Artikel 106, KB/WIB 92

Art. 106, § 9, is van toepassing vanaf 06.02.1998 (art. 1, KB 09.01.1998 - B.S. 06.02.1998; Numac: 1998003689)

§ 1. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een buitenlandse vennootschap is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een binnenlandse vennootschap.

Die verzaking blijft zonder uitwerking met betrekking tot dividenden vermeld in het eerste lid, die worden geïncasseerd ten voordele van een Belgisch beleggingsfonds of die begrepen zijn in inkomsten van certificaten van buitenlandse beleggingsfondsen.

§ 2. Er wordt eveneens volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden waarvan de schuldenaar, hetzij een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, hetzij een rechtspersoon naar Belgisch publiek recht is, wanneer de verkrijger wordt geïdentificeerd als een spaarder niet-inwoner die geen onderneming exploiteert of die zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt en die in het land waarvan hij inwoner is, vrijgesteld is van inkomstenbelastingen.

§ 3. Er wordt volledig afgezien van de inning van de roerende voorheffing op dividenden waarvan de schuldenaar ofwel een vennootschap, vereniging, inrichting of instelling is die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer in België heeft, ofwel een rechtspersoon is naar Belgisch publiek recht, wanneer die dividenden worden betaald of toegekend aan Belgische beleggingsfondsen die door de Minister van Financiën overeenkomstig het tweede lid zijn erkend.

De hierboven vermelde erkenning wordt verleend op voorwaarde dat het beheersreglement van het fonds bepaalt dat:

a) de delen van het fonds op naam worden ingeschreven bij de beheersvennootschap van het fonds;

b) voor het onderschrijven van de delen alleen spaarders niet-inwoners in aanmerking komen die een attest overhandigen, opgesteld door de belastingadministratie van de Staat waarvan zij inwoner zijn en waarin wordt bevestigd dat zij geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden en dat zij in het land waarvan zij inwoner zijn vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen;

c) de activa van het fonds voor ten minste 75 % worden belegd in aandelen of winstbewijzen die de in het eerste lid vermelde dividenden voortbrengen.

§ 4. De bepalingen van de §§ 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer de spaarder niet-inwoner, alhoewel hij de aandelen of winstbewijzen in eigen naam beheert, er krachtens een contractuele verplichting toe gehouden is de opbrengsten ervan door te storten aan de uiteindelijke verkrijgers.

§ 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de verkrijger een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet een deelneming vertegenwoordigt van ten minste 25 % in het kapitaal van de dochteronderneming en die minimumdeelneming van 25 % niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid verstaat men onder dochteronderneming en moedermaatschappij de dochterondernemingen en moedermaatschappijen zoals ze zijn omschreven in de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/ EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten.

§ 6. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar en de verkrijger binnenlandse vennootschappen zijn.

De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de verkrijger uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet een deelneming vertegenwoordigt van ten minste 25 % in het kapitaal van de vennootschap die de dividenden verschuldigd is en die minimumdeelneming van 25 % niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.

§ 7. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een beleggingsvennootschap is als vermeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, met uitsluiting van de vastgoedbeleggingsvennootschappen met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 1, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, en waarvan de verkrijger wordt geïndentificeerd als een spaarder niet-inwone.

Die verzaking is niet van toepassing op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van dividenden die de beleggingsvennootschap zelf ontvangen heeft van een binnenlandse vennootschap.

§ 8. Ongeacht wie de verkrijger van de hierna vermelde inkomsten is, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot de dividenden die worden uitgekeerd door een vastgoedbeleggingsvennoootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 1, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, voor zover bij het afsluiten van het boekjaar waarmee de dividenden verband houden tenminste 60 % van het vastgoed in de zin van artikel 2, 4 van het voornoemde besluit rechtstreeks of onrechtstreeks belegd is in onroerende goederen die in België zijn gelegen en uitsluitend voor woninggebruik aangewend worden of bestemd zijn.

§ 9. Ongeacht wie de verkrijger van de hierna vermelde inkomsten is, wordt van de inning van de roerende voorheffing gedeeltelijk afgezien met betrekking tot dividenden die worden uitgekeerd door een Belgische beleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in artikel 2, 5, van het koninklijk besluit van 18 april 1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven. Die verzaking is enkel van toepassing op het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door voormelde beleggingsvennootschap.