Artikel 35, KB/WIB 92

Art. 35, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2002 (art. 5 en 9, KB 20.07.2000 - B.S. 30.08.2000; Numac: 2000003468)

§ 1. De werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood vermeld in artikel 52, 3°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden van de belastbare inkomsten afgetrokken zoals bepaald in dat artikel, onder de volgende voorwaarden:

1° de bijdragen moeten worden gestort aan een levensverzekeringsonderneming of een pensioenfonds met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België of aan een inrichting in België van een dergelijke onderneming of fonds met maatschappelijke zetel of voornaamste inrichting in het buitenland en zulks ter uitvoering van:

- ofwel een reglement van groepsverzekering dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke reglementen;

- ofwel een verzekeringscontract betreffende de toekenning van extra-wettelijke voordelen aan werknemers bedoeld bij de reglementering inzake het rust- en overlevingspensioen der werknemers;

- ofwel het reglement van een pensioenfonds opgericht ten bate van het personeel van de onderneming en ingeschreven op de Controledienst voor de Verzekeringen of erkend bij koninklijk besluit;

2° de persoonlijke bijdragen vermeld in artikel 145^1, 1°, van hetzelfde Wetboek die door de werkgever op de bezoldigingen van de werknemer zijn ingehouden, moeten jaarlijks worden ingeschreven op de individuele loonfiches vermeld in artikel 92, eerste lid, onder een afzonderlijke rubriek, met vermelding van naam en adres van de onderneming of het fonds waaraan zij zijn gestort;

3° voorschotten op contracten en inpandgevingen van contracten mogen slechts worden toegestaan om het de werknemer mogelijk te maken in België gelegen onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen en op voorwaarde dat de voorschotten en leningen terugbetaald worden zodra de voormelde goederen uit het vermogen van de werknemer verdwijnen;

4° de beperking vermeld in 3 moet in de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten en de pensioenreglementen zijn ingeschreven;

5° de overdraagbaarheidscoëfficiënt van de toekenningen waarin de reglementen van groepsverzekering, de verzekeringscontracten en de pensioenreglementen voorzien ten gunste van de langstlevende echtgenoot, mag niet meer bedragen dan 80 %.

§ 2. De bijdragen vermeld in § 1 mogen slechts van de belastbare inkomsten worden afgetrokken gedurende de normale duur van de beroepswerkzaamheid van elke werknemer en in zover, per werknemer, de genoemde bijdragen, verhoogd met de persoonlijke bijdragen vermeld in artikel 145^1, 1°, van hetzelfde Wetboek:

1° jaarlijks niet hoger zijn dan de bedragen verschuldigd krachtens reglementen van groepsverzekering, verzekeringscontracten of pensioenreglementen die op eenzelfde wijze voor het gehele personeel van de onderneming of voor een bijzondere categorie van dat personeel van toepassing zijn;

2° toekenningen vestigen die, winstdeelnemingen inbegrepen, gelijk staan met een jaarrente waarvan het bedrag, aangevuld met het wettelijk pensioen, niet hoger is dan 80 %. van de normale brutojaarbezoldiging van de werknemers tijdens het betreffende jaar, vermenigvuldigd met een breuk met als teller het in de onderneming werkelijk gepresteerde en het er nog te presteren aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid en als noemer het aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid.

Om na te gaan of deze begrenzing in acht genomen is, moeten toekenningen in kapitaal in rente worden omgezet met de gegevens van de volgende tabel, zo nodig aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de rente.

Tabel die, zonder rekening te houden met overdraagbaarheid of indexering van de rente, voor onderscheiden leeftijden bij aanvang van de rente, het nodig geachte kapitaal vermeldt voor een per twaalfden na vervallen termijn betaalbare rente van 1 euro.
Leeftijd bij de aanvang van de renteKapitaal in frank nodig voor een jaarrente van 1 euro
40 jaar en minder17,7063
41 jaar17,5247
42 jaar17,3371
43 jaar17,1434
44 jaar16,9436
45 jaar16,7376
46 jaar16,5254
47 jaar16,3069
48 jaar16,0821
49 jaar15,8510
50 jaar15,6137
51 jaar15,3701
52 jaar15,1203
53 jaar14,8644
54 jaar14,6025
55 jaar14,3347
56 jaar14,0612
57 jaar13,7820
58 jaar13,4974
59 jaar13,2077
60 jaar12,9130
61 jaar12,6137
62 jaar12,3100
63 jaar12,0023
64 jaar11,6908
65 jaar en meer11,3761

§ 3. De in § 2, 2, bepaalde grens geldt niet voor bijdragen die gestort zijn om:

1° een ontoereikendheid van vroegere stortingen aan te vullen die voortvloeit uit een verhoging van de bezoldigingen of een verbetering van de gevestigde toekenningen;

2° voor werknemers die bij de onderneming gepresteerd hebben vóór er een in § 1, 1, vermeld verzekerings- of pensioenstelsel werd ingevoerd, voor het aldus gepresteerde aantal jaren van de normale duur van de beroepswerkzaamheid, de ontbrekende stortingen te compenseren;

3° werknemers die bij de onderneming een onvolledige loopbaan hebben, een pensioen toe te kennen berekend in verhouding tot een langere duur van beroepswerkzaamheid dan die welke zij bij de onderneming zullen vervullen, op voorwaarde dat die bijdragen slaan op maximaal 10 jaar van een vroeger werkelijk uitgeoefende beroepswerkzaamheid of op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid en dat het aldus in aanmerking genomen totaal aantal jaren het aantal jaren van de normale duur van hun beroepswerkzaamheid niet overtreft;

4° een verhoging toe te staan van de uitgestelde renten binnen de grens van 2 % per jaar te rekenen vanaf hun aanvang, evenals van de lopende renten, zonder dat die verhoging meer bedraagt dan die welke wordt verkregen door die renten te indexeren overeenkomstig de regeling die geldt voor de indexering van de pensioenen van de overheidssector.