Artikel 110, KB/WIB 92
Art. 110, 1°, is van toepassing 10 dagen na publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (11.06.2022) (art. 30, KB 18.04.2022 - B.S. 01.06.2022; Numac: 2022031918)
[Dit besluit treedt in werking onder voorbehoud van het behoud, bij wijze van overgangsmaatregel, van de terminologie en de verwijzingen die voortvloeien uit de toepassing van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen overeenkomstig de overgangsbepaling van artikelen 70 en 71 van de wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht (art. 34, KB 18.04.2022 - B.S. 01.06.2022; Numac: 2022031918)]
Met betrekking tot inkomsten van gelddeposito's die, ofwel voor of vanaf 1 december 1962 zonder overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, ofwel vanaf 1 december 1962 met een overeengekomen vaste termijn of opzeggingstermijn, aan depositarissen zijn toevertrouwd, wordt van de inning van de roerende voorheffing volledig afgezien met betrekking tot:
1° inkomsten van deposito's als vermeld in artikel XX.144 van het Wetboek van economisch recht, verleend of toegekend door de Deposito en Consignatiekas, ongeacht de verkrijgers, voor zover die inkomsten betrekking hebben op een periode na 31 december 1988;
2° inkomsten, ongeacht het bedrag, van in artikel 21, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
3° inkomsten verleend of toegekend aan haar leden door een instelling als bedoeld in artikel 22, § 1, 1° of 2° en § 2, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, uit hoofde van deposito's die als dekking worden neergelegd voor de transacties welke zij heeft geregistreerd overeenkomstig het marktreglement;
4° inkomsten van deposito's, zelfs als vermeld in artikel 21, 5°, van hetzelfde Wetboek, verleend of toegekend:
a) aan in het buitenland gevestigde banken, door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen;
b) aan spaarders niet-inwoners door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen alsmede door in artikel 105, 1°, b of c vermelde ondernemingen die gedurende de gehele verlopen duur van de overeenkomst ter uitvoering waarvan de inkomsten worden verleend of toegekend, respectievelijk hebben voldaan aan de in artikel 105, 1°, b of c, bedoelde voorwaarden;
c) aan in artikel 106, § 3, vermelde beleggingsfondsen, door in artikel 105, 1°, a, vermelde financiële instellingen alsmede door in artikel 105, 1°, b of c vermelde ondernemingen die gedurende de gehele verlopen duur van de overeenkomst ter uitvoering waarvan de inkomsten worden verleend of toegekend, respectievelijk hebben voldaan aan de in artikel 105, 1°, b of c, bedoelde voorwaarden;
d) door beursvennootschappen aan spaarders niet-inwoners;
5° inkomsten van niet in 1° tot 3° vermelde deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als:
a) financiële instellingen of ermede gelijkgestelde ondernemingen;
b) parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen;
6° inkomsten van deposito's, waarvan de verkrijgers worden geïdentificeerd als coördinatiecentra, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982.
