 | 3,20 |
| 3. Grasstreek | 3,00 | 3,20 |
| 4. Jurastreek | 3,00 | 3,20 |
| VIII. West-Vlaanderen | ||
| 1. Duinen | 3,00 | 3,25 |
| 2. Polders | 3,00 | 3,25 |
| 3. Zandstreek | 3,00 | 3,25 |
| 4. Zandleemstreek | 3,00 | 3,25 |
| 5. Leemstreek | 3,00 | 3,25 |
| IX. Luik | ||
| 1. Leemstreek | 3,35 | 3,52 |
| 2. Grasstreek | 3,35 | 3,52 |
| 3. Condroz | 3,35 | 3,52 |
| 4. Hoge Ardennen | 3,35 | 3,52 |
| 5. Famenne | 3,35 | 3,52 |
| X. Henegouwen | ||
| 1. Zandleemstreek | 3,00 | 3,30 |
| 2. Leemstreek | 3,00 | 3,30 |
| 3. Henegouwse Kempen | 3,00 | 3,30 |
| 4. Condroz | 3,00 | 3,30 |
| 5. Grasstreek | 3,00 | 3,30 |
| 6. Famenne | 3,00 | 3,30 |
| 7. Ardennen | 3,00 | 3,30 |
| XI. Oost-Vlaanderen | ||
| 1. Polders | 3,00 | 3,45 |
| 2. Zandleemstreek | 3,00 | 3,45 |
| 3. Zandstreek | 3,00 | 3,45 |
| 4. Leemstreek | 3,00 | 3,45 |
