Artikel 57, KB/WIB 92

Art. 57 is van toepassing vanaf 09.11.2000 (art. 3 en 9, KB 16.10.2000 - B.S. 09.11.2000; Numac: 2000003682)

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 3, b en e, en 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, de instellingen die oorlogsslachtoffers, minder-validen, bejaarden, beschermde minderjarigen of behoeftigen bijstaan, en de instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden, op voorwaarde:

1° dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;

2° dat zij generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;

3° dat hun werkzaamheden:

a) nationaal zijn, wat betekent dat die instellingen ofwel hun actie over het gehele land moeten voeren ofwel plaatselijke of gewestelijke werkzaamheden moeten centraliseren en coördineren;

b) uitsluitend gericht zijn op wetenschappelijk onderzoek, op bijstand aan misdeelden of op hulpverlening aan ontwikkelingslanden;

c) deze aanvullen die op de hierboven vermelde gebieden worden verricht door de Belgische overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.

De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste 6 opeenvolgende kalenderjaren toegestaan.

§ 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.

§ 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende instelling.

§ 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten:

1° alle nuttige gegevens die de bevoegde raadgevende instellingen van de Staat of van de Gemeenschappen in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;

2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat:

a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 % van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;

b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;

c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;

d) aan de diensten die worden aangewezen door de voor de erkenning bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.

Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.

§ 5. De Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren beslissen gezamenlijk over de aanvraag om erkenning, na het advies van voormelde instellingen te hebben ingewonnen, tenzij zij gebruik maken van de in § 6 gestelde mogelijkheid.

Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.

§ 6. De Minister van Financiën en de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen waaronder de bevoegde raadgevende instellingen ressorteren, mogen zich ervan onthouden het advies van die voormelde instellingen in te winnen met betrekking tot de instellingen waarvoor, ter gelegenheid van een vroegere aanvraag om erkenning, reeds een advies is uitgebracht.

§ 7. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van elk van de bevoegde organen van de Staat of van de Gemeenschappen.

De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf de 1e januari die volgt op de datum van betekening van de beslissing.

§ 8. In gevallen van uitzonderlijke en dringende hulpverlening aan behoeftigen kan de erkenning eveneens worden toegestaan wanneer:

- de werkzaamheden van de instelling die bijstand verleent, niet nationaal zijn of niet uitsluitend gericht zijn op hulpverlening aan behoeftigen;

- of nog de aanvraag om erkenning niet voorafgaat aan de hulpverlening.

In die gevallen moet de aanvraag om erkenning uiterlijk 6 maanden na de aanvang van de hulpverlening worden ingediend en wordt de erkenning beperkt tot een maximumduur van 3 opeenvolgende kalenderjaren.