Artikel 204, KB/WIB 92
Art. 204, 4°, is van toepassing op de inkomsten die vanaf 20.02.2018 zijn geregistreerd (art. 1 en 2, KB 28.04.2019 - B.S. 09.05.2019; Numac: 2019041050)
Inkomsten van het in de artikelen 199 tot 203 vermelde belastbare tijdperk zijn:
1° inkomsten van gebouwde of ongebouwde onroerende goederen die op dat tijdperk betrekking hebben;
2° inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die overeenkomstig de artikelen 261, 2°, 263, eerste lid, en 267 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de roerende voorheffing onderworpen zijn en tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige zijn betaald of toegekend;
3° beroepsinkomsten, bestaande uit:
a) vastgestelde of vermoede winst of baten, andere dan vergoedingen tot gedeeltelijk of volledig herstel van een tijdelijke derving van winst of baten, van dat tijdperk;
b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende bezoldigingen en vergoedingen tot gedeeltelijk of volledig herstel van een tijdelijke derving van winst of baten;
c) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende pensioenen, renten en toelagen;
4° diverse inkomsten, bestaande uit:
a) vastgestelde of vermoede winst of baten van dat tijdperk, vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek;
b) tijdens dat tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende sommen vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis en 2° tot 7°, van hetzelfde Wetboek;
b/1) voor dat tijdperk overeenkomstig respectievelijk artikel 25 en artikel 19 van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie geregistreerde inkomsten als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°ter en 1°quater van hetzelfde Wetboek;
c) vastgestelde of vermoede meerwaarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, eerste lid, 8°, van hetzelfde Wetboek;
d) meerwaarden vermeld in artikel 90, eerste lid, 9°, van hetzelfde Wetboek;
e) vastgestelde of vermoede meerwaarden van dat tijdperk vermeld in artikel 90, eerste lid, 10°, van hetzelfde Wetboek;
f) de vergoedingen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 11°, van hetzelfde Wetboek;
g) de vergoedingen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 12°, van hetzelfde Wetboek.
5° de kosten, bijdragen, pensioenen, renten en toelagen vermeld in artikel 222 en 223, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek, die door de belastingplichtige tijdens dat tijdperk zijn betaald of toegekend.
