Artikel 210bis, KB/WIB 92
Art. 210bis is van toepassing op de vanaf 01.01.1997 verwezenlijkte meerwaarden (art. 5, KB 10.01.1997 - B.S. 11.02.1997; Numac: 1997003020)
§ 1. De in artikel 270, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde personen zijn verplicht, bij de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, op het in artikel 39 of 40 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten vermelde kantoor, de bedrijfsvoorheffing bepaald overeenkomstig hoofdstuk XII van de bijlage III te betalen met betrekking tot de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde winst of baten en die verwezenlijkt zijn bij de overdracht onder bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen of van zakelijke rechten met betrekking tot zulke onroerende goederen, door aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen.
Artikel 5 van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in het eerste lid vermelde meerwaarden, die bij de registratie van de akte of van de verklaring moet worden betaald.
§ 2. Wanneer § 1 moet worden toegepast, zijn de in artikel 270, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing verplicht, vóór registratie, aan de bevoegde ontvanger "Buitenland" het bericht vermeld in artikel 433 van voormeld Wetboek voor te leggen en er een aangifte in tweevoud bij te voegen waarbij kennis wordt gegeven alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de verwezenlijkte meerwaarden en eventueel de kosten en uitgaven te verantwoorden die de overdrager vraagt van de overdrachtprijs af te trekken of bij de verkrijgingsprijs te voegen.
Indien de akte of de verklaring waarvan sprake in §1 niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van de aangifte, wordt deze als niet bestaande beschouwd.
§ 3. Door de ontvangers wordt aan de in § 2 vermelde schuldenaars, binnen de termijn gesteld in artikel 434 van voormeld Wetboek, bij ter post aangetekende brief kennis gegeven van het bedrag van de krachtens artikel 273, 2°, van hetzelfde Wetboek verschuldigde bedrijfsvoorheffing, met betrekking tot de meerwaarden verwezenlijkt op de goederen welke het voorwerp van de akte zijn.
In geval van openbare verkoop zullen de ontvangers, in afwijking van het eerste lid, aan de betrokken schuldenaar van bedrijfsvoorheffing enkel kennis geven van het totale bedrag dat van de overdrachtprijs moet worden afgetrokken om het bedrag van de verwezenlijkte meerwaarde te bekomen zodat deze, evenals de erop verschuldigde bedrijfsvoorheffing, door voormelde schuldenaar zelf kan berekend worden.
§ 4. De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing zal, vóór registratie, aan de ontvanger belast met de registratie van de akte of van de verklaring waarbij de overdracht is vastgesteld, de in § 3 vermelde kennisgeving voorleggen.
De ontvanger kan de registratie van de akte afhankelijk stellen van de overlegging van een getuigschrift dat uitgaat van de bevoegde ambtenaar van de administratie der directe belastingen en waarbij is vastgesteld dat de overdrager geen belastingplichtige is als vermeld in artikel 227, 1° of 2°, van voormeld Wetboek.
§ 5. Na ontvangst van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing zal de ontvanger van de registratie de in § 3 vermelde kennisgeving vervolledigen en in tweevoud aan de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing uitreiken. Deze laatste zal een exemplaar aan de overdrager van het onroerend goed of van de zakelijke rechten met betrekking tot dat goed overhandigen om hem in staat te stellen zijn aangifte in de belasting van niet-inwoners in te vullen.
Een exemplaar van de in het eerste lid vermelde kennisgeving wordt door de ontvanger van de registratie aan de bevoegde taxatiedienst der directe belastingen gezonden.
