Artikel 104, WIB 92
Art. 104, inleidende zin, 1°, 3° tot 8°, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2013 (art. 8 en 39, 8ste lid, W 13.12.2012 - B.S. 20.12.2012; Numac: 2012003381)
Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 115 en 116, worden van het totale netto-inkomen de volgende bestedingen afgetrokken, in zover zij in het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald:
1° 80 % van de onderhoudsuitkeringen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald aan personen die niet deel uitmaken van zijn gezin, wanneer ze zijn betaald ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede 80 % van de kapitalen die zulke uitkeringen vervangen.
2° 80 % van de uitkeringen of de aanvullende uitkeringen die de belastingplichtige verschuldigd is volgens de voorwaarden bepaald in 1°, doch die na het belastbare tijdperk waarop zij betrekking hebben betaald worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht wordt vastgesteld of verhoogd. Evenwel zijn de uitkeringen betaald voor de kinderen voor welke voor een vorig aanslagjaar artikel 132bis werd toegepast, niet aftrekbaar.
3° (...)
4° (...)
4°bis (...)
4°ter (...)
5° (...)
6° (...)
7° (...)
8° (...)
9° interesten en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die specifiek is gesloten om een in artikel 12, § 3, bedoelde enige woning te verwerven of te behouden, en bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een dergelijke hypothecaire lening.
