Artikel 164, KB/WIB 92

Art. 164 is van toepassing vanaf 28.03.2011 (art. 1 en 2, KB 18.03.2011 - B.S. 28.03.2011; Numac: 2011003121)

§ 1. De bevoegde ontvanger kan, bij een ter post aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de aan een belastingschuldige verschuldigde of toebehorende sommen en zaken, tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door deze laatste verschuldigd is uit hoofde van belastingen, voorheffingen, belastingverhogingen, nalatigheidsinteresten, boeten en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging. Het beslag wordt eveneens bij een ter post aangetekende brief aan de belastingschuldige aangezegd.

Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde.

De belastingschuldige kan tegen het beslag bij ter post aangetekende brief verzet aantekenen bij de bevoegde ontvanger binnen de 15 dagen te rekenen vanaf de afgifte ter post van de aanzegging van het beslag. De belastingschuldige moet binnen dezelfde termijn bij ter post aangetekende brief de derde-beslagene inlichten.

Wanneer het beslag slaat op inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, §§ 1 en 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de Minister van Justitie.

§ 2. Het in § 1 bedoelde beslag geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ontvanger, van een bericht van beslag zoals bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 3. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 1, zijn op dit beslag de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de bevoegde ontvanger.

§ 4. De ontvanger geeft aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aan de betalingen gegeven bestemming.