Artikel 117, KB/WIB 92

Art. 117, § 4, derde lid, § 5, derde lid, § 16, 17 en 18, is van toepassing vanaf 28.11.2000 (art. 4, KB 04.12.2000 - B.S. 23.12.2000; Numac: 2000003780)

§ 1. Geen voorwaarde is gesteld met betrekking tot de volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing op:

1° inkomsten van obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten, van schuldvorderingen en leningen, vermeld in:

a) artikel 107, § 2, 1° tot 5°, a en 11°;

b) de artikelen 107, § 2, 7° en 113, § 2, 2°, a, en 3°;

c) de artikelen 107, § 3, en 113, § 3, a en b, en § 4;

2° inkomsten van certificaten van Belgische beleggingsfondsen vermeld in artikel 109, eerste lid;

3° inkomsten van deposito's vermeld in de artikelen 110, 1° en 4°, a, en 114, § 2, b, en § 3;

4° inkomsten vermeld in artikel 111.

§ 2. De in artikel 106, § 2, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoners zijn die geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden en die in het land waarvan zij inwoner zijn, vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen.

§ 3. De in de artikelen 106, § 3, en 110, 4°, c, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de beheersvennootschap van het beleggingsfonds aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten die worden verkregen ten voordele van een overeenkomstig artikel 106, § 3, erkend beleggingsfonds.

§ 4. De in artikel 106, § 5, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) in de zin van de Europese richtlijn vermeld in artikel 106, § 5, een moedermaatschappij is van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap dan België;

b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming behouden heeft van ten minste 25 % in het kapitaal van de Belgische dochteronderneming.

Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een deelneming van ten minste 25 % wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden de grens van 25 % is gedaald.

Indien de aandelen die tot een minimumdeelneming behoren het voorwerp zijn van een lening als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gedurende de periode van één jaar als bedoeld in het eerste lid, littera b, moet het aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest eveneens bevestigen dat de lening werd toegestaan voor een niet hernieuwbare termijn van minder dan één jaar.

§ 5. De in artikel 106, § 6, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een binnenlandse vennootschap is;

b) op het ogenblik van de toekenning van de inkomsten, gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar een deelneming van ten minste 25 % heeft behouden in het kapitaal van de vennootschap die de inkomsten verschuldigd is.

Indien op het ogenblik van de toekenning van de dividenden de in littera b van het vorige lid vermelde bezitsduur van ten minste één jaar nog niet is bereikt, moet het door de verkrijger aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest bovendien bevatten:

a) de datum vanaf wanneer ononderbroken een deelneming van ten minste 25 % wordt aangehouden;

b) de verbintenis dat die minimumdeelneming zal worden behouden tot de bezitsduur van ten minste één jaar wordt bereikt en dat dit feit onmiddellijk ter kennis van de dochteronderneming zal worden gebracht;

c) de verbintenis dat onverwijld aan de dochteronderneming zal worden medegedeeld indien voor het einde van de termijn van één jaar de deelneming beneden de grens van 25 % is gedaald.

Indien de aandelen die tot een minimumdeelneming behoren het voorwerp zijn van een lening als bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gedurende de periode van één jaar als bedoeld in het eerste lid, littera b, moet het aan de schuldenaar van de inkomsten te overhandigen attest eveneens bevestigen dat de lening werd toegestaan voor een niet hernieuwbare termijn van minder dan één jaar.

§ 6. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge de artikelen 106, § 7, 107, § 2, 5°, b tot e, 6°en 10°, 110, 4°, b en d, 113, § 2, 2°, b, en § 3, c, en 114, § 2, c, wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijgers:

a) eigenaar of vruchtgebruiker zijn van de rentegevende roerende kapitalen;

b) niet-inwoners zijn die deze kapitalen niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruiken.

§ 7. De in artikel 115, § 1, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de beheersvennootschap van het beleggingsfonds aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten die worden verkregen ten voordele van collectieve spaarrekeningen als vermeld in artikel 145^16, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

§ 8. De in artikel 115, § 2, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de instelling, de onderneming of de beursvennootschap waarbij de rekening is geopend, aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa begrepen in een individuele spaarrekening als vermeld in artikel 145^16, van hetzelfde Wetboek.

§ 9. De verzaking van de inning van de roerende voorheffing ingevolge artikel 116 is slechts van toepassing indien de beleggingsvennootschap aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest overhandigt waarbij wordt bevestigd dat het gaat om inkomsten uit activa waarvan zij eigenares is.

§ 10. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde bepaalt de wijze waarop de schuldenaar van lijfrenten of tijdelijke renten vermeld in artikel 17, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de administratie der directe belastingen de identiteit van de verkrijgers en het bedrag van de verleende of toegekende interesten laat kennen.

§ 11. In niet in §§ 1 tot 10 vermelde gevallen is de in de artikelen 106 en 107, 110, 113 en 114 bepaalde volledige of gedeeltelijke verzaking van de inning van de roerende voorheffing onderworpen aan de voorwaarde dat de verkrijger en de schuldenaar van de inkomsten of, met betrekking tot inkomsten van buitenlandse oorsprong, de eerste Belgische tussenpersoon, zomede, eventueel, de depositaris van de rentegevende effecten, de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde uitgevaardigde voorschriften tot identificatie van de verkrijger van de inkomsten naleven.

§ 12. De in artikel 108 gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat de verkrijger een binnenlandse vennootschap is of een belastingplichtige die volgens artikel 233 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen en de rentegevende kapitalen voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

§ 13. De in artikel 106, § 8, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien de schuldenaar van de inkomsten bij zijn aangifte in de roerende voorheffing een attest voegt waarbij wordt bevestigd dat bij het afsluiten van het boekjaar waarmee de dividenden verband houden, ten minste 60 % van het vastgoed in de zin van artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks, rechtstreeks of onrechtstreeks belegd is in onroerende goederen die in België zijn gelegen en uitsluitend voor woninggebruik aangewend worden of bestemd zijn.

§ 14. De in artikel 109, tweede lid, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van roerende voorheffing een attest wordt overhandigd waarbij wordt bevestigd dat:

1° de verkrijger van de inkomsten een collectieve beleggingsinstelling naar buitenlands recht is, die een onverdeeld vermogen is dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van de deelnemers, en dat de rechten van deelneming van die instelling in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld;

2° de rentegevende waarden niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt.

§ 15. In de gevallen bedoeld in het tweede lid van de §§ 4 en 5, dient de dochteronderneming zich ertoe te verbinden op het ogenblik van de toekenning van de dividenden op die dividenden ten voorlopigen titel een bedrag in te houden dat overeenstemt met de roerende voorheffing die daarop in de regel verschuldigd zou zijn, en dit bedrag ten definitieven titel als roerende voorheffing te zullen betalen, verhoogd met de eventueel verschuldigde nalatigheidsinteresten, indien door de moedermaatschappij niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat de deelneming van ten minste 25 % gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar moet zijn behouden.

§ 16. De in artikel 106, § 1, tweede lid, en § 11, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de schuldenaar van de inkomsten, de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen of de in België gevestigde tussenpersoon, een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een binnenlandse vennootschap is;

b) op het ogenblik dat de lening wordt gesloten, eigenaar is van de geleende effecten.

§ 17. De in artikel 106, § 10, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen een attest wordt overhandigd waarin wordt bevestigd dat de verkrijger:

a) een buitenlandse vennootschap is;

b) op het ogenblik dat de lening wordt gesloten, eigenaar is van de geleende effecten.

§ 18. De in artikel 107, § 2, 12°, gestelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing wordt slechts toegestaan indien aan de beheerder van het erkende gecentraliseerde systeem voor het lenen en ontlenen van aandelen een attest wordt overhandigd waarbij is bevestigd dat de verkrijger:

a) een buitenlandse vennootschap is;

b) op het ogenblik dat de lening wordt gesloten, eigenaar is van de geleende effecten.