Artikel 115, WIB 92
Art. 115, § 1, laatste lid, is van toepassing met ingang van aanslagjaar 2009 (art. 2, W 24.12.2008 - B.S. 31.12.2008; Numac: 2008003531)
§ 1 De in artikel 104, 9°, vermelde bestedingen zijn aftrekbaar onder de volgende voorwaarden:
1° de bestedingen moeten zijn gedaan voor de woning die op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is afgesloten, de enige woning van de belastingplichtige is en die hij op diezelfde datum zelf betrekt;
2° de hypothecaire lening en het levensverzekeringscontract die zijn bedoeld in artikel 104, 9°, zijn door de belastingplichtige aangegaan bij een instelling die in de Europese Economische Ruimte is gevestigd om in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn in artikel 12, § 3, bedoelde woning te verwerven of te behouden;
3° de hypothecaire lening heeft een looptijd van ten minste 10 jaar;
4° het levensverzekeringscontract is aangegaan:
a) door de belastingplichtige die daarbij alleen zichzelf heeft verzekerd;
b) vóór de leeftijd van 65 jaar; contracten die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn worden verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, worden geacht niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan;
c) voor een minimumlooptijd van 10 jaar wanneer het in voordelen bij leven voorziet;
5° de voordelen van het in 4° bedoelde contract zijn bedongen:
a) bij leven, ten gunste van de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar;
b) bij overlijden, ten gunste van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van die woning verwerven;
6° het totaal aftrekbaar bedrag mag per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 1.500 euro (basisbedrag).
Om te bepalen of de woning van de belastingplichtige, op 31 december van het jaar waarin het leningcontract is afgesloten, zijn enige woning is die hij zelf betrekt, wordt geen rekening gehouden met:
1° andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
2° een andere woning die op die datum op de vastgoedmarkt te koop is aangeboden en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin het leningcontract is afgesloten, ook daadwerkelijk is verkocht;
3° het feit dat de belastingplichtige de woning niet zelf betrekt omwille van:
- wettelijke of contractuele belemmeringen die het de belastingplichtige onmogelijk maken de woning op die datum zelf te betrekken;
- de stand van de bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden die het de belastingplichtige nog niet toelaten de woning daadwerkelijk op diezelfde datum te betrekken.
De aftrek wordt niet meer toegestaan:
1° vanaf het jaar volgend op het jaar waarin het leningcontract is afgesloten, indien op 31 december van dat jaar de in het vorige lid, 2°, bedoelde andere woning niet daadwerkelijk is verkocht;
2° vanaf het tweede jaar volgend op het jaar waarin het leningcontract is afgesloten, indien de belastinplichtige de in artikel 104, 9°, bedoelde woning op 31 december van dat jaar niet zelf betrekt.
Wanneer de aftrek bij toepassing van het vorige lid, 2°, gedurende één of meer belastbare tijdperken niet is toegestaan en de belastingplichtige de in artikel 104, 9°, bedoelde woning zelf betrekt op 31 december van het belastbaar tijdperk waarin de in het tweede lid, 3°, bedoelde belemmeringen zijn weggevallen, wordt de aftrek opnieuw toegestaan vanaf dit belastbaar tijdperk.
§ 2. De in artikel 104, 9°, vermelde leningen zijn specifiek gesloten om een woning te verwerven of te behouden wanneer ze zijn aangegaan om:
1. een onroerend goed aan te kopen;
2. een onroerend goed te bouwen;
3. een onroerend goed volledig of gedeeltelijk te vernieuwen;
4. de successierechten met betrekking tot de in artikel 104, 9°, bedoelde woning te betalen met uitzondering van nalatigheidsinteresten verschuldigd bij laattijdige betaling.
Wat de in het eerste lid, 3, bedoelde vernieuwing betreft, zijn de daarop betrekking hebbende dienstverrichtingen deze vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
§ 3. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in artikel 104, 9°, bedoelde aftrek.
