Artikel 58, KB/WIB 92
Art. 58, § 7 en 8, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999 (art. 4, 3° en 4°, en 9, KB 16.10.2000 - B.S. 09.11.2000; Numac: 2000003682)
§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, eerste lid, 3, d, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de culturele instellingen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
2° generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
3° hun werkzaamheden rechtstreeks en uitsluitend verrichten in het domein van de verspreiding van de cultuur, met name op het gebied van:
a) bescherming en luister van de taal;
b) aanmoediging van de vorming van navorsers;
c) schone kunsten met inbegrip van toneel en film;
d) cultureel patrimonium, musea en andere wetenschappelijk- culturele instellingen;
e) bibliotheken, discotheken en soortgelijke diensten;
f) radio-omroep en televisie;
g) jeugdbeleid;
h) permanente opvoeding en culturele animatie;
i) lichamelijke opvoeding, sport en openluchtleven;
j) vrijetijdsbesteding en toerisme;
4° wegens hun werkzaamheden door de Staat of door één van de Gemeenschappen gesubsidieerd worden;
5° met hun invloedsgebied één van de Gemeenschappen of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.
De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste 3 opeenvolgende kalenderjaren toegestaan.
§ 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
§ 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan 3 maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende instelling.
§ 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten:
1° alle nuttige gegevens die de diensten, welke met de behandeling van de aanvraag om erkenning belast zijn, in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat:
a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 % van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
d) aan de in 1 vermelde diensten, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
§ 5. Die aanvragen om erkenning moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
§ 6. Met betrekking tot de naleving van de in § 1, eerste lid, 3, gestelde voorwaarde vraagt de Minister van Financiën een gemotiveerd advies:
1° aan de Eerste Minister indien het invloedsgebied van de aanvragende instelling onder de Duitstalige Gemeenschap ressorteert;
2° aan de Executieve van de Gemeenschap waaronder het invloedsgebied van de aanvragende instelling ressorteert.
§ 7. (...)
§ 8. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning op voorstel van de Minister van Financiën door de Koning worden ingetrokken (...).
Het besluit waarbij de erkenning wordt ingetrokken, heeft uitwerking met ingang van 1 januari volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
