Artikel 145^27, WIB 92

Art. 145^27 is van toepassing met ingang van 10.01.2004 (art. 290, progW 22.12.2003 - B.S. 31.12.2003; Numac: 2003021248 - err. B.S. 16.01.2004)


§ 1. In geval van inschrijving op obligaties met een looptijd van minstens 60 maanden die door het Startersfonds op naam worden uitgegeven, wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.

De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten:

1° de obligaties moeten, behalve bij overlijden, gedurende ten minste 60 maanden ononderbroken in het bezit blijven van de inschrijver;

2° bij vervreemding (...) heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;

3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Startersfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten. De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden;

4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in § 3 vermelde document over.

De belastingvermindering is gelijk aan 5 % van de werkelijk gedane betalingen.

Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 euro (basisbedrag) bedragen.

Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien de obligaties op zijn persoonlijke naam zijn uitgegeven.

§ 2. Wanneer de in § 1, tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de obligaties uitgegeven door het Startersfonds heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig § 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.

§ 3. Het Startersfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de belastingsdienst waarvan hij afhangt, met daarin:

- voor het jaar van verwerving: de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver;

- voor het jaar van overlijden van de inschrijver: het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten;

- voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt: naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering;

- voor het jaar van vervreemding wanneer deze gebeurt in de loop van een jaar dat het verstrijken van de termijn van 60 maanden voorafgaat het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering.