Artikel 90, KB/WIB 92

Art. 90, § 3, is van toepassing vanaf 31.10.2002 (art. 1, KB 21.10.2002 - B.S. 16.12.2000; Numac: 2002003456)

§ 1. De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing, die in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend, moeten binnen de in artikel 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gestelde termijn een aangifte in de bedrijfsvoorheffing overleggen bij de bevoegde ontvanger van de directe belastingen en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing bij dezelfde ambtenaar betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III.

Door de schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moet eveneens een aangifte worden overgelegd ingeval:

- zij voor een bepaalde periode geen in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend;

- zij in artikel 87, 1° tot 7°, vermelde belastbare inkomsten hebben betaald of toegekend waarop echter volgens de schalen en de regels waarvan sprake in artikel 88 geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.

Het model van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde.

De schuldenaars van bedrijfsvoorheffing die zijn bedoeld in artikel 4 van de Wet van 24 december 1999 houdende fiscale en diverse bepalingen, moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het hierna volgend onderscheid:

- de eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat de door de werkgever betaalde of toegekende belastbare inkomsten van werknemers die niet in artikel 4 van de genoemde wet zijn bedoeld en de daarop verschuldigde bedrijfsvoorheffing die in de Schatkist moet worden gestort;

- de tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing bevat uitsluitend de voor die periode betaalde of toegekende belastbare inkomsten van de werknemers die wel in het voornoemd artikel 4 zijn bedoeld, zonder vermelding van de niet aan de schatkist te storten bedrijfsvoorheffing. In de rubriek "verschuldigde bedrijfsvoorheffing" moet het cijfer "0" worden ingevuld.

§ 2. Iedere niet in artikel 270, 5°, van hetzelfde Wetboek vermelde schuldenaar van bedrijfsvoorheffing moet bij de in § 1 vermelde ontvanger een registratienummer aanvragen dat hij bij iedere aangifte in de bedrijfsvoorheffing, alsook bij iedere betaling van bedrijfsvoorheffing dient te vermelden.

Wanneer een geregistreerde schuldenaar van bedrijfsvoorheffing niet langer als schuldenaar van bedrijfsvoorheffing kan worden aangemerkt, dient hij onmiddellijk de ambtenaar bij wie hij in die hoedanigheid is geregistreerd daarvan in kennis te stellen en moet hij terzelfdertijd de schrapping van het registratienummer vragen.

Het registratienummer omvat eventueel het nummer dat de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing heeft gekregen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 3. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan toelaten, binnen de door hem bepaalde voorwaarden, de aangifte van de bedrijfsvoorheffing in te dienen bij de door hem aangewezen dienst door middel van een procedure waarbij informatica- of telegeleidingstechnieken worden gebruikt.

§ 4. Voor de toepassing van § 1 moeten de in artikel 270, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing binnen vijftien dagen na het verstrijken van de maand waarin de in artikel 87, 7°, vermelde inkomsten overeenkomstig artikel 364 van hetzelfde Wetboek geacht worden te zijn toegekend, een aangifte in de bedrijfsvoorheffing overleggen bij de ontvanger van de directe belastingen te Brussel "Buitenland" en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing door storting of overschrijving op postrekening 679-2002400-29 van de voormelde ontvanger betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III.