Artikel 95^2, KB/WIB 92

Art. 95^2 is van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 01.01.2006 behalve de bepalingen betreffende de in artikel 275^3, derde lid, 2°, WIB 1992 bedoelde Young Innovative Companies die uitwerking hebben vanaf 01.07.2006 (art. 2 en 7, KB 22.08.2006 - B.S. 28.08.2006; Numac: 2006003400 - art. 7 gewijzigd door art. 25, KB 11.12.2006 - B.S. 18.12.2006; Numac: 200603580)


§ 1. De in het tweede lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in §§ 2 en 3 vermelde onderscheid.

De in het eerste lid bedoelde schuldenaars zijn:

1° de werkgevers beoogd in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die:

- ofwel onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;

- ofwel erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren;

2° de werkgevers beoogd in artikel 275^2 van hetzelfde wetboek die behoren tot de koopvaardij, de bagger- en de sleepvaartsector;

3° a) de universiteiten en hogescholen beoogd in artikel 275^3, eerste lid, van hetzelfde wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistentonderzoekers en het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek alsmede het "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen" die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers;

b) de wetenschappelijke instellingen beoogd in artikel 275^3, tweede lid, van hetzelfde wetboek, die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers;

c) de ondernemingen beoogd in artikel 275^3, derde lid, 1°, van hetzelfde wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die aan onderzoeksprojecten werken ter uitvoering van samenwerkingsovereenkomsten afgesloten met in a) en b) bedoelde universiteiten of hogescholen, gevestigd in de Europese Economische Ruimte, of erkende wetenschappelijke instellingen;

d) de vennootschappen beoogd in artikel 275^3, derde lid, 2°, van hetzelfde wetboek, die onder de definitie van "Young Innovative Company" vallen en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan wetenschappelijk personeel dat als werknemer door deze vennootschap wordt tewerkgesteld;

e) de ondernemingen beoogd in artikel 275^3, derde lid, 3°, van hetzelfde wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die een diploma hebben van doctor in de toegepaste wetenschappen, in de exacte wetenschappen, in de geneeskunde of in de diergeneeskunde of van burgerlijk ingenieur en die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's;

4° de werkgevers beoogd in artikel 275^4 van hetzelfde wetboek, die behoren tot de sector van de zeevisserij;

5° de ondernemingen beoogd in artikel 275^5 van hetzelfde wetboek, waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen.

§ 2. De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

§ 3. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "aard der inkomsten": de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;

b) in het vak "belastbare inkomsten":

1° voor de in § 1, tweede lid, 1° en 3° tot 5°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

2° voor de in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen aan hun werknemers die zij als communautaire zeelieden tewerkstellen aan boord van in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing":

1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 24,75 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag;

2° voor de in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de aan mekaar ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen betaald of toegekend aan hun werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;

3° voor de in § 1, tweede lid, 3°, a, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 65 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare aan mekaar bezoldigingen;

4° voor de in § 1, tweede lid, 3°, b tot d, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 50 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

5° voor de in § 1, tweede lid, 3°, e, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 25 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;

6° voor de in § 1, tweede lid, 4°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de aan mekaar ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen, volgens het volgende onderscheid:

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 275^4, derde lid, van hetzelfde wetboek, dan moet uitsluitend het positieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 275^4, vijfde lid, van hetzelfde wetboek, uitsluitend het negatieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

7° voor de in § 1, tweede lid, 5°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 5,63 % van de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van hetzelfde wetboek, vastgestelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, maar met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

§ 4. Ter staving van hun aangiften in de bedrijfsvoorheffing moeten de in § 1 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing de modaliteiten naleven die zijn opgenomen in bijlage IIIter.

§ 5. De in uitvoering van artikel 275^3, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 erkende instellingen zijn opgenomen in bijlage IIIquater bij dit besluit.