Artikel 105, KB/WIB 92
Art. 105 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992 (art. 87, KB/WIB; KB 27.08.1993 – B.S. 13.09.1993; Numac: 1993082751)
Voor de toepassing van de artikelen 106 tot 119 verstaat men:
1° onder "financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen, behalve die welke vóór 1 januari 1990 in vereffening zijn gesteld":
a) de Belgische banken en de Belgische instellingen van buitenlandse banken als vermeld in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935, op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten, hierna te noemen het koninklijk besluit nr. 185;
b) de Belgische openbare kredietinstellingen als vermeld in artikel 1, tweede lid, 1, van gezegd koninklijk besluit nr. 185;
c) de financiële ondernemingen als vermeld in artikel 1, tweede lid, 2, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 185;
d) de privé-spaarkassen die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zijn onderworpen;
e) de kapitalisatieondernemingen die onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 betreffende de controle op de kapitalisatieondernemingen;
f) de hypotheekbanken die onder de toepassing vallen van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen;
g) de vennootschappen die uitsluitend of hoofdzakelijk de financiering van verkopen op afbetaling ten doel hebben en als zodanig erkend zijn overeenkomstig de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling en van zijn financiering;
h) de kredietverenigingen die zijn erkend door de Nationale Kas voor Beroepskrediet, de plaatselijke handelsvennootschappen en de gewestelijke of beroepsverenigingen van deze maatschappijen die, tot uitvoering van het statuut van de Nationale Kas voor Beroepskrediet, krediet voor ambachtsoutillage mogen verstrekken, zomede de door het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet erkende kredietkassen;
i) de Belgische verzekeringsondernemingen die binnenlandse vennootschappen zijn en de Belgische inrichtingen van buitenlandse verzekeringsondernemingen;
j) de Nationale Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen die onder de toepassing vallen van de wet van 2 april 1962 tot oprichting van een Nationale Investeringsmaatschappij en van gewestelijke investeringsmaatschappijen;
k) de vennootschappen voor huisvestingskrediet zijnde de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, de Société régionale Wallonne du logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Nationale Landmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen, de coöperatieve vennootschappen Woningfonds van de Bond der kroostrijke gezinnen van België, Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen, Fonds du logement de la Ligue des familles nombreuses de Belgique, Fonds du Logement des familles nombreuses de Wallonie en Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest, zomede door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas erkende naamloze of coöperatieve vennootschappen die uitsluitend ten doel hebben leningen toe te staan voor het bouwen, het aankopen of het inrichten van sociale woningen, kleine landeigendommen of daarmede gelijkgestelde woningen, of voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair;
l) de Belgische inrichtingen van niet in a tot k vermelde openbare of private instellingen met rechtspersoonlijkheid, waarvan de werkzaamheid uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het toestaan van kredieten en leningen;
m) de coöperatieve vennootschap Belfox;
2° onder "parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen":
a) de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen die onder de toepassing vallen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, zomede alle andere inrichtingen of instellingen die krachtens de sociale wetgeving belast zijn met het inzamelen, centraliseren, kapitaliseren en verdelen van de gelden bestemd voor het toekennen van door die wetgeving vastgestelde voordelen, en zich met geen andere exploitaties of verrichtingen van winstgevende aard dan de plaatsing van de vermelde gelden bezighouden;
b) het Rentenfonds, de Nationale Kas voor Rampenschade, de Deposito- en Consignatiekas, het Nationaal waarborgfonds inzake kolenmijnschade, het Voorschottenfonds voor schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater, de spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, zomede de verenigingen zonder winstoogmerk Bond van Grote en van Jonge Gezinnen en Ligue des Familles in zover zij goedkope leningen aan hun leden verstrekken;
c) de internationale of supranationale instellingen naar publiek recht of de Belgische inrichtingen van dergelijke instellingen die krachtens internationale overeenkomsten of krachtens bijzondere, vóór de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen geldende wettelijke bepalingen, van belasting op hun in België verkregen inkomsten zijn vrijgesteld;
3° onder "beroepsbeleggers":
a) de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die de rentegevende roerende kapitalen voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;
b) de binnenlandse vennootschappen die niet vermeld zijn in 1 van dit artikel;
c) de niet in 1 van dit artikel vermelde inrichtingen waarover niet-inwoners, die belastingplichtig zijn volgens de artikelen 232, 2, a, en 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in België beschikken;
4° onder "privé-spaarders", de aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoners die hun rentegevende roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid hebben gebruikt;
5° onder "spaarders niet-inwoners", de in artikel 227 van hetzelfde Wetboek vermelde belastingplichtigen die hun roerende kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België hebben gebruikt.
