Artikel 90, KB/WIB 92

Art. 90, § 1, is van toepassing op de vanaf 01.07.2005 betaalde of toegekende ploegen- en nachtpremies en bezoldigingen betreffende uren die als overwerk zijn gepresteerd (art. 1, KB 04.08.2005 - B.S. 12.08.2005; Numac: 2005003625 - err. 18.08.2005; opgeheven bij art. 6, KB 22.08.2006 - B.S. 28.08.2006; Numac: 2006003400, van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 01.01.2006 behalve de bepalingen betreffende de in art. 275^3, derde lid, 2°, WIB 1992 bedoelde Young Innovative Companies die uitwerking hebben vanaf 01.07.2006)

§ 1. De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing, die in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend, moeten binnen de in artikel 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gestelde termijn een aangifte in de bedrijfsvoorheffing overleggen bij de bevoegde ontvanger van de directe belastingen en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing bij dezelfde ambtenaar betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III.

Door de schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moet eveneens een aangifte worden overgelegd ingeval:

- zij voor een bepaalde periode geen in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend;

- zij in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend waarop echter volgens de schalen en de regels waarvan sprake in artikel 88 geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.

Het model van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 4 van de Wet van 24 december 1999 houdende fiscale en diverse bepalingen, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid:

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten van werknemers die niet in artikel 4 van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing die in de Schatkist moet worden gestort;

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend de voor die periode betaalde of toegekende belastbare inkomsten van de werknemers die wel in het voornoemd artikel 4 zijn bedoeld, zonder vermelding van de niet aan de schatkist te storten bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" moet het cijfer "0" worden ingevuld.

De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 387, eerste lid, van de Programmawet van 24 december 2002, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing, bevattende een eventuel fiscaal volontariaat, verschilt van het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, tweede lid van de genoemde wet, afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid:

- een eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten van werknemers die niet in artikel 387, eerste lid van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing die in de Schatkist moet worden gestort;

- een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend de door de werkgever voor die periode werkelijk betaalde of toegekende belastbare inkomsten van de werknemers die wel in het artikel 387, eerste lid van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop ingehouden bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, derde of vijfde lid van dezelfde wet;

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing lager is dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, derde lid, van de genoemde wet, dan moet een derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend die uitsluitend het positieve verschil bevat tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "belastbare inkomsten" moet het cijfer "0" worden ingevuld;

- wanneer het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing meer bedraagt dan het bedrag van de fictieve bedrijfsvoorheffing als bedoeld in artikel 387, vijfde lid, van de genoemde wet, dan moet een vierde aangifte in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend die uitsluitend het negatieve verschil bevat tussen de fictieve bedrijfsvoorheffing en de ingehouden bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "belastbare inkomsten" moet het cijfer "0" worden ingevuld.

De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij naargelang het geval, slechts 35 of 50 % van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing in de Schatkist moeten storten, drie afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid:

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten van werknemers die niet in artikel 385 van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing die in de Schatkist moet worden gestort;

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend de voor die periode betaalde of toegekende belastbare inkomsten van de werknemers die wel in het voornoemd artikel 385 zijn bedoeld, en de daarop ingehouden bedrijfsvoorheffing als bedoeld in hetzelfde artikel;

- de derde aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend een negatief bedrag van 65 % of 50 % van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "belastbare inkomsten" moet het cijfer "0" worden ingevuld.

De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 301 van de programmawet van 22 december 2003, moeten, voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat gelijk is aan 1 % van de in dat artikel omschreven belastbare bezoldigingen niet in de schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid:

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de in het voornoemde artikel 301 bedoelde bezoldigingen van werknemers evenals op het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat overeenkomstig hetzelfde artikel niet moet worden gestort en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "aard der inkomsten": de code die door de FOD Financiën zal worden vastgesteld;
  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen als bedoeld in § 1, tweede lid, van hetzelfde artikel;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een negatief bedrag gelijk aan 1 % van de belastbare bezoldigingen als bedoeld in § 1, tweede lid, van hetzelfde artikel.

De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 275^1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten, voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat gelijk is aan 24,75 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag niet in de schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid:

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing;

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de in het voornoemde artikel 275^1, bedoelde bezoldigingen van werknemers evenals op het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat overeenkomstig hetzelfde artikel niet moet worden gestort en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

  • in het vak "aard der inkomsten": de code die door de FOD Financiën zal worden vastgesteld;
  • in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen als bedoeld in het eerste lid van hetzelfde artikel;
  • in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een negatief bedrag gelijk aan 24,75 % van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

§ 2. Iedere niet in artikel 270, 5°, van hetzelfde Wetboek vermelde schuldenaar van bedrijfsvoorheffing moet bij de in § 1 vermelde ontvanger een registratienummer aanvragen dat hij bij iedere aangifte in de bedrijfsvoorheffing, alsook bij iedere betaling van bedrijfsvoorheffing dient te vermelden.

Wanneer een geregistreerde schuldenaar van bedrijfsvoorheffing niet langer als schuldenaar van bedrijfsvoorheffing kan worden aangemerkt, dient hij onmiddellijk de ambtenaar bij wie hij in die hoedanigheid is geregistreerd daarvan in kennis te stellen en moet hij terzelfdertijd de schrapping van het registratienummer vragen.

Het registratienummer omvat eventueel het nummer dat de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing heeft gekregen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 3. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan toelaten, binnen de door hem bepaalde voorwaarden, de aangifte van de bedrijfsvoorheffing in te dienen bij de door hem aangewezen dienst door middel van een procedure waarbij informatica- of telegeleidingstechnieken worden gebruikt.

§ 4. Voor de toepassing van § 1 moeten de in artikel 270, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing binnen vijftien dagen na het verstrijken van de maand waarin de in artikel 87, 7°, vermelde inkomsten overeenkomstig artikel 364 van hetzelfde Wetboek geacht worden te zijn toegekend, een aangifte in de bedrijfsvoorheffing overleggen bij de ontvanger van de directe belastingen te Brussel "Buitenland" en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing door storting of overschrijving op postrekening 679-2002400-29 van de voormelde ontvanger betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III.