Artikel 63^7, KB/WIB 92
Art. 63^7 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2002 (art. 5 en 9, KB 20.07.2000 - B.S. 30.08.2000; Numac: 2000003468 - err. 08.03.2000)
§ 1. Het naleven van de verplichtingen bedoeld in artikel 145^11, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt nagegaan op grond van de in § 2 bedoelde bescheiden die door de beheersvennootschap bij de Minister van Financiën worden ingediend uiterlijk één maand na het einde van ieder volledig kalenderkwartaal sedert de erkenning van het fonds, ondertekend door de twee bestuurders bedoeld in artikel 3, § 1, 8, van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging en zonder enig voorbehoud gewaarmerkt door de in artikel 63^6, § 1, 7, bedoelde commissaris-revisor.
§ 2. De in § 1 bedoelde bescheiden worden gevormd door de gedetailleerde toestand van het fonds zoals die is opgesteld op het einde van de laatste bankwerkdag van iedere maand die deel uitmaakt van ieder kalenderkwartaal.
Die bescheiden geven de gedetailleerde samenstelling van het fonds op het einde van de maand, de waardering van respectievelijk elk element van het patrimonium en van het geheel van dit laatste overeenkomstig de in § 3 vermelde regels, enerzijds in kapitaal, anderzijds in inkomsten, evenals de netto inschrijvingen in kapitaal bij het fonds voor ieder van de drie voorgaande maanden.
§ 3. De methodes tot waardering van het patrimonium van het fonds moeten beantwoorden aan de voorwaarden vermeld in artikel 68, § 1, van voormeld koninklijk besluit van 4 maart 1991 en moeten overeenstemmen met de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 8 maart 1994 op de boekhouding en de jaarrekening van bepaalde instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming.
Wanneer er voor een element van het patrimonium geen gereglementeerde liquide markt bestaat, moeten de in het eerste lid bedoelde methodes tot waardering in het bijzonder door een commissaris-revisor zijn aanvaard.
§ 4. De voorwaarden bedoeld in artikel 145^11, van hetzelfde Wetboek worden beschouwd als nageleefd indien uit de in §§ 1 en 2 bedoelde bescheiden blijkt:
a) dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal van de aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van vennootschappen naar Belgisch recht vertegenwoordigen hoger is dan 30 % van de refertewaarde van het fonds;
b) dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal, enerzijds, van de buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde effecten of de delen van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen ingeschreven zijn op de lijst van de Belgische beleggingsinstellingen, en anderzijds, van de tegoeden op rekening in euro bij één van de in artikel 145^15, eerste lid, van hetzelfde Wetboek vermelde instellingen of ondernemingen, niet hoger is dan 10 % van de refertewaarde van het fonds;
c) dat de refertewaarde van het fonds die dient om de in a en b van deze paragraaf bedoelde coëfficiënten te meten, voor ieder kalenderkwartaal wordt bepaald door de gemiddelde waarde in kapitaal van het fonds te verminderen met een derde van de waarde in kapitaal van de netto inschrijvingen bij het fonds tijdens de derde maand die voorafgaat aan het kalenderkwartaal waarvoor de refertewaarde wordt berekend, met twee derde van de netto inschrijvingen tijdens de tweede maand die het betrokken kwartaal voorafgaat en met het totaal van dezelfde inschrijvingen tijdens de maand die hetzelfde kalenderkwartaal voorafgaat.
