Artikel 107, KB/WIB 92
Art. 107, § 2, 11°, is van toepassing op de vanaf 04.12.1996 toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten (art. 1, KB 11.12.1996 – B.S. 14.12.1996; Numac: 1996003652)
§ 1. Met betrekking tot inkomsten hetzij van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, hetzij van schuldvorderingen en leningen, inkomsten vermeld in artikel 266, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uitgezonderd, die worden verleend of toegekend ter uitvoering van vanaf 1 december 1962 gesloten overeenkomsten, wordt van de inning van roerende voorheffing volledig of gedeeltelijk afgezien volgens het in §§ 2 tot 5 gemaakte onderscheid.
§ 2. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot:
1° uitgiftepremies, ongeacht de verkrijger, van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten uitgegeven ofwel door de Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen, ofwel bij openbare intekening door Belgische vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen van privaat recht, voor zover die premies, over de volle duur van de effecten verdeeld, niet ten gevolge hebben het werkelijke jaarlijkse rendement van deze laatste op een bedrag te brengen dat de nominale rentevoet met meer dan 75 centiem overtreft;
2° inkomsten van certificaten van leningen uitgegeven door het Rentenfonds;
3° inkomsten van effecten van de speciale conversielening van 1962;
4° interest van dagleningen, ook "callgeld" genoemd;
5°
a) inkomsten van schuldvorderingen en leningen die aan in het buitenland gevestigde banken worden verleend of toegekend door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen of privé-spaarkassen die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zijn onderworpen;
b) inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever en de inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door:
- de Staat, de provincies, de agglomeraties en de gemeenten;
- de Belgische openbare inrichtingen of instellingen voor zover die schuldvorderingen en leningen door de Staat zijn gewaarborgd;
- de in België gevestigde banken, de Belgische openbare kredietinstellingen, de spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, de privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde Commissie zijn onderworpen of de in artikel 1, tweede lid, 2, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen;
c) inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die, ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vanaf 1 maart 1968 tot en met 31 december 1971 door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover:
- die schuldvorderingen en leningen, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën zijn erkend als bijzonder de financiering te beogen van verrichtingen die beantwoorden aan het algemeen economische belang en die rechtstreeks bijdragen tot de oprichting, de uitbreiding, de omschakeling of de modernisering van Belgische inrichtingen van de ontlenende ondernemingen;
- die ondernemingen de bepalingen van § 4 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;
d) inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde schuldvorderingen en leningen die ter uitvoering van overeenkomsten gesloten tijdens het tijdperk gaande van 1 maart 1977 tot en met 31 december 1978, door rechtspersonen naar Belgisch publiek recht, of enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming worden verleend of toegekend aan niet-inwoners die niet belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232 en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zover:
- die schuldvorderingen en leningen gebruikt worden tot de financiering van verrichtingen die, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken of de Minister van Middenstand, door de Minister van Financiën erkend zijn als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;
- die ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;
e) inkomsten van schuldvorderingen en leningen, niet vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier, die ter uitvoering van tijdens het tijdperk van 1 januari 1981 tot en met 31 december 1983 gesloten overeenkomsten aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door rechtspersonen naar Belgisch publiek recht, of door enige nijverheids-, handels- of landbouwonderneming, in zover:
- die schuldvorderingen en leningen worden aangewend tot financiering van investeringen die door de Minister van Financiën, en naar het geval, op eensluidend advies van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Middenstand, de Minister van de Vlaamse Gemeenschap, de Minister van het Waalse Gewest of de Minister van het Brusselse Gewest zijn erkend als te zijn gedaan om de produktiviteit te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden of de economie te rationaliseren;
- die rechtspersonen of ondernemingen de bepalingen van § 5 naleven en werkelijk over de geleende sommen hebben beschikt binnen een termijn van 3 jaar ingaande op de datum van de overeenkomst;
6° inkomsten van schuldvorderingen en leningen vertegenwoordigd door effecten in de vorm van handelspapier die worden verleend of toegekend, ofwel door de Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten of andere Belgische openbare inrichtingen of instellingen ofwel, ter uitvoering van vóór 1 januari 1967 gesloten overeenkomsten, door Belgische vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen van privaat recht, aan spaarders niet-inwoners;
7° interest van hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitzondering van hypothecaire obligatieleningen, eensdeels, en inkomsten als vermeld in artikel 19, § 1, 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en begrepen in betalingen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik op gebouwde onroerende goederen wordt verleend, anderdeels, die worden verleend of toegekend aan:
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
c) beroepsbeleggers;
d) privé-spaarders;
8 niet in 1 tot 3 of in § 3 vermelde inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
9° niet in 4 tot 7 vermelde inkomsten van schuldvorderingen en leningen waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
c) beroepsbeleggers;
10° inkomsten van Belgische obligaties die het voorwerp zijn van een inschrijving op naam bij de uitgever en die aan spaarders niet-inwoners worden verleend of toegekend door niet in 5, b, vermelde schuldenaars;
11° niet in 9 bedoelde inkomsten van niet door effecten aan toonder vertegenwoordigde leningen aan de Schatkist, verleend of toegekend aan de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschapscommissies, de Provincies, de Gemeenten en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn alsmede aan openbare instellingen of de instellingen van openbaar nut of aan instellingen die afhangen van of gesubsidieerd worden door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschapscommissies en die, voor de toepassing van de Verordening nr 3605/93 van de Europese Gemeenschap van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, deel uitmaken van de sector van de overheidsadministraties in de zin van het geïntegreerd Europees Stelsel van Economische Rekeningen (ESER).
§ 3. De roerende voorheffing wordt, ongeacht de verkrijgers van de inkomsten, geheven tegen een tarief van 20 % op loten van Belgische oorsprong met betrekking tot obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten die ter uitvoering van vóór 1 maart 1990 gesloten overeenkomsten worden verleend of toegekend.
§ 4. Nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen die de in § 2, 5, c, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.
Die verzoekschriften moeten bevatten:
a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen belegging tot financiering waarvoor de lening is bestemd;
b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5, c;
c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.
§ 5. Rechtspersonen naar Belgisch publiek recht en nijverheids-, handels- of landbouwondernemingen, die de in § 2,5, d en e, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wensen te genieten moeten daartoe een verzoekschrift richten tot de Minister van Financiën ten laatste op de datum van de eerste vervaldag van de interest van de schuldvorderingen en leningen als vermeld in die bepaling.
Die verzoekschriften moeten bevatten:
a) alle nuttige bijzonderheden in verband met de aard, het bedrag, de rentevoet, de termijn en de uitgifteregels van de lening, zomede met de economische en technische aspecten van de voorgenomen verrichtingen tot financiering waarvoor de lening is bestemd;
b) de verbintenis aan de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Economische Zaken of het Ministerie van Middenstand, alle inlichtingen en stukken te bezorgen welke deze diensten nuttig achten om na te gaan of de geplande verrichtingen behoren tot die vermeld in § 2, 5, d en e;
c) de verbintenis de roerende voorheffing te betalen vanaf het ogenblik dat zou worden vastgesteld dat de lening niet wordt gebruikt tot de in het verzoekschrift omschreven doeleinden.
