Artikel 111, KB/WIB 92
Art. 111, tweede lid en derde lid, is van toepassing op inkomsten die betaald of toegekend worden vanaf de dag volgend op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad (01.11.2025) (art. 1 en 3, KB 21.10.2025 - B.S. 31.10.2025; Numac: 2025008225)
Met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, en inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de onderverhuring of de overdracht van huur van al dan niet gemeubileerde onroerende goederen of uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is en niet is gelegen binnen de omheining van een sportinrichting te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen, zomede met betrekking tot opbrengsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien indien de verkrijgers:
a) aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners zijn;
b) binnenlandse vennootschappen zijn;
c) internationale of supranationale instellingen zijn als vermeld in artikel 105, 2°, c.
d) in artikel 105, 6°, a, vermelde vennootschappen van een lid-Staat, andere dan binnenlandse vennootschappen, zijn op voorwaarde dat de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn in de zin van artikel 105, 6°, b.
Voor de toepassing van het eerste lid, d, mogen de rechten of goederen uit hoofde waarvan de inkomsten worden betaald, gedurende geen enkel ogenblik van de periode gedurende dewelke deze inkomsten worden voortgebracht, begrepen zijn onder de activa van een inrichting waarover de gerechtigde buiten het grondgebied van de Europese Unie beschikt.
Met betrekking tot inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van lichamelijke roerende goederen, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien voor zover de verkrijger geïdentificeerd wordt als een in artikel 227, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige en waarbij de schuldenaar een binnenlandse vennootschap, een rijksinwoner die de lichamelijke roerende goederen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt of een Belgische inrichting is.
Indien de inkomsten bedoeld in het derde lid evenwel worden betaald of toegekend aan verkrijgers waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waarin zij zijn gevestigd daar niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten in kwestie onderworpen zijn aan een belastingregeling die aanzienlijk voordeliger is dan de regeling waaraan die inkomsten onderworpen zijn in België, wordt de verzaking bedoeld in het derde lid slechts toegestaan wanneer de betaling of toekenning van de inkomsten kadert binnen een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Een belastingregeling wordt niet beschouwd als aanzienlijk voordeliger indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.
