Artikel 110, KB/WIB 92
Art. 110 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1992 (art. 91, KB/WIB; KB 27.08.1993 – B.S. 13.09.1993; Numac: 1993082751)
Met betrekking tot inkomsten van gelddeposito's die, ofwel voor of vanaf 1 december 1962 zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, ofwel vanaf 1 december 1962 met een overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot:
1° inkomsten van deposito's als vermeld in artikel 479, van boek III, van titel I, van het Wetboek van koophandel, verleend of toegekend door de Deposito en Consignatiekas, ongeacht de verkrijgers, voor zover die inkomsten betrekking hebben op een periode na 31 december 1988;
2° inkomsten, ongeacht het bedrag, van in artikel 21, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
3° inkomsten door de CV Belfox verleend of toegekend aan haar leden uit hoofde van deposito's die overeenkomstig artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit van 10 april 1991 houdende de oprichting en de inrichting van de Belgische Futures en Optiebeurs als dekking worden neergelegd;
4° inkomsten van deposito's, zelfs als vermeld in artikel 21, 5°, van hetzelfde Wetboek, verleend of toegekend:
a) door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen of privé-spaarkassen die aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen zijn onderworpen, aan in het buitenland gevestigde banken;
b) door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen, spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde commissie zijn onderworpen of in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen, aan spaarders niet-inwoners;
c) door in België gevestigde banken, Belgische openbare kredietinstellingen, spaarkassen die van een andere openbare instelling dan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen afhangen, privé-spaarkassen die aan de controle van gezegde Commissie zijn onderworpen of in artikel 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 vermelde financiële ondernemingen, aan in artikel 106, § 3, vermelde beleggingsfondsen;
d) door beursvennootschappen aan spaarders niet-inwoners;
5° inkomsten van niet in 1° tot 3° vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
6° inkomsten van deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als coördinatiecentra, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982.
