Artikel 22, KB/WIB 92
Art. 22 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992 (art. 4, KB/WIB; KB 27.08.1993 – B.S. 13.09.1993; Numac: 1993082751)
§ 1. Uit de winst van het krachtens artikel 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde belastbare tijdperk worden de bij het verstrijken van dat tijdperk geboekte waardeverminderingen gesloten, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die hierna volgen:
1° de verliezen, ter bestrijding waarvan die waardeverminderingen bestemd zijn, moeten uiteraard als beroepsverliezen aftrekbaar zijn en uitsluitend betrekking hebben op niet in obligaties of andere gelijkaardige effecten op naam of aan toonder verdeelde vorderingen;
2° die verliezen moeten scherp omschreven zijn en de waarschijnlijkheid ervan moet voor iedere vordering blijken uit bijzondere tijdens het belastbare tijdperk voorgekomen en op het einde daarvan nog bestaande omstandigheden, en niet uit een louter algemeen risico;
3° de waardeverminderingen moeten geboekt zijn bij de afsluiting van de boekhouding van het belastbare tijdperk en hun bedrag moet in één of meer afzonderlijke rekeningen voorkomen;
4° het bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen, moet per onderwerp verantwoord en uiteengezet worden in een staat waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld; die staat moet worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het belastbare tijdperk en bij die aangifte worden gevoegd;
5° het vrijgestelde bedrag van de waardeverminderingen geboekt tijdens het belastbare tijdperk, mag niet méér bedragen dan:
a) ten aanzien van binnenlandse vennootschappen: 5 % van de maatschappelijke winst van dat tijdperk, met inbegrip van de in artikel 48 van hetzelfde Wetboek vermelde waardeverminderingen en voorzieningen, doch met uitsluiting van de andere krachtens de artikelen 190 tot 192, 194 en 521 van hetzelfde Wetboek vrijgestelde voorzienin-gen of meerwaarden;
b) ten aanzien van ondernemingen van natuurlijke personen of van inrichtingen waarover niet-inwoners in België beschikken: 5 % van de brutowinst van die ondernemingen of inrichtingen, verminderd met de aftrekbare beroepskosten en met de krachtens de artikelen 44, 45, 190 tot 192, 194 en 521 van hetzelfde Wetboek vrijgestelde voorzieningen of meerwaarden, doch vóór enige aftrek wegens de in artikel 48 van hetzelfde Wetboek vermelde waardeverminderingen en voorzieningen;
6° bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk mag het overblijvende totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen niet méér bedragen dan 7,5 % van het hoogste bedrag dat de winst van één van de 5 vorige belastbare tijdperken heeft bereikt; voor de toepassing van deze bepaling wordt onder winst verstaan:
a) ten aanzien van binnenlandse vennootschappen: de maatschappelijke winst van die tijdperken, met uitsluiting van alle waardeverminderingen, voorzieningen of meerwaarden die zijn vrijgesteld krachtens de artikelen 48, 190 tot 192, 194, 520 en 521 van hetzelfde Wetboek;
b) ten aanzien van ondernemingen van natuurlijke personen of van inrichtingen waarover niet-inwoners in België beschikken: de brutowinst van het beschouwde belastbare tijdperk, verminderd met de erop drukkende beroepskosten en met de waardeverminderingen, voorzieningen of meerwaarden die vrijgesteld zijn krachtens de artikelen 44, 45, 48, 190 tot 192, 194, 520 en 521 van hetzelfde Wetboek.
§ 2. De belastingplichtige mag in de plaats van het stelsel van begrenzing bepaald in § 1, 5 en 6, ook kiezen voor een stelsel van begrenzing waarbij het vrijgestelde bedrag van de waardeverminderingen die tijdens het belastbare tijdperk zijn geboekt, eensdeels, en het totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen die bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk overblijven, anderdeels, niet meer mag bedragen dan respectievelijk 2 en 3 per duizend van het totaalbedrag van de vorderingen als vermeld in § 1, 1, die op het einde van het betreffende belastbare tijdperk nog bestaan.
§ 3. Om te bepalen of de grenzen gesteld in § 1, 5 en 6, en in § 2, worden overschreden, moet geen rekening worden gehouden met de geboekte waardeverminderingen voor waarschijnlijke verliezen op vorderingen ten aanzien van ondernemingen die failliet verklaard zijn.
