Artikel 111, WIB 92
Art. 111 is van toepassing vanaf 10.09.2003 (art. 5, W 21.06.2001 - B.S. 05.07.2001; Numac: 2001003328; inwerkingtreding: art. 32, KB 26.08.2003 - B.S. 10.09.2003; Numac: 2003003456)
De Minister van Financiën erkent dat de kunstwerken bedoeld in artikel 104, 5°, b), behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land of dat zij internationale faam genieten en stelt hun geldwaarde vast. De aftrek wordt verleend tot de aldus vastgestelde geldwaarde.
De bijzondere commissie bedoeld in artikel 83/4 van het Wetboek der successierechten geeft de Minister van Financiën een bindend advies over:
1° de vraag of de aangeboden kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of internationale faam genieten;
2° de ontvankelijkheid van de schenking;
3° de geldwaarde van het aangeboden kunstwerk.
De kosten van de schatting worden voorgeschoten door de belastingplichtige.
De erkenning door de Minister van Financiën en de vastgestelde geldwaarde bedoeld in het eerste lid, gelden voor een termijn van zes maanden vanaf de kennisgeving van die erkenning en die geldwaarde, bij een ter post aangetekende brief, aan de belastingplichtige.
De kosten van de schatting van het kunstwerk worden aan de belastingplichtige terugbetaald zodra hij het bewijs heeft geleverd dat de schenking binnen de in het voorgaande lid gestelde termijn is verricht.
De Koning stelt de nadere regels vast betreffende het voorschot en de terugbetaling van de schattingskosten.
