Artikel 59sexies, KB/WIB 92

Art. 59sexies is van toepassing vanaf 01.01.2005 (art. 1 en 4, KB 12.07.2005 - B.S. 29.07.2005; Numac: 2005003605)

[In afwijking van artikel 59sexies, § 3, ingevoegd bij art. 1, KB 12.07.2005, moeten de aanvragen om erkenning voor het jaar 2005 uiterlijk op 30.11.2005 worden ingediend]

§ 1. Voor de toepassing van artikel 104, 3°, l, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kunnen worden erkend de instellingen die duurzame ontwikkeling ten doel hebben en die aan de volgende voorwaarden voldoen:

1° rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;

2° generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;

3° hun werkzaamheden in België rechtstreeks en uitsluitend verrichten in het domein van de duurzame ontwikkeling;

4° wegens hun werkzaamheden door de Staat, door één van de Gewesten of de Duitstalige Gemeenschap worden gesubsidieerd;

5° met hun invloedsgebied één van de Gewesten, de Duitstalige Gemeenschap of het gehele land bestrijken, zodat inzonderheid de instellingen worden uitgesloten die slechts op lokaal vlak werkzaam zijn.

De erkenning wordt voor een periode van ten hoogste zes opeenvolgende kalenderjaren toegestaan.

§ 2. Om te worden erkend moeten de instellingen als vermeld in § 1 daartoe een schriftelijke aanvraag indienen in de vorm en binnen de termijnen als hierna bepaald.

§ 3. De aanvragen om erkenning moeten uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, bij de Minister van Financiën worden ingediend; de termijn mag evenwel niet korter zijn dan drie maanden vanaf de datum van de oprichting van de aanvragende instelling.

§ 4. De aanvragen om erkenning moeten omvatten:

1° alle nuttige gegevens die de diensten, welke met de behandeling van de aanvraag om erkenning belast zijn, in de mogelijkheid stellen te onderzoeken of de aanvragende instelling aan de in § 1 gestelde voorwaarden voldoet;

2° een verklaring waarbij de aanvragende instelling de verbintenis aangaat:

a) tot het dekken van kosten van algemeen beheer geen hoger bedrag te zullen besteden dan 20 % van haar bestaansmiddelen van alle aard, vooraf verminderd met die welke voortkomen van andere erkende instellingen;

b) aan de schenkers een ontvangstbewijs uit te reiken waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld en bij de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit binnen twee maanden na het einde van ieder kalenderjaar van de periode waarvoor de erkenning is toegestaan een afschrift van de tijdens dat jaar uitgereikte ontvangstbewijzen en een verzamelstaat of -attest daarvan in te leveren;

c) de ambtenaren van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit toe te staan haar boekhouding te controleren telkens als zij dat nuttig achten;

d) aan de in 1° vermelde diensten, binnen een maand na het eerste verzoek van die diensten, alle inlichtingen te verstrekken die voor het onderzoek van de aanvraag om erkenning nuttig zijn.

§ 5. Die aanvragen om erkenning moeten bovendien worden gestaafd met een voor eensluidend verklaard afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatst afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.

§ 6. De Minister van Financiën en de Minister bevoegd voor duurzame ontwikkeling beslissen gezamenlijk over de aanvraag om erkenning.

Hun beslissing wordt aan de aanvragende instelling betekend.

§ 7. Ingeval een instelling één van de voor haar erkenning gestelde voorwaarden niet nakomt, kan haar erkenning ambtshalve worden ingetrokken of geweigerd door een gezamenlijke beslissing van de Minister van Financiën en van de Minister bevoegd voor duurzame ontwikkeling.

De intrekking van de erkenning treedt in werking vanaf de 1e januari die volgt op de datum van de betekening van de beslissing.