Artikel 219, WIB 92
Art. 219, eerste lid, tweede lid, vijfde lid, en zesde lid, treedt in werking op de dag van de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad en is van toepassing op de verrichtingen bedoeld in artikel 210, § 1, 1°, 1°bis of 4°, van hetzelfde Wetboek die vanaf die datum hebben plaatsgevonden (29.07.2025) (art. 26 en 31; progW 18.07.2025; B.S. 29.07.2025; Numac: 2025005578)
Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57, eerste lid, en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, op inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, en op dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°quater, die niet worden verantwoord door individuele fiches alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard.
Die aanslag is gelijk aan 100 % van die kosten, voordelen van alle aard, inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°quater, financiële voordelen en verdoken meerwinsten, tenzij kan worden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, voordelen van alle aard, financiële voordelen, inkomsten en dividenden een rechtspersoon is, in welk geval de aanslag gelijk is aan 50 %
Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves als bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4°.
Bovendien worden de voormelde verdoken meerwinsten slechts onderworpen aan deze aanslag in het geval zij niet het gevolg zijn van een verwerping van beroepskosten.
Deze aanslag wordt niet toegepast indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°quater, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte.
Wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, wat auteursrechten en naburige rechten betreft, van de inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, of van de dividenden bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°quater, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, wordt deze aanslag in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar of indien het bedrag begrepen is in een aanslag die met akkoord van een in artikel 305, eerste lid, bedoelde belastingplichtige verkrijger te zijnen name wordt gevestigd binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 354, eerste en tweede lid, en 358.
