Artikel 95^2, KB/WIB 92
Art. 95^2 heeft uitwerking met ingang van 01.01.2008 (art. 2, A, 6°, B, 9°, en 5, KB 31.07.2009 - B.S. 07.08.2009; Numac: 2009003292)
§ 1. De in het tweede lid vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in §§ 2 en 3 vermelde onderscheid.
De in het eerste lid bedoelde schuldenaars zijn:
1° de werkgevers beoogd in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die:
- ofwel onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wat de werknemers betreft die zijn onderworpen aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die vallen onder categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;
- ofwel erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen voor zover de uitzendkrachten worden tewerkgesteld in de functie van een werknemer van categorie 1 en voor zover zij overwerk presteren;
2° de werkgevers beoogd in artikel 275^2 van hetzelfde wetboek die behoren tot de koopvaardij, de bagger- en de sleepvaartsector;
3° a) de universiteiten en hogescholen beoogd in artikel 275^3, § 1, eerste lid, van hetzelfde wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistentonderzoekers en het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek alsmede het "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen" die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers;
b) de wetenschappelijke instellingen beoogd in artikel 275^3, § 1, tweede lid, van hetzelfde wetboek, die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers;
c) de ondernemingen beoogd in artikel 275^3, § 1, derde lid, 1°, van hetzelfde wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die aan onderzoeksprojecten werken ter uitvoering van samenwerkingsovereenkomsten afgesloten met in a) en b) bedoelde universiteiten of hogescholen, gevestigd in de Europese Economische Ruimte, of erkende wetenschappelijke instellingen;
d) de vennootschappen beoogd in artikel 275^3, § 1, derde lid, 2°, van hetzelfde wetboek, die onder de definitie van "Young Innovative Company" vallen en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan wetenschappelijk personeel dat als werknemer door deze vennootschap wordt tewerkgesteld;
e) de ondernemingen beoogd in artikel 275^3, § 1, derde lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld in onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's en die een in artikel 275^3, § 2, vermeld diploma hebben.
4° de werkgevers beoogd in artikel 275^4 van hetzelfde wetboek, die behoren tot de sector van de zeevisserij;
5° de ondernemingen beoogd in artikel 275^5 van hetzelfde wetboek, waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen.
6° de schuldenaars beoogd in artikel 275^6 van hetzelfde Wetboek, die bezoldigingen betalen of toekennen aan sportbeoefenaars (...);
7° de werkgevers beoogd in artikel 275^7 van hetzelfde Wetboek die bezoldigingen betalen of toekennen en die:
- ofwel onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
- ofwel erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in het eerste streepje bedoelde ondernemingen;
8° de werkgevers beoogd in artikel 275^8 van hetzelfde Wetboek, die zich uitsluitend bezighouden met de champignonteelt en vallen onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf.
§ 2. De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:
a) in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing.
§ 3. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel of het geheel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten:
a) in het vak "aard der inkomsten": de code die is opgenomen in bijlage IIIbis;
b) in het vak "belastbare inkomsten":
1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars: de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode;
2° voor de in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen aan hun werknemers die zij als communautaire zeelieden tewerkstellen aan boord van in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;
3° voor de in § 1, tweede lid, 3° tot 6°, bedoelde schuldenaars: de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
4° voor de schuldenaars bedoeld in § 1, derde lid, 7°:
- het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;
- het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;
c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing":
1° voor de in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan:
- 32,19 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 20 % is toegepast;
- 41,25 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag wanneer een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100 % is toegepast;
2° voor de in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de aan mekaar ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen betaald of toegekend aan hun werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerde schepen waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd;
3° voor de in § 1, tweede lid, 3°, a, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 65 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare aan mekaar bezoldigingen;
4° voor de in § 1, tweede lid, 3°, b tot d, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 50 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;
5° voor de in § 1, tweede lid, 3°, e, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 25 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;
6° voor de in § 1, tweede lid, 4°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan de aan mekaar ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen, volgens het volgende onderscheid:
- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 275^4, derde lid, van hetzelfde wetboek, dan moet uitsluitend het positieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;
- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 275^4, vijfde lid, van hetzelfde wetboek, uitsluitend het negatieve verschil worden vermeld tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing;
7° voor de in § 1, tweede lid, 5°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 10,7 % van de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van hetzelfde wetboek, vastgestelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, maar met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.
8° voor de in § 1, tweede lid, 6°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 80 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen;
9° voor de in § 1, derde lid, 7°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 0,25 % van:
- het totaal van de bruto bezoldigingen vóór inhouding van de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid wanneer die bezoldigingen of een deel ervan aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;
- het totaal van de bruto belastbare bezoldigingen zoals die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wanneer die bezoldigingen niet aan de sociale zekerheid zijn onderworpen;
10° voor de in § 1, tweede lid, 8°, bedoelde schuldenaars: een negatief bedrag gelijk aan 6 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen.
§ 4. Ter staving van hun aangiften in de bedrijfsvoorheffing moeten de in § 1 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing de modaliteiten naleven die zijn opgenomen in bijlage IIIter.
§ 5. De in uitvoering van artikel 275^3, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 erkende instellingen zijn opgenomen in bijlage IIIquater bij dit besluit.
