Artikel 178, KB/WIB 92

Vanaf het aanslagjaar 2002 worden de in art. 178 opgenomen bedragen uitgedrukt in euro (art. 2, KB 20.07.2000 - B.S. 30.08.2000; Numac: 2000003467 - err. B.S. 08.03.2001; art. 37, KB 13.07.2001 - B.S. 11.08.2001; Numac: 2001003362 - err. B.S. 21.12.2001)

§ 1. De belastingplichtigen zonder beroepswerkzaamheid worden van aangifteplicht in de personenbelasting vrijgesteld ingeval hun belastbare inkomsten minder bedragen dan:

1° de belastingvrije som indien het om een alleenstaande gaat;

2° de samengetelde belastingvrije sommen inden het om echtgenoten gaat.

§ 2. Van aangifteplicht in de personenbelasting worden eveneens vrijgesteld de belastingplichtigen die geen andere belastbare inkomsten moeten aangeven dan:

1° inkomsten van onroerende goederen die belastbaar zijn ten belope van het kadastraal inkomen;

2° pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, met uitzondering van:

a) kapitalen en afkoopwaarden;

b) omzettingsrenten van kapitalen en afkoopwaarden;

c) inkomsten van pensioensparen.

In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van aangifteplicht niet voor de volgende belastingplichtigen:

1° niet-hertrouwde weduwen of weduwnaars die één of meer kinderen ten laste hebben;

2° ongehuwde vaders of moeders die één of meer kinderen ten laste hebben;

3° belastingplichtigen met één of meer kinderen van minder dan 3 jaar ten laste;

4° belastingplichtigen voor het jaar van huwelijk indien hun echtgenoot geen bestaansmiddelen van meer dan 1.690 euro netto heeft;

5° weduwen of weduwnaars voor het jaar van hun overlijden van hun echtgenoot indien die echtgenoot geen bestaansmiddelen van meer dan 1.690 euro netto heeft gehad.

In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van aangifteplicht evenmin voor de belastingplichtigen die:

1° inkomsten van buitenlandse oorsprong hebben;

2° aftrekbare interesten betalen;

3° uitgaven doen die recht geven op een belastingvermindering;

4° aftrekbare bestedingen doen;

5° voorafbetalingen verrichten.

§ 3. De vrijstelling van aangfiteplicht is van toepassing voor het aanslagjaar waarvan het belastbaar tijdperk volgt op een kalenderjaar waarin aan de in § 1 of § 2 vermelde voorwaarden is voldaan.