Artikel 59bis, KB/WIB 92
Art. 59bis is van toepassing op de vanaf 14.06.1996 gedane giften (art. 1, 5 en 6, KB 29.10.1998 - B.S. 17.11.1998; Numac: 1998003559)
§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 3°, i, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de instellingen die zich bezighouden met het natuurbehoud of de bescherming van het leefmilieu, op voorwaarde:
1° dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
2° dat zij generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
3° dat ze werkzaamheden in België uitoefenen die rechtstreeks en uitsluitend gericht zijn op het natuurbehoud en/of de bescherming van het leefmilieu;
4° dat ze een belangrijke rol spelen bij de bewustmaking van de bevolking en de milieuopvoeding van de jeugd;
5° dat hun activiteiten een doorlopend en duurzaam karakter omvatten zodat instellingen die éénmalige of gelegenheidsacties uitoefenen, uitgesloten zijn;
6° dat zij sedert ten minste twee volledige kalenderjaren die de periode waarvoor de erkenning wordt gevraagd, voorafgaan, de rechtspersoonlijkheid bezitten en voormelde activiteiten uitoefenen;
7° dat ze wegens hun werkzaamheden door de federale overheid of door één van de Gewesten worden gesubsidieerd;
8° dat hun invloedsgebied zich over meer dan een gemeente uitstrekt.
De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste 3 opeenvolgende kalenderjaren toegestaan.
§ 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.
§ 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend.
§ 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten:
1° alle documenten en nuttige gegevens die de diensten welke met de behandeling van de aanvragen om erkenning belast zijn, in de mogelijkheid te stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;
2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat:
a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 % van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;
b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie der directe belastingen binnen 2 maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;
c) de ambtenaren van de administratie der directe belastingen toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;
d) aan de diensten welke met de behandeling van de aanvraag om erkenning belast zijn, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.
Die aanvragen moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
§ 5. De Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort, beslissen gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.
Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.
§ 6. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van de Minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort.
De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf de lste januari die volgt op de datum van de betekening van de beslissing.
