Artikel 282/1, WIB 92

Art. 282/1 (ingevoegd) is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026 (art. 49 en 50, 1ste lid, W 18.12.2025 - B.S. 30.12.2025; Numac: 2025009647)

[Elke wijziging die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, en die door de belastingplichtige niet wordt verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van de bepalingen van deze afdeling, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van deze onderafdeling (art. 50, 2de lid, W 18.12.2025 - B.S. 30.12.2025; Numac: 2025009647)]


Uit hoofde van dividenden die in toepassing van de artikelen 202 en 203 van de winst worden afgetrokken, wordt geen roerende voorheffing verrekend indien deze dividenden worden betaald of toegekend door een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde beleggingsvennootschap of een in artikel 203, § 1, eerste lid, 2°bis, bedoelde beleggingsvennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed, een gereglementeerde vastgoedvennootschap of een buitenlandse vennootschap, tenzij de belastingplichtige aan ten minste één in artikel 32 bedoelde bedrijfsleider de minimale bezoldiging bedoeld in artikel 215, derde lid, 4°, ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de inkomsten worden verkregen, heeft toegekend.

Dit artikel is niet van toepassing op de dividenden die worden verkregen door in artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde erkende coöperatieve vennootschappen.