Artikel 73^4septies, KB/WIB 92
Art. 73^4septies is van toepassing vanaf 01.05.2019 (art. 10 en 39, 1ste lid, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460)
[Zolang het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, niet van toepassing is op een vennootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die voorkomt in een van de besluiten genomen voor de uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van Successierechten, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en de bijzondere wetgeving van toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwerkingtreding van dit besluit (art. 38, KB 29.08.2019 - B.S. 13.09.2019; Numac: 2019014460]
De belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen de aftrek voor risicokapitaal genieten indien zij een jaarrekening opmaken en een boekhouding voeren conform de wetgeving betreffende de boekhouding en de jaarrekening van vennootschappen. In deze gevallen wordt de aftrek voor risicokapitaal bepaald op grond van deze jaarrekening en de boeken.
In de gevallen waarin deze wetgeving de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2° van hetzelfde Wetboek niet verplicht een jaarrekening op te maken en een boekhouding te voeren, genieten zij toch de aftrek voor risicokapitaal als zij vrijwillig een boekhouding voeren die in overeenstemming is met de regels die door deze wetgeving zijn vastgesteld voor de bijkantoren van de buitenlandse vennootschappen bedoeld in artikel 3:1, § 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, die geen aanspraak kunnen maken op de vrijstelling waarin deze bepaling voorziet.
