Artikel 106, KB/WIB 92

Art. 106, § 1, eerste lid, is van toepassing vanaf 31.08.2009 (art. 1, KB 31.07.2009 - B.S. 21.08.2009; Numac: 2009003324)

§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot de dividenden waarvan de schuldenaar een buitenlandse vennootschap is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting van een vennootschap die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Die verzaking blijft zonder uitwerking met betrekking tot dividenden vermeld in het eerste lid, die worden geïncasseerd ten voordele van een Belgisch beleggingsfonds of die begrepen zijn in inkomsten van certificaten van buitenlandse beleggingsfondsen.

§ 2. Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden en op inkomsten bedoeld in artikel 90, 11° van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen waarvan de schuldenaar, hetzij een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, hetzij een rechtspersoon naar Belgisch publiek recht is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner die geen onderneming exploiteert of die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt en die in het land waarvan hij inwoner is, vrijgesteld is van inkomstenbelastingen.

§ 3. Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden en op inkomsten bedoeld in artikel 90, 11° van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen waarvan de schuldenaar ofwel een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, ofwel een rechtspersoon is naar Belgisch publiek recht, wanneer die dividenden worden betaald of toegekend aan Belgische beleggingsfondsen die door de Minister van Financiën overeenkomstig het tweede lid zijn erkend.

De hierboven vermelde erkenning wordt verleend op voorwaarde dat het beheersreglement van het fonds bepaalt dat:

a) de delen van het fonds op naam worden ingeschreven bij de beheersvennootschap van het fonds;

b) voor het onderschrijven van de delen alleen spaarders niet-inwoners in aanmerking komen die een attest overhandigen, opgesteld door de belastingadministratie van de Staat waarvan zij inwoner zijn en waarin wordt bevestigd dat zij geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden en dat zij in het land waarvan zij inwoner zijn vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen;

c) de activa van het fonds voor ten minste 75 % worden belegd in aandelen of winstbewijzen die de in het eerste lid vermelde dividenden voortbrengen.

§ 4. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing wanneer de spaarder niet-inwoner ertoe gehouden is, hetzij krachtens een contractuele verplichting de opbrengst van Belgische aandelen die hij in eigen naam beheert door te storten aan de uiteindelijke verkrijger, hetzij een inkomen bedoeld in artikel 90, 11° van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen die hij krachtens een ontlening bezit door te storten behalve wanneer de uiteindelijke verkrijger een niet-inwoner is bedoeld in § 2, een beleggingsfonds is bedoeld in § 3 of een moedervennootschap is bedoeld in § 5 of in § 6.

De bepalingen van § 3 zijn niet van toepassing wanneer de spaarder niet-inwoner bedoeld in § 3, tweede lid, b, alhoewel hij de delen van het fonds in eigen naam beheert of bezit, er krachtens een andere contractuele verplichting dan het reglement van het fonds toe gehouden is de opbrengst ervan door te storten aan de uiteindelijke verkrijger, noch wanneer het beleggingsfonds er toe gehouden is een inkomen bedoeld in artikel 90, 11° van hetzelfde Wetboek met betrekking tot Belgische aandelen die het krachtens een ontlening bezit door te storten behalve wanneer de uiteindelijke verkrijger een niet-inwoner is bedoeld in § 2, een beleggingsfonds is bedoeld in § 3 of een moedervennootschap is bedoeld in § 5 of in § 6.

§ 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de verkrijger een moedermaatschappij is, die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de dochteronderneming vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid verstaat men onder dochteronderneming of moedermaatschappij een vennootschap:

a) die een van de echtsvormen heeft die in de bijlage van de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 22 december 2003 (2003/123/EG) worden genoemd of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;

b) die, volgens de fiscale wetgeving van de Staat waar ze is gevestigd en de overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting die deze Staat heeft gesloten met derde Staten, wordt beschouwd in deze Staat haar fiscale woonplaats te hebben;

c) die er is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 6. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar en de verkrijger binnenlandse vennootschappen zijn.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de dochteronderneming vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen.

§ 6bis. De minimumdeelneming vermeld in § 5, tweede lid, en in § 6, tweede lid, bedraagt:

- 25 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vóór 1 januari 2005;

- 20 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2005;

- 15 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2007;

- 10 % voor dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2009.

§ 7. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een beleggingsvennootschap is als vermeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, met uitsluiting van de vastgoedbeleggingsvennootschappen met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, en waarvan de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner.

Die verzaking is niet van toepassing op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden die de beleggingsvennootschap zelf ontvangen heeft van een binnenlandse vennootschap.

§ 8. Ongeacht wie de verkrijger van de hierna vermelde inkomsten is, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot de dividenden die worden uitgekeerd door een vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, voor zover, bij het afsluiten an het boekjaar waarmee de dividenden verband houden, tenminste 60 % van het vastgoed in de zin van artikel 2, 4°, van het voornoemde besluit rechtstreeks of onrechtstreeks belegd is in onroerende goederen die in België zijn gelegen en uitsluitend voor woninggebruik aangewend worden of bestemd zijn.

§ 9. In de hierna aangegeven mate wordt afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden die worden uitgekeerd door een Belgische beleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 5°, van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven of door een private privak als bedoeld in artikel 119, eerste lid, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles:

a) de roerende voorheffing is niet verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door de beleggingsvennootschap;

b) wanneer de verkrijger een buitenlandse vennootschap is, is de roerende voorheffing daarnaast evenmin verschuldigd op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden uit aandelen die door buitenlandse vennootschappen zijn uitgegeven.